ECLI:NL:PHR:2007:AZ8783
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat opzet niet hoeft te zijn gericht op overtreden van wettelijke verplichtingen in sociale verzekerings- en belastingwetgeving
In deze zaak is verdachte veroordeeld wegens meerdere opzettelijke overtredingen van administratieve verplichtingen onder de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De centrale juridische vraag betrof of het opzet ook gericht moet zijn op het kennen en bewust overtreden van de specifieke wettelijke verplichtingen.
De Hoge Raad bevestigt de eerdere jurisprudentie uit 1952 dat het opzet niet hoeft te zijn gericht op het overtreden van de specifieke wettelijke voorschriften, maar dat het voldoende is dat de verdachte bewust het feit heeft begaan dat strafbaar is gesteld, ook als hij niet wist dat hij een wettelijke plicht overtrad. Dit betekent dat kennis van de wet in principe wordt verondersteld, en dat zelfzuchtige onwetendheid niet als verweer kan dienen.
De verdachte had zijn werknemers aangemeld onder een Duitse regeling terwijl hij wist dat deze niet van toepassing was en voerde bewust een valse administratie om zo belasting en premies te ontwijken. Het hof achtte dit fraudeus en legde een gevangenisstraf op. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen van verdachte, onder meer omdat hij zijn adviseur valselijk had voorgelicht en zijn onwetendheid niet aannemelijk was.
De Hoge Raad bespreekt ook de problematiek van het opzetbegrip in het economisch strafrecht, waarbij het onderscheid tussen bewust en onbewust handelen vervaagt door de complexiteit van regelgeving. De conclusie is dat het huidige leerstuk van voorwaardelijk opzet mogelijkheden biedt om onderscheid te maken tussen zelfzuchtige onwetendheid en slordigheid, maar dat de wetgever en rechterlijke praktijk dit nog niet volledig hebben verwerkt.
De uitspraak bevestigt dat ondernemers geacht worden zich te informeren over hun wettelijke verplichtingen en dat het bewust negeren daarvan, ook zonder expliciete kennis van de wet, strafbaar is. De opgelegde straf van 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.