ECLI:NL:PHR:2007:BA4941
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor poging zware mishandeling met voorbedachte raad bevestigd door Hoge Raad
De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad, met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een proeftijd van twee jaar. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, de verdachte zelf en een getuige, de zoon van de verdachte.
De verdediging voerde in cassatie aan dat de bewezenverklaring van voorbedachte raad onvoldoende was onderbouwd, mede vanwege de betrouwbaarheid van de verklaring van de minderjarige zoon die als getuige optrad. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijsmiddelen juist heeft gewogen en dat de uitleg van de verklaringen begrijpelijk is. De Hoge Raad benadrukte dat de selectie en waardering van bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden en dat de bewezenverklaring kan volgen uit de gebruikte bewijsmiddelen.
Daarnaast klaagde de verdediging dat het hof niet had gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de aangever, maar de Hoge Raad stelde vast dat het hof deze argumenten heeft betrokken bij zijn oordeel en dat het ontbreken van een nadere motivering in dit geval niet tot cassatie leidt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest alleen voor zover daarin niet art. 303 Sr Pro als wettelijke grondslag voor de strafoplegging was vermeld, en voegde dit artikel toe. Het cassatieberoep werd verder verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor poging zware mishandeling met voorbedachte raad en vernietigt arrest alleen wegens ontbreken wettelijke grondslag art. 303 Sr.