ECLI:NL:PHR:2008:BD0191
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aanvang redelijke termijn bij fiscale bestuurlijke boete en gevolgen overschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep van X Holding BV tegen een boetebeschikking van de Belastingdienst wegens het niet tijdig afdragen van loonbelasting en premie volksverzekeringen over 2001. Belanghebbende had willens en wetens een nihil-aangifte gedaan terwijl het salaris van haar directeur en enig aandeelhouder bekend was. De Inspecteur legde een boete van 50% op, die door het Hof werd bevestigd.
Het geschil spitst zich toe op de vraag wanneer de redelijke termijn voor berechting van de boete begint te lopen volgens artikel 6 EVRM Pro. Belanghebbende stelde dat de termijn begon bij de brief van de Inspecteur van 27 mei 2003, waarin de mogelijkheid van een boete werd aangekondigd. Het Hof oordeelde dat deze brief geen formele 'criminal charge' was en dat de termijn pas begon bij de formele kennisgeving van de boete op 2 april 2004.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en stelt dat de redelijke termijn begint bij een handeling van het bestuursorgaan waaruit de betrokkene in redelijkheid kan afleiden dat een boete zal worden opgelegd, met name de kennisgevingen zoals bedoeld in artikelen 67g en 67k AWR. De eerdere brief van 27 mei 2003 was slechts een verzoek om informatie en geen formele aankondiging van een boete.
Verder overweegt de Hoge Raad dat de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure aan de zijde van belanghebbende is toe te schrijven, maar geeft hij de Hoge Raad in overweging de boete te verminderen naar rato van de termijnoverschrijding. De conclusie van de Advocaat-Generaal is ongegrondverklaring van het cassatieberoep, vernietiging van het Hofarrest en vermindering van de boete.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de redelijke termijn begint bij de formele kennisgeving van de boete en wijst het cassatieberoep af, met een aanwijzing tot vermindering van de boete.