ECLI:NL:PHR:2010:BM1688
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid advocaat voor niet tijdig stuiten verjaring vordering wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur dividendbesluit
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van een advocaat centraal die niet tijdig de verjaring van een vordering jegens een adviseur (Ernst & Young) heeft gestuit. De vordering betrof schadevergoeding wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur door een dividendbesluit dat leidde tot een faillissementstekort.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van vijf jaar ex art. 3:310 lid 1 BW Pro aanvangt op het moment dat de curator de aansprakelijke bestuurders dagvaardde, ook al was toen nog onzeker of de rechter de vordering zou toewijzen. Op dat moment waren de bestuurders voldoende op de hoogte van de schade en de aansprakelijke partij om een rechtsvordering in te stellen.
Het hof had geoordeeld dat de advocaat door het niet tijdig stuiten van de verjaring een beroepsfout had gemaakt, waardoor de vordering jegens Ernst & Young was verjaard en de bestuurders schade hadden geleden. De Hoge Raad verwierp de klachten van de advocaat, bevestigde het oordeel van het hof en wees op het belang van rechtszekerheid en billijkheid bij het aanvangstijdstip van de verjaring.
Verder werd vastgesteld dat het dividendbesluit als kennelijk onbehoorlijk bestuur geldt en dat Ernst & Young tekort is geschoten in hun advisering. De advocaat had de belangen van zijn cliënten moeten beschermen door tijdig de verjaring te stuiten of Ernst & Young in vrijwaring op te roepen. Het beroep van de advocaat werd verworpen.
Uitkomst: De advocaat is aansprakelijk voor de schade door het niet tijdig stuiten van de verjaring van de vordering jegens Ernst & Young.