ECLI:NL:PHR:2011:BN6391
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onmogelijkheid tot vorming voorziening voor seniorenverlofregeling wegens ontbreken toerekeningsvereiste
Belanghebbende, een onderneming met een seniorenverlofregeling, vormde voorzieningen voor toekomstige loonkosten en pensioenpremies verbonden aan deze regeling. De Inspecteur accepteerde deze voorziening voor de jaren 2000-2003, maar niet voor 2004. De Rechtbank oordeelde dat de voorziening terecht was gevormd, maar het Hof vernietigde dit en stelde dat de toekomstige uitgaven niet aan het jaar 2004 konden worden toegerekend, omdat de arbeid tijdens het seniorenverlof voortduurt.
De seniorenverlofregeling maakt het mogelijk dat werknemers vanaf 60 jaar minder uren werken tegen een gedeeltelijke loonsverlaging, waarbij de werkgever het verschil betaalt. De Hoge Raad benadrukt het matchingbeginsel: arbeidskosten moeten worden toegerekend aan het jaar waarin de arbeid wordt verricht. Uitzonderingen op dit principe zijn beperkt en niet van toepassing op de seniorenverlofregeling.
De Hoge Raad volgt het Hof in de conclusie dat de regeling geen wijziging van het dienstverband inhoudt, maar een andere invulling daarvan, waarbij de werknemer nog arbeid verricht. Daarom kunnen de toekomstige kosten niet aan het verleden worden toegerekend en mag geen voorziening worden gevormd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat niet wordt voldaan aan de eis van duurzaam substantieel minder arbeid.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het vormen van een voorziening voor de seniorenverlofregeling niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het vormen van een voorziening voor de seniorenverlofregeling wordt niet toegestaan.