1 Er zijn ook prioriteitsaandeelhouders en de belanghebbende heeft ook nog andere deelnemingen (zie het jaarverslag 2001).
2 Uit het dossier en het verhandelde bij pleidooi kan ik niet opmaken hoe vaak rebalanced wordt (per uur, per minuut, per dag, per seconde (de Staatssecretaris heeft het bij pleidooi over nanoseconden) en met welk bereik (per fonds, per serie, per soort). Uit het veld hoor ik geluiden dat per minuut rebalanced wordt, geaggregeerd per fonds. Dit is wellicht iets voor de partijen om zich bij Borgersbrief over uit te laten, maar het moet mijns inziens in elk geval opgehelderd worden bij de feitenrechter na verwijzing.
3 J.C. Hull, 'Fundamentals of Futures and Option Markets', Upper Saddle River (New Jersey): Pearson Education, Inc. 2005 (5th edition), p. 333.
4 Zie r.o. 2.7 Rechtbank. Volgens Hull 2005, t.a.p., p. 336, kunnen de overige Grieken worden beheerst door opties met de tegengestelde waarde te kopen of te verkopen (een optie met een vega van 1 bijvoorbeeld, kan worden gehedged door een vergelijkbare optie met een vega van -1 te kopen/verkopen). Verschillende Grieken kunnen simultaan worden gehedged op de wijze beschreven op p. 336 van Hull.
5 Uit het dossier kan ik niet opmaken of de belanghebbendes in het kader van de haircut ten gunste van E een bezitloos pandrecht op haar long posities vestigt. De Staatssecretaris stelt met zoveel woorden dat dat het geval is; zie zijn antwoord op mijn schriftelijke vragen 4a en 4c aan de partijen voorafgaand aan uw pleidooizitting in deze zaak.
6 Ik begrijp dat dat het totale risico is in alle posities per einde handelsdag. Wil men dat risico geheel elimineren, dan zou men per einde handelsdag alle posities moeten afbouwen (in cash omzetten); day traders doen dat in de regel; vandaar hun benaming.
7 E hield geen aandelen in de belanghebbende; zie bijlage 5 bij de aangifte vennootschapsbelasting 2001 (bijlage 4 bij het verweerschrift in eerste aanleg).
8 Over de eigenaren daarvan vermeldt de website www.lchclearnet.com: "AA Ltd is owned 77.5% by its clients and 22.5% by exchanges."
9 Volgens http://en.wikipedia.org/wiki/Haircut_(finance) wordt "haircut (...) used interchangeably with the term margin."
10 De belanghebbende en de Inspecteur hebben bij gezamenlijke brieven 9 mei 1994 en 17 januari 1995 de andere market makers benaderd.
11 Zie p. 4 van het verweerschrift in eerste aanleg. Rechtbank en Hof melden hier abusievelijk 8.667.798.
12 Rechtbank Haarlem 18 augustus 2010, nr. AWB 07/7296, LJN BN5019, NTFR 2010/2246 met commentaar Van Horzen.
13 HR 23 januari 2004, nr. 37 893, na conclusie Groeneveld, LJN AI0670, BNB 2004/214 met noot De Vries, V-N 2004/10.7, NTFR 2004/99 met commentaar Antonisse.
14 HR 16 november 2007, nr. 42 970, na conclusie Wattel, LJN AZ7371, BNB 2008/26 met noot Cornelisse, V-N 2007/55.16, NTFR 2007/2072 met commentaar Ligthart, FED 2008/13 met aantekening Verhagen.
15 HR 10 april 2009, nr. 42 916, na conclusie Wattel, LJN AZ7364, BNB 2009/271 met commentaar Van der Geld, V-N 2009/18.19, NTFR 2009/821 met commentaar Ligthart, FED 2009/52 met aantekening Verhagen.
16 Noot PJW: de term "vermogen" kan verwarren. De market maker moet (kennelijk goederenrechtelijke) zekerheid (collateral) geven aan de clearing member bij wie hij is aangesloten; ik stel me voor door middel van pandrecht.
17 Hof Amsterdam 19 april 2012, nr. 10/00638, LJN BW3343, NTFR 2012/1565 met commentaar Van Horzen.
18 Noot PJW: OTC betekent over the counter en ziet op custom made derivaten die niet ter beurze maar ondershands worden verhandeld.
19 HR 16 november 2007, nr. 42 970, na conclusie Wattel, LJN AZ7371, BNB 2008/26 met noot Cornelisse, V-N 2007/55.16, NTFR 2007/2072 met commentaar Ligthart, FED 2008/13 met aantekening Verhagen.
20 HR 10 april 2009, nr. 42 916, na conclusie Wattel, LJN AZ7364, BNB 2009/271 met commentaar Van der Geld, V-N 2009/18.19, NTFR 2009/821 met commentaar Ligthart, FED 2009/52 met aantekening Verhagen.
21 HR 18 december 1991, nr. 26 674, na conclusie Verburg, LJN ZC4827, BNB 1992/181 met noot Slot, V-N 1992/586, FED 1993/26 met aantekening Rijkels.
22 HR 28 juni 2000, nr. 34 169, na conclusie Van Kalmthout, LJN AA6313, BNB 2000/275 met noot Hoogendoorn, V-N 2000/30.7, NTFR 2000/931 met commentaar Vissers, FED 2001/429 met aantekening Aardema.
23 In 1992 bedroeg het verschil tussen marktwaarde en afzonderlijke waardering ca. f. 58,4 miljoen en het verschil tussen marktwaarde en waardedering ingevolge de afspraak ca. f. 44 miljoen (relatief verschil van ca. 24%. Voor 2001 waren die bedragen respectievelijk ca. € 322 miljoen en € 126,9 miljoen, wat neerkomt op een relatief verschil van ca. 60%. Zie p. 12-13 van het beroepschrift in cassatie.
24 Waarom dat zo is, doorgrond ik niet.
25 HR 23 januari 2004, nr. 37 893, na conclusie Groeneveld, LJN AI0670, BNB 2004/214 met noot De Vries, V-N 2004/10.7, NTFR 2004/99 met commentaar Antonisse.
26 HR 27 mei 1992, nr. 27 848, na conclusie Van Soest, LJN ZC4996, BNB 1992/302 met noot Van Dijck, V-N 1992/1728.
27 HR 25 november 1992, nr. 28 717, LJN ZC5181, BNB 1993/63 met noot Scheltens, V-N 1992/3791.
28 Deze overweging luidt als volgt: "3.4. Van een compromis is slechts sprake indien een inspecteur en een belastingplichtige een overeenkomst hebben gesloten waarbij zij - zoals het in het ontwerpartikel 7.15.1 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is verwoord - ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen partijen rechtens geldt, een vaststelling aanvaarden, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken."
29 HR 3 juni 1981, nr. 20 281, (Runderdarmslijmerij-arrest), na conclusie Mok, LJN AW9622, BNB 1981/230 met noot Hofstra. Dit arrest staat nog steeds: zie bijvoorbeeld HR 13 mei 2011, nr. 10/03425, LJN BQ4288, BNB 2011/200, NTFR 2011/1090 met commentaar Niessen-Cobben.
30 Zie P.J. Wattel, 'De reikwijdte van de fiscale vaststellingsovereenkomst (I en II)', WPNR 1996/6217 en 6218, p. 219 resp. 249.
31 Zie p. 12-13 van het beroepschrift in cassatie, en r.o. 4.19 van de uitspraak van de Rechtbank.
32 Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 14 oktober 2010, nr. 04/02821, LJN BO1690 (r.o. 5.1), NTFR 2010/2719 met commentaar P.G.M. Jansen. Zie ook HR 16 november 2007, nr. 42 257, na conclusie Wattel, LJN BA2267, BNB 2008/20 met noot Van Leijenhorst, V-N 2007/54.3, NTFR 2007/2094 met commentaar Van Elk, FED 2008/63 met aantekening Klein Sprokkelhorst.
33 Vgl. M.W.C. Feteris, 'Formeel belastingrecht', Kluwer: Deventer 2007, p. 538, en Asser (bijzondere overeenkomsten) 7-VIII*, punt 160.
34 Vgl. A.K.H. Klein Sprokkelhorst, 'Overeenkomsten met de fiscus', Fiscale Monografieën nr. 88, Kluwer: Deventer 1999, p. 227.
35 Hull 2005.
36 p. 20 verweerschrift in hoger beroep.
37 p. 13 motivering van beroepschrift in cassatie.
38 Pas sinds eind 1997 schrijven de 'Kaders voor vaststellingsovereenkomsten' (Besluit van 1 december 1997, nr AFZ/2412, V-N 1997, p. 4702) voor dat steeds schriftelijk wordt vastgelegd voor welke belastingjaren c.q. voor welke periode de vaststelling geldt. Niettemin volgt uit de uitspraak van de Rechtbank (r.o. 4.4) dat de looptijd van de vaststellingsovereenkomsten met belanghebbendes conculega's beperkt was tot vijf jaren.
39 Nóg een Grieks risico.
40 Zie voor civielrechtelijke autoriteit ter zake van opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd onder meer (het veel bekritiseerde) HR 3 december 1999, nr. C98/156HR, LJN AA3821 (Maison Louis Latour/De Bruijn Wijnkopers), na conclusie Hartkamp, NJ 2000, 120, over de opzegging van een distributie-overeenkomst voor onbepaalde tijd door een bekend Frans wijnhuis met zijn Nederlandse importeur nadat de partijen ruim honderd jaar zaken hadden gedaan, en (het met instemming begroete) HR 28 oktober 2011, nr 10/00299 (gemeente De ronde venen/SNU en Stedin), LJN BQ9854, RvdW 2011/1311, NJ 2012, 685, met noot Tjong Tjin Tai, over de opzegging door een gemeente van een exploitatie-overeenkomst/kabellegregeling voor onbepaalde tijd met een gas- en elektriciteitsexploitant en een netwerkbeheerder. Zie over opzegging door de fiscus van een fiscale vaststellingsovereenkomst voor onbepaalde tijd bijvoorbeeld Hof 's-Hertogenbosch 25 november 2011, nr. 11/00102, LJN BV7549, V-N 2012/21.20, NTFR 2012/803, met commentaar Lammers. Zie ook Wattel: t.a.p. (WPNR 1996/6218), p. 250, onderdeel 6.
41 Zie de brief van 9 mei 1994 van de Inspecteur aan de branche (bijlage 3 bij het verweerschrift van de Inspecteur in eerste aanleg).
42 In de bezwaarfase rept de Inspecteur nog van een andere market maker die zou procederen, maar daar heb ik in de gepubliceerde jurisprudentie geen sporen van kunnen terugvinden.
43 Maar waarmee de fiscus zijn procespositie niet gediend zou hebben, nu hij immers bij die andere market makers niet het risico liep - dat zich bij de Rechtbank realiseerde - vast te lopen op het ontbreken van zowel een tijdsbepaling als 'zwaarwegende redenen'.
44 Volgens H.J.F. Spreen-Brouwer en S. Okma, 'Een man een man, een woord een woord: over het terugkomen door de inspecteur op een ingenomen standpunt', TFB 2011/05, had de Inspecteur er in casu echter beter aan gedaan om géén opzeggingsgronden op te nemen, en, nu hij dat wel heeft gedaan, om tegen een andere market maker te procederen om vervolgens (bij winst) de desbetreffende rechterlijke uitspraak als opzeggingsgrond in te roepen jegens de belanghebbende. Zij wijzen op Hof Leeuwarden 24 september 1999, LJN AV7445, V-N 2000/5.5. In die zaak kwalificeerde dat Hof een akkoordverklaring van de Inspecteur inzake BTW jegens een kinderdagverblijf als vaststellingsovereenkomst en oordeelde hij vervolgens dat het door de Inspecteur gemaakte voorbehoud (om 'als gevolg van eventuele ontstane jurisprudentie of bij wijziging van regelgeving op mijn standpunt in deze terug te komen') uitsloot dat hij op andere gronden zou opzeggen, dus dat de redelijkheid en de billijkheid geen rol meer zouden spelen. Tegen deze uitspraak is bij mijn weten geen cassatie ingesteld.
45 HR 2 september 1992, nr. 27 855, LJN ZC5047, BNB 1993/2 met noot Simons, V-N 1992, p. 2767.
46 Hof 's-Gravenhage (civiele kamer) 23 februari 1995, nr. 93/1284, LJN AW1334, V-N 1995, p. 1203.
47 Aldus ook Hof 's-Hertogenbosch 25 november 2011, nr. 11/00102, LJN BV7549, V-N 2012/21.20, NTFR 2012/803 met commentaar Lammers, over opzegging van een afspraak voor onbepaalde tijd over de bijtelling wegen privé-gebruik van auto's. HR 13 januari 2012, nr. 10/04461, LJN BV0644, BNB 2012/186, betrof, andersom, een geval waarin de inspecteur een vaststellingsovereenkomst met een bordeelhouder had opgezegd met inachtneming van een overeengekomen opzegtermijn, maar waarin u hem dwong de overeenkomst, gezien de omstandigheden waaronder de opzegging plaatsvond, nog geruime tijd nadien gestand te doen.
48 HR 23 januari 2004, nr. 37 893, na conclusie Groeneveld, LJN AI0670, BNB 2004/214 met noot De Vries, V-N 2004/10.7, NTFR 2004/99 met commentaar Antonisse.
49 HR 28 januari 2011, nr. 10/00650, na conclusie Van Ballegooijen, LJN BN6391, BNB 2011/85 met noot Lubbers, V-N 2011/8.11, NTFR 2011/200 met commentaar Bruins Slot, FED 2011/41 met aantekening Russo.
50 HR 11 november 2011, nr. 10/03774, na conclusie Wattel, LJN BQ6163, BNB 2012/17 met noot Cornelisse, V-N 2011/31.18, NTFR 2011/2623 met commentaar Nouwen, FED 2012/8 met aantekening Meussen.
51 Zie ook het antwoord van de belanghebbende op de eerste van mijn schriftelijke vragen.
52 Zie p. 12 van en voetnoot 49 in belanghebbendes pleitnota in cassatie.
53 HR 10 juli 2009, nr. 07/11792, LJN BJ1975, BNB 2009/240 met noot Lubbers, V-N 2009/33.11, NTFR 2009/1826 met commentaar Bruins Slot, FED 2009/86 met aantekening Cornelisse.
54 Of: 'Profit is an opinion; cash is a fact.' Mijn kabinet weet de bron van deze wijsheid niet te achterhalen. Volgens diverse internetsites is de 'source unknown'. Wellicht was het Gordon Gekko.
55 De markten vallen wel eens kortstondig nagenoeg stil (een crash), wat betekent dat zij op dat moment vrijwel illiquide zijn. Hedging is dan nagenoeg onmogelijk. De roebelcrisis in augustus 1998 leidde tot een marktinfarct dat het legendarische LTCM (Long Term Capital Management) al een paar maanden later deed failleren; hoewel LTCM haar posities state of the art had gehedged, had zij weinig posities die snel te gelde konden worden gemaakt. Tijdens een crash wil iedereen zo liquide mogelijk zijn omdat de waarde van niet-cash dan onzeker is ('profit is an opinion, cash is real'). Zie in meer detail N. Dunbar, 'Inventing money', Chicester (UK): John Wiley & Sons, Ltd. 2007, p. 198-203 (in het procesdossier; overgelegd door de Inspecteur als bijlage 2 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg).
56 Zie Hull 2005, t.a.p., p. 331 - 334.
57 Hull 2005, p. 333.
58 De belanghebbende heeft dit bij pleidooi in cassatie onweersproken gesteld; ik heb tijdens die pleidooizitting de belanghebbende vervolgens gevraagd naar consequenties die het verdwijnen van de vloerhandel volgens haar heeft op de beheersing van haar risico's en daarmee op de waardering van haar posities ('staan wij hier over een paar jaar weer?'). De Staatssecretaris heeft bij geen van beide gelegenheden gereageerd.
59 Zie ook p. 2 van belanghebbendes verweerschrift in hoger beroep en p. 5 van haar pleitnota in cassatie.
60 Hull 2005, p. 339.
61 Hull 2005, p. 331.
62 Een optie is 'at the money' (of 'to the money') als de uitoefenprijs nagenoeg gelijk is aan de waarde van het onderliggende aandeel. De delta van een at the money optie ligt rond de 0,5. Een optie is 'deep out of the money' als zij vrijwel zeker niet zal worden uitgeoefend omdat zij de optiehouder bij uitoefening verlies oplevert. De delta van een deep out of the money nadert 0. Een optie is 'deep in the money' als zij vrijwel zeker zal worden uitgeoefend omdat zij de optiehouder bij uitoefening winst oplevert. De delta van een deep in the money optie nadert waarde 1. Delta wordt daarom ook wel gezien als maat voor de kans op uitoefening van de optie.
63 Hull 2005, p. 339. Zie ook p. 2 van bijlage 1 bij belanghebbendes tiendagenstuk van 13 augustus 2009 in eerste aanleg.
64 Hull 2005, p. 336-337.
65 Noot PJW: sigma is de standaarddeviatie van de waarde van het onderliggende aandeel.
66 Hull 2005, p. 338.
67 Al bestaat kennelijk, zo bleek recent uit de media, het risico dat de EURIBOR-bepalende banken de EURIBOR manipuleren.
68 Hull 2005, p. 76. Staatsobligaties worden risicoloos geacht omdat de betreffende staat altijd de geldpers aan kan zetten ten einde zijn verplichtingen na te komen, zie Hull 2005, p. 75.
69 Noot PJW: de 'opportunity cost' van een transactie laat zich omschrijven als de gemiste opbrengst van het beste niet-gekozen alternatief.
70 Noot in origineel: "(...) it is more accurate to say that the risk-free rate should be interpreted as the rate derived from LIBOR (...)."
71 Zie M. Bouzoubaa en A. Osseiran, 'Exotic Options and Hybrids: A Guide to Structuring, Pricing and Trading', Chichester (UK): John Wiley & Sons, Ltd. 2010, p. 77. LEAPS (Long Term Equity AnticiPation Securities) zijn bijvoorbeeld opties met een zeer lange looptijd.
72 Zie ook p. 6 van belanghebbendes pleitnota in cassatie.
73 De rentelasten en dividendinkomsten worden ook wel de 'cost of carry' genoemd, zie Hull 2005, p. 117.
74 Zie bijvoorbeeld de bij u aanhangige zaak met nummer 12/03235, waarin ik op 12 februari 2013 concludeerde.
75 Voor de beschrijving van meer soorten risico's, zie E. Sinclair, 'Option Trading: Pricing and Volatility Strategies and Techniques', Hoboken (New Jersey): John Wiley & Sons, Inc. 2010, p. 231-248.
76 Zie Dunbar 2007, p. 198-203.
77 HR 17 december 2004, nr. 40 234, na conclusie Overgaauw, LJN AR2244, BNB 2005/95 met noot Cornelisse, V-N 2005/2.11, NTFR 2005/7 met commentaar Alink. Overigens kan tot aan het moment waarop de aanslag onherroepelijk vast komt te staat kennis die nieuw licht werpt op het realiteitsgehalte van de aanvankelijk per balansdatum in aanmerking genomen verwachte rente, bij de uiteindelijke balanswaardering in aanmerking worden genomen; vgl. HR 11 april 2008, nr. 44 089, LJN BC8918, BNB 2008/168, V-N 2008/20.12, NTFR 2008/702 met commentaar Van Es. Met Ligthart en Lubbers meen ik dat de feitenrechter dergelijke kennis ook ambtshalve in aanmerking kan nemen, zie N.M. Ligthart en A.O. Lubbers, 'Welke feiten en omstandigheden zijn van belang in het kader van de fiscale jaarwinstbepaling?', WFR 2011/420.
78 Al heeft de belanghebbende de betekenis van de haircut ook gerelativeerd: zij schrijft in haar tiendagenstuk van 13 augustus 2009 in eerste aanleg (p. 15): "X heeft de inspecteur ervan proberen te doordringen dat aan de omvang van de haircut niet al te veel betekenis moest worden toegekend. De wijze van berekenen van de haircut verschilt namelijk van clearinginstituut tot clearinginstituut." Deze opvatting spoort niet helemaal met belanghebbendes antwoord op mijn schriftelijke vraag 4b in cassatie.
79 Zie Hull 2005, t.a.p., hst. 18, p. 386.
80 Zie p. 7 van het beroepschrift in cassatie.
81 Dat proces-verbaal vermeldt (p. 6) namelijk niet alleen: "De haircut is het meest negatieve bedrag van de uitkomst, het grootste verlies dat zou kunnen optreden", maar ook: "Het is geen optelsom van de allerextreemsten en dergelijke".
82 Zie belanghebbendes antwoord op mijn schriftelijke vraag 4b aan de partijen.