ECLI:NL:PHR:2011:BN7887
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bank voor onrechtmatige schijn van kredietwaardigheid en verrekening na faillissement
In deze zaak staat centraal of de bank de kredietovereenkomst met Amlin Holding B.V. rechtsgeldig heeft opgezegd en of zij onrechtmatig heeft gehandeld door na de formele opzegging het krediet te verlengen en daarmee nieuwe schulden te faciliteren. Tevens is de vraag aan de orde of de bank onverplichte zekerheden heeft doen vestigen en of zij zich na faillissement mocht verrekenen met een betaling die voortkwam uit een aan haar verpande vordering.
De feiten betreffen een kredietrelatie tussen de bank en Amlin, waarbij de bank formeel op 31 juli 2003 het krediet opzegt, maar deze opzegging niet evalueert en het krediet in feite voortzet onder aanvullende zekerheden en borgstellingen. Na faillissement van Amlin op 17 februari 2004 ontstond discussie over de verrekening van een betaling van de verkoopopbrengst van een bedrijfspand via een notarisrekening en de bevoegdheid van de curator om namens schuldeisers schade te vorderen wegens vermeende onrechtmatigheid van de bank.
De rechtbank oordeelde dat de bank onrechtmatig handelde jegens de gezamenlijke schuldeisers door het krediet te verlengen en een niet aan de bank verpande vordering te verrekenen. Het hof vernietigde deze vonnissen en oordeelde dat de bank niet onrechtmatig handelde, dat de curator niet bevoegd was namens individuele schuldeisers op te treden, en dat de bank zich mocht beroepen op verrekening volgens een uitzondering in de rechtspraak. De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de voorwaarden voor aansprakelijkheid van de bank, de uitleg van de Peeters/Gatzen-vordering, en de toepassing van het Mulder q.q./CLBN-arrest op de verrekening.
De Hoge Raad bevestigt dat de bank de opzegging niet heeft geëffectueerd en het krediet heeft voortgezet, waardoor de zekerheden niet onverplicht zijn verstrekt. De curator treedt niet op namens de gezamenlijke schuldeisers maar voor een specifieke groep nieuwe schuldeisers, waardoor zijn vordering niet voldoet aan de Peeters/Gatzen-vereisten en hij niet bevoegd is. De bank heeft niet onrechtmatig gehandeld door de schijn van kredietwaardigheid te wekken, omdat zij mocht vertrouwen op de informatie van bestuurders en het handhaven van het krediet niet gelijkstaat aan het verlenen van nieuw krediet. Ten aanzien van de verrekening oordeelt de Hoge Raad dat de situatie voldoende verschilt van eerdere arresten om de bank toe te staan zich op verrekening te beroepen ondanks betaling via een notarisrekening na faillissement.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat bank niet onrechtmatig handelde, curator niet bevoegd is en verrekening door bank geoorloofd is.