Conclusie
[eiser]respectievelijk
de curator.
1.Inleiding
Peeters/Gatzen-vordering kon worden begrepen. [de medebestuurder] heeft afzonderlijk cassatieberoep ingesteld. In die zaak (nr. 22/00110) concludeer ik vandaag eveneens.
2.Feiten
Drent Holding) is een houdstermaatschappij die (indirect) belangen bezit in buitenlandse en Nederlandse rechtspersonen. Drent Holding houdt alle aandelen in Drent Goebel B.V. (hierna:
Drent Goebel) en in Trend Graphic Services B.V. (hierna:
Trend).
[de medebestuurder]) zijn bestuurders van Drent Holding, Drent Goebel en Trend. [eiser] is (via de Stichting Administratiekantoor Aandelen Drent Holding B.V.) uiteindelijk belanghebbende van Drent Holding. [eiser] is bovendien enig aandeelhouder van de Zwitserse vennootschap Wifin A.G. (hierna:
Wifin).
de patenten) verkocht aan Müller Martini Druckmaschinen GmbH (hierna:
Müller Martini) voor een bedrag van € 2.000.000,-. Betaling vond plaats op de bankrekening van Drent Holding bij haar huisbankier, KBC Bank, die het ontvangen bedrag heeft verrekend met haar vordering op het Drent-concern.
de curatoren.
3.Procesverloop
primairop art. 2:248 BW Pro,
subsidiairop art. 2:9 BW Pro, en
meer subsidiairop art. 6:162 BW Pro. Mr. Wevers – de curator van Trend – heeft vergelijkbare vorderingen ingesteld tegen [eiser] en [de medebestuurder] namens Trend. De curatoren, die over en weer als elkaars advocaten zijn opgetreden, hebben hun vorderingen gebundeld in dezelfde dagvaarding.
het hof). De curator heeft zijn eis (licht) gewijzigd. De eis luidt, voor zover in cassatie van belang, in gewijzigde vorm als volgt (mijn onderstrepingen):
Drent Holding B.V.:
en/of toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro, en R.J.W.M. [de medebestuurder] en/of [eiser] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd,
te veroordelen tot betaling van alle door Drent Holding B.V. als gevolg daarvan geleden en te lijden schadenader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (…).”
het arrest). Het hof begint met een samenvatting te geven van de beslissing (hieronder en hierna mijn onderstrepingen):
1. Kern van de zaak en de beslissing
Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat [eiser] en [de medebestuurder] bij de verkoop van de patenten kort voor het faillissement wel onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding en dat zij op grond daarvan aansprakelijk zijn voor de schade die deze daardoor hebben geleden. Het hof begrijpt de stellingen en vorderingen van de curatoren daarbij zo dat deze mede daarop zijn gericht. Het hof is ook van oordeel dat [de medebestuurder] bij de verkoop van de voorraad zijn taak als bestuurder van Trend niet naar behoren heeft vervuld en daarom aansprakelijk is voor de schade die Trend daardoor heeft gelden. In een schadestaatprocedure zal moeten worden vastgesteld wat de te vergoeden schade is.”
In faillissement kan de curator daarbij schadevergoeding vorderen wegens onrechtmatige daad op de grond dat de bestuurder heeft meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering. [6] De bestuurder kan op deze grond aansprakelijk worden gehouden voor schade van de schuldeisers indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeisers in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [7]
Verkoop Nederlandse patenten
De koopsom van € 2.000.000,- voor de patenten is door Müller Martini gestort op de bankrekening van Drent Holding bij KBC Bank, die het ontvangen bedrag heeft verrekend met haar vordering op het Drent-concern. Voor [eiser] en [de medebestuurder] was dit voorzienbaar. Zij stellen weliswaar door de verrekening te zijn verrast, maar dat is ongeloofwaardig. Daarbij moet worden bedacht dat Drent Goebel in grote problemen verkeerde, dat Müller Martini inmiddels had laten weten dat zij van de beoogde samenwerking afzag en dat de bank naar aanleiding daarvan had gedreigd het krediet op te zeggen. [eiser] en [de medebestuurder] hebben niet duidelijk kunnen maken welk perspectief er op dat moment nog was voor Drent Goebel en Drent Holding, nu het geld om de kostbare productie van machines voort te zetten al langere tijd ontbrak en het zicht op overleving in afgeslankte vorm als verkoop- en serviceorganisatie (zoals bij de samenwerking met Müller Martini was beoogd) ook niet meer aanwezig was. Nog minder duidelijk is hoe in deze situatie de bedrijven na de verkoop van de patenten en knowhow aan de belangrijkste concurrent zouden hebben kunnen voortbestaan, te meer nu de knowhow door Wifin werd verkocht en de opbrengst daarvan dus niet aan Drent Goebel/Drent Holding ten goede kwam. [eiser] en [de medebestuurder] voeren nog wel aan dat de benodigde liquiditeit - naast de opbrengst van de patenten - uit betalingen op een aantal verwachte verkopen van machines moest komen, maar uit hun toelichting blijkt niet dat deze verwachting in de gegeven omstandigheden nog reëel was. [eiser] en [de medebestuurder] hebben verder niet betwist dat de bank geen enkele toezegging over voortzetting van het krediet had gedaan. Onder deze omstandigheden lag het voor de hand dat de bank ontvangen gelden op de rekening van Drent Holding zou verrekenen met haar vordering op het Drent-concern.
Hoewel de verkoop van de patenten als zodanig leidde tot een betaling aan Drent Holding, heeft zodoende alleen de bank daarvan geprofiteerd; dit terwijl de bank geen zekerheidsrechten had ten aanzien van de patenten.
In wezen hebben [eiser] en [de medebestuurder] , door deze transactie te laten plaatsvinden, meegewerkt aan een selectieve betaling aan de bank in het zicht van het faillissement, De bedoeling daarvan was klaarblijkelijk dat de huisbank haar verliezen kon beperken en daartegenover bereid zou zijn een doorstart (via een nieuw op te richten vennootschap en/of Drent Goebel GmbH) mogelijk te maken(zoals in de e-mailwisseling van 16 mei 2009 werd gesuggereerd).
Daarmee hebben [eiser] en [de medebestuurder] hun eigen belangen gediend ten koste van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding. Door deze gang van zaken waren de patenten immers niet meer beschikbaar voor verhaal van hun vorderingen, terwijl duidelijk was dat Drent Holding niet meer kon betalen en verder ook geen verhaal zou bieden.
Dit handelen van [eiser] en [de medebestuurder] is ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding zodanig onzorgvuldig dat hen daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor deze benadeling kunnen zij daarom persoonlijk aansprakelijk worden gehouden. Dat [eiser] en [de medebestuurder] voorafgaand aan de verkoop van de patenten een in het insolventierecht ingevoerde advocaat hebben geraadpleegd die geen reden zag deze transactie te ontraden, neemt ook niet weg dat deze onrechtmatige daad is te wijten aan hun schuld en daarom aan hen kan worden toegerekend.”
Het voorgaande leidt - afzonderlijk en in onderling verband en samenhang bezien - tot de conclusie dat [eiser] en [de medebestuurder] alleen ten aanzien van de verkoop van de Nederlandse patenten een ernstig verwijt kan worden gemaakt en onrechtmatig hebben gehandeld. Zij kunnen aansprakelijk worden gehouden voor de benadeling (van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding) die het gevolg is van de onrechtmatige selectieve betaling waartoe deze verkoop heeft geleid. De grieven slagen in zoverre.
Gelet op het voorgaande is de subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat [de medebestuurder] en [eiser] toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding en uit dien hoofde aansprakelijk zijn toewijsbaar voor zover het gaat om de verkoop van de Nederlandse patenten. De mogelijkheid dat de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding hierdoor schade hebben geleden is aannemelijk. Dat is voldoende voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat. [9] Voor toewijzing van het gevorderde voorschot op schadevergoeding ziet het hof onvoldoende grond, omdat de schade niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met het bedrag van de verrekende koopsom voor de patenten en verdere gegevens ontbreken om te bepalen wat de ontvang van de te vergoeden schade op dit punt ten minste zal zijn.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betoogt dat het hof ten aanzien van Drent Holding ten onrechte een
Peeters/Gatzen-vordering heeft toegewezen terwijl een dergelijke vordering niet was ingesteld.
Onderdeel 2houdt in dat het hof op onjuiste gronden rechtsmacht heeft aangenomen.
Onderdeel 3klaagt dat het hof de maatstaf van het persoonlijk ernstig verwijt heeft miskend, althans op onbegrijpelijke wijze heeft toegepast.
Onderdeel 4richt zich tegen het oordeel dat [eiser] met de verkoop van de patenten zijn eigen belangen heeft gediend.
Onderdeel 5bestrijdt het oordeel dat de gezamenlijke schuldeisers benadeeld zijn door de verkoop van de patenten.
Peeters/Gatzen-vordering heeft toegewezen terwijl een dergelijke vordering niet was ingesteld. [11]
Drent Holdingen niet jegens de
gezamenlijke schuldeisersvan Drent Holding zoals vereist is bij een
Peeters/Gatzen-vordering. Een
Peeters/Gatzen-vordering ligt evenmin in de stellingen van de curator besloten, mede in het licht van het processuele debat. Ook heeft [eiser] er in zijn stukken in feitelijke instanties op gewezen dat hij de stellingen van de curator zo begreep dat hij géén
Peeters/Gatzen-vordering had ingesteld. Als dat onjuist was, kon de curator dat eenvoudig corrigeren maar dat heeft hij niet gedaan. Bovendien heeft de rechtbank in de stellingen van de curator geen
Peeters/Gatzen-vordering gelezen. De curator heeft daarin geen aanleiding gezien om in hoger beroep zijn vorderingen aan te passen, ook al had [eiser] erop heeft gewezen dat de curator geen
Peeters/Gatzen-vordering had ingesteld.
Peeters/Gatzen-vordering heeft ingesteld.
Peeters/Gatzen-vordering moest worden begrepen.
a contrariodat de rechter niet méér of anders mag toewijzen dan is gevorderd. [12] Een vordering die niet in het petitum staat mag (in beginsel) dus niet worden toegewezen. [13] Om binnen de door art. 23 Rv Pro getrokken grenzen te blijven zal de rechter wel moeten weten wat de vordering omvat en het petitum moeten uitleggen. [14] Het petitum moet niet enkel worden begrepen op basis van een louter taalkundige uitleg. Het gaat om een redelijke uitleg van het petitum in samenhang met de grieven, de gedingstukken en het partijdebat. [15] Daarbij speelt mede een rol hoe de wederpartij de stellingen die onderwerp zijn van uitleg redelijkerwijs heeft opgevat of heeft moeten opvatten. [16] De uitleg door het hof van het petitum kan in cassatie niet op juistheid maar enkel op begrijpelijkheid worden getoetst. [17]
Peeters/Gatzen-vordering ook al weer is. In het
Peeters/Gatzen-arrest [18] heeft de Hoge Raad bepaald dat de faillissementscurator aan de hem in art. 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht tot het beheer en vereffening van de failliete boedel, de bevoegdheid ontleent om op te komen voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers door het instellen van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde op de grond dat die derde jegens die schuldeisers een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Deze sindsdien zogeheten
Peeters/Gatzen-vordering vindt haar grondslag in de benadeling van
de gezamenlijke schuldeisers. Het betreft niet een vordering die de gefailleerde toekomt of van een vordering van de gefailleerde is afgeleid. Een
Peeters/Gatzen-vordering kan niet worden ingesteld ten behoeve van een of meer bepaalde, individuele schuldeisers. [19] Het collectieve belang staat voorop. [20] Om van een
Peeters/
Gatzen-vorderingte kunnen spreken dient de curator daarom te handelen ten behoeve van
alleschuldeisers, zo blijkt onder meer uit het arrest
Butterman q.q./Rabobank. Dat de curator voornemens is de opbrengst van de door hem ingestelde vordering in de boedel te laten vallen, werd in die zaak niet van belang geacht voor de beoordeling van de bevoegdheid van de curator om een
Peeters/Gatzen-vordering in te stellen. [21]
Peeters/Gatzen-vordering niet behoort tot de failliete boedel. De opbrengst van een toegewezen
Peeters/Gatzen-vordering komt de gezamenlijke schuldeisers wel ten goede, in de vorm van een toename van het boedelactief. [22]
Peeters/Gatzen-vordering kan hier achterwege blijven, [25] nu de klachten over de uitleg van de gedingstukken gaan.
Peeters/Gatzen-vordering. Ik licht dat toe.
Peeters/Gatzen-vordering. Met betrekking tot de hier relevante rechtsgrondslag (art. 6:162 BW Pro) vordert de curator namelijk een veroordeling tot betaling van alle
door Drent Holding geleden en te lijden schade. [27] Dit geldt zowel voor het petitum in eerste aanleg (onder II) als voor het (gewijzigde) petitum in hoger beroep (onder II, hiervoor geciteerd in 3.3). Niet wordt gevorderd voor recht te verklaren dat [eiser] en [de medebestuurder] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de
gezamenlijke schuldeisersvan Drent Holding en dat zij worden veroordeeld tot betaling van de door de
gezamenlijke schuldeisersgeleden en te lijden schade. [28]
Peeters/Gatzen-vordering. Nergens in de processtukken van de curator ben ik de stelling tegengekomen dat hij zijn vorderingen heeft ingesteld f ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding. Integendeel, er wordt veelvuldig verwezen naar schade van Drent Holding.
[de medebestuurder] en [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld jegensDrent [Goebel] en/of
Drent Holdingen/of Trend op grond van het bepaalde in art. 6:162 BW Pro en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de
door voornoemde rechtspersonen geleden schade.”
de schadevooralsnog op € 2 miljoen
voor Drent Holding, zijnde een bedrag gelijk aan de opbrengst van de verkoop van de patenten. (…)”
jegensDrent [Goebel] en/of
Drent Holdingen/of Trend op grond van het bepaalde in art. 6:162 BW Pro en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de
door Drent Holdingen Drent [Goebel]
geleden (voornoemde) schade.”
de boedeldus schade heeft geleden.”
Peeters/Gatzen-vordering gaat. De vordering ex art. 6:162 BW Pro berust namelijk op dezelfde feiten en omstandigheden als de vorderingen ex art. 2:248 BW Pro en 2:9 BW. [29] In het petitum worden art. 2:9 BW Pro en art. 6:162 BW Pro als verschillende grondslagen voor
dezelfdevordering tot interne aansprakelijkheid (tegenover de vennootschap) opgevoerd. Hierin zie ik de bevestiging dat ook bij de vordering ex art. 6:162 BW Pro een vordering is bedoeld ter zake van schade geleden door Drent Holding (en dus niet een
Peeters/Gatzen-vordering was beoogd).
Peeters/Gatzen-vordering en hij heeft tegen een zodanige vordering ook geen verweer gevoerd. Hij heeft in de conclusie van antwoord betoogd dat voor zover de vordering van de curator is gestoeld op art. 6:162 BW Pro, daarmee een meer subsidiaire grondslag voor
interneaansprakelijkheid werd opgevoerd. Ik citeer:
Peeters/Gatzen-vordering. Ik citeer uit de memorie van antwoord:
Peeters/Gatzen-vordering. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat in het hypothetische geval dat [eiser] daartegen wél verweer zou hebben gevoerd, dat verweer niet substantieel anders zou hebben geluid dan het verweer dat hij feitelijk heeft gevoerd, maar cassatie is niet het kader om daarover te speculeren.
Peeters/Gatzen-vordering was ingesteld.
Peeters/Gatzen-vorderingen heeft opgevat. Dit blijkt onder meer uit de weergave van de vorderingen in rov. 3.2 van het vonnis:
voor de door Drent en de Holding geleden schade.”
omdatde curator met zijn beroep op art. 6:162 BW Pro eigenlijk een
Peeters/Gatzen-vordering bedoelde in te stellen.
Peeters/Gatzen-vordering heeft ingesteld. Dat de verkoopopbrengst van de patenten niet ten goede is gekomen aan de boedel is een feit, maar geen voldoende reden om aan te nemen dat de curator een
Peeters/Gatzen-vordering voor ogen stond.
Dekker q.q./notarissenuit 2016
,waarin de Hoge Raad het volgende overwoog: [34]
In rov. 3.6.6 heeft het geoordeeld dat dit niet het geval is. Het heeft daarbij tot uitdrukking gebracht dat de curator onvoldoende heeft gesteld dat sprake is geweest van een onrechtmatige daad “jegens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde” met als gevolg dat die gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld (…).”
Peeters/Gatzen-vordering heeft ingesteld. Nu niet is gebleken dat de curator dat heeft gedaan, heeft het hof door een dergelijke vordering toe te wijzen, meer toegewezen dan door de curator was gevorderd.
van de hypothesedat de vorderingen van de curator wél begrepen moeten worden als
Peeters/Gatzen-vorderingen.
onderdeel 2.1is het oordeel onjuist omdat het hof zich daarbij heeft gebaseerd op de Insolventieverordening. [35] Ten aanzien van een
Peeters/Gatzen-vordering dient de vraag welke rechter internationale rechtsmacht heeft te worden beoordeeld op basis van de (herschikte) EEX-Verordening (ook aangeduid als ‘Brussel I bis’), aldus de klacht. [36]
Rosbeek/
BNP Paribas [37] lag de vraag voor of een
Peeters/Gatzen-vordering onder het begrip “burgerlijke en handelszaken” in de zin van art. 1 lid 1 van Pro de EEX-Verordening en daarmee binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt. Het HvJEU oordeelde dat, omdat een
Peeters/Gatzen-vordering niet op de specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures maar op de gemene regels van burgerlijk recht en het handelsrecht is gegrond, zij binnen de werkingssfeer van de EEX-Verordening valt. In het licht daarvan geeft het oordeel van het hof in rov. 5.3 dat het zijn rechtsmacht dient te beoordelen op basis van de Insolventieverordening blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
BMA-arrest [38] stond wederom de
Peeters/Gatzen-vordering centraal. In die zaak diende te worden bepaald wat de plaats is waar de schade zich heeft voorgedaan, als bedoeld in art. 7 punt Pro 2 EEX-Verordening. In het bijzonder lag de vraag voor of deze plaats kon worden gelijkgesteld met de plaats waar de vennootschap die geen verhaal biedt, is gevestigd. Het HvJEU beantwoordde die vraag bevestigend en oordeelde daartoe als volgt:
Peeters/Gatzen-vordering de op grond van art. 7 punt Pro 2 EEX-Verordening bevoegde rechter, de rechter is van de vestigingsplaats van de vennootschap die geen verhaal biedt.
BMA-arrest niet anders kan oordelen dan dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van de curator kennis te nemen. Op dit punt kan de beslissing na vernietiging en verwijzing, ook met verbetering van gronden, dus niet anders luiden dan de door [eiser] aangevochten beslissing van het hof over rechtsmacht. Daarom kan de klacht niet tot cassatie leiden.
Ontvanger/ […] . [40] Kennelijk heeft het hof het gevalstype onder (ii) uit dat arrest voor ogen: de verhaalsfrustratie. In rov. 5.16-5.17 past het hof dit criterium toe op het handelen van [eiser] . Het is daarbij niet geheel duidelijk of de in rov. 5.16 en 5.17 genoemde verwijten in elkaars verlengde liggen (in de zin dat rov. 5.16 in rov. 5.17 wordt uitgewerkt) of dat zij alternatieve verwijten vormen.
is voorzienen dat het handelen van [eiser] om die reden zodanig onzorgvuldig is dat hem (reeds) daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Die kwalificatie hecht het hof daar echter niet aan in rov. 5.16. In de eerste zin van rov. 5.17 lijkt het hof voort te bouwen op de verwijten in rov. 5.16, met woorden als “
In wezen” en “
deze transactie”. De verwijten in rov. 5.17 over de bedoelingen van [eiser] en de behartiging van zijn eigen belangen zijn evenwel moeilijk verenigbaar met de verwijten over de voorzienbaarheid van de verrekening/benadeling in rov. 5.16. Ik houd het er op dat het hof heeft bedoeld dat de voorzienbaarheid van de verrekening/benadeling persoonlijk ernstig verwijtbaar is in samenhang met de bedoeling van [eiser] het verlies van KBC Bank te beperken en zijn eigen belangen te behartigen.
Maas q.q. [41] en
Ontvanger/ […], [42] dat bepalend is of de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze vooropstelling, die in cassatie niet wordt bestreden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De enkele omstandigheid dat het hof geen onderscheid maakt in de rollen die [eiser] en [de medebestuurder] hebben vervuld bij de verkoop van de patenten, getuigt evenmin van een miskenning van die beoordelingsmaatstaf. Het is immers mogelijk dat aan twee bestuurders hetzelfde persoonlijk ernstige verwijt in verband met verhaalsfrustratie valt te maken, ook als hun rol als bestuurder daarbij niet identiek was.
persoonlijk(in de zin van individueel) ernstig verwijtbaar handelen moet gaan. Als aan meerdere bestuurders hetzelfde ernstige verwijt kan worden gemaakt, is dat nog steeds een ‘persoonlijk verwijt’.
geenonderscheid heeft gemaakt in de aard en de mate van hun beider betrokkenheid.
Ingwersen q.q./Kromme Leek. [51] [eiser] is niet zonder meer persoonlijk aansprakelijk wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van de vorderingen van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding op de enkele grond dat de verkoop van de patenten zou hebben plaatsgevonden in het zicht van het faillissement en dat deze verkoop indirect (namelijk door verrekening) heeft geleid tot betaling aan KBC Bank. Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat [eiser] wél op die enkele grond aansprakelijk is (althans in beginsel), is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien is het oordeel dat de verkoop van de patenten plaatsvond in het zicht van faillissement ontoereikend gemotiveerd, nu het faillissement van Drent Holding bijna drie maanden na de verkoop plaatsvond. Als het hof doelde op het faillissement van Drent Goebel is onbegrijpelijk wat daar de relevantie van is, aangezien de verkoop door Drent Holding plaatsvond en het gaat om de vraag of onrechtmatig is gehandeld jegens haar gezamenlijke schuldeisers.
Ingwersen q.q./Kromme Leekging het om een
Peeters/Gatzen-vordering (dat stond in die zaak vast) in verband met selectieve betaling in de periode tussen de faillissementsaanvraag en het faillissementsvonnis. [52] Aan de orde was of in een dergelijk geval de maatstaf van het persoonlijk ernstig verwijt onverkort gold. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
Ingwersen q.q./Kromme Leekniet te willen weten. Betaalautonomie is het uitgangspunt, ook als het faillissement is aangevraagd maar nog niet is uitgesproken.
zonder meervoldoende heeft geacht voor aansprakelijkheid,
of(ii) die betaling
in beginselvoldoende heeft geacht voor aansprakelijkheid, behoudens een rechtvaardiging.
datselectief zou zijn betaald in het zicht van faillissement. Uit het geheel van overwegingen blijkt dat het hof van oordeel is dat aan [eiser] persoonlijke verwijten kunnen worden gemaakt: (i) [eiser] heeft meegewerkt aan de verrekening/benadeling terwijl dit voorzienbaar was (rov. 5.16); (ii) hij had de bedoeling KBC Bank te bevoordelen in ruil voor haar bereidheid een doorstart mogelijk te maken (rov. 5.17), en (iii) hij heeft zich daarbij laten leiden door eigen belangen (rov. 5.17). Nu kan de verhouding tussen deze beide rechtsoverwegingen vragen oproepen (zie hiervoor, 4.37), maar voor de beoordeling van de klacht lijkt mij dat verder zonder betekenis. De gerichtheid op het persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen duidt erop dat het hof duidelijk niet van een ‘aansprakelijk, tenzij’-benadering is uitgegaan. Daarmee mist de klacht feitelijke grondslag.
onderdeel 4.1onderbouwt het hof dit oordeel met de overweging dat de “
bedoeling” van de betaling aan KBC Bank “
klaarblijkelijk” was “
dat de huisbank haar verliezen kon beperken en daartegenover bereid zou zijn een doorstart (via een nieuw op te richten vennootschap en/of Drent Goebel GmbH) mogelijk te maken (zoals in de e-mailwisseling van 16 mei 2009 werd gesuggereerd)”. Dit oordeel is onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd om de redenen die het middel in de daaropvolgende onderdelen uitwerkt.
vooropgezet plan om belangrijke activa te verplaatsen naar andere vennootschappen van [eiser] en [de medebestuurder] buiten het Drent-concern en Drent Holding en Drent Goebel leeg/uitgehold achter te laten” (rov. 5.9). Zonder nadere motivering valt niet in te zien hoe het hof enerzijds kon oordelen dat van een vooropgezet plan geen sprake was, en anderzijds kon oordelen dat [eiser] wél voornoemde bedoeling had. De verkoop van de patenten was volgens de curatoren immers onderdeel van dit vooropgezette plan.
kandie bedoeling, zonder nadere toelichting, niet uit die overige stellingen en bewijsmiddelen worden afgeleid. Het middel bespreekt vervolgens een reeks e-mails die zijn gewisseld waarop de curator een beroep heeft gedaan. Dit zijn e-mails die ofwel niet aan [eiser] zijn gestuurd (als geadresseerde of ingekopieerde), ofwel niet over de patenten gaan.
heeftafgeleid uit de emailwisseling van 16 mei 2009, waartegen onderdeel 4.3 zich zonder vrucht richt.
eigenbelangen beoogde te dienen.
voorkomenvan het faillissement, maar op het bewerkstelligen van een
doorstart(van de gefailleerde onderneming). Naar het oordeel van het hof was op het moment dat de patenten werden verkocht het faillissement van Drent Holding reeds onvermijdelijk. Mede om die reden acht het hof de verkoop van de patenten niet een belangrijke oorzaak van het faillissement in de zin van art. 2:248 BW Pro. In dat oordeel ligt besloten de verwerping van het verweer dat de verkoop van de patenten plaatsvond in het kader van een (uiterste) reddingspoging om het faillissement af te wenden.
eigenbelangen nastreefde. Hij was immers bestuurder (en uiteindelijk belanghebbende) van Drent Holding en had daarmee een belang bij een succesvolle doorstart van Drent Holding.
agreement for transferring title of patents.De overdracht van de patenten aan Wifin wordt hier dus, zo begrijp ik althans, opgeworpen als een hypothetische veroorzaking van dezelfde schade.
heeftveroorzaakt aansprakelijk. [63]
Gemeente Leeuwarden/Loshierover als volgt:
hypothetischeoorzaak is voor dezelfde schade, die het causale verband tussen het handelen van [eiser] en de schade van de gezamenlijke schuldeisers niet doorbreekt.
voor een langdurige procedure die weleens jaren zou kunnen duren, waarbij zij zich eveneens de vraag hebben gesteld wat de waarde van de octrooien zou zijn op het moment dat onherroepelijk zou komen vast te staan dat zij de koopovereenkomst rechtsgeldig zouden hebben vernietigd”. [69] De curatoren hebben dus zelf twijfels geuit of het gevolg van de buitengerechtelijke vernietiging was dat de patenten in de failliete boedel zijn komen te vallen. Of de curatoren terecht een beroep op art. 42 Fw Pro hebben gedaan is overigens niet vast komen te staan. [70] Het is in dat licht niet onbegrijpelijk dat het hof de vraag of die buitengerechtelijke vernietiging gevolgen heeft gehad voor de benadeling van de schuldeisers in het midden heeft gelaten.
van [eiser]wekt in zoverre bevreemding dat [eiser] zelf als verweer gevoerd heeft dat de patenten ‘zo goed als waardeloos’ waren als zij in de boedel waren gebleven. [71] Mede in dat licht behoefde het hof mijns inziens ook niet verder in te gaan op de gevolgen van de buitengerechtelijke vernietiging voor de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding, nog los van de vraag wat een voldoende gemotiveerd oordeel in dit verband had kunnen inhouden.
Peeters/Gatzen-vordering te kwalificeren, en alleen als zodanig te beoordelen, heeft het hof de vraag of de verkoop van de patenten aanleiding kan geven voor aansprakelijkheid jegens Drent Holding (op grond van art. 2:9 en Pro/of art. 6:162 BW Pro) onbesproken gelaten. Op in elk geval die vorderingen zal dan nog moeten worden beslist en dat kan alleen na verwijzing.