Conclusie
[eiser]respectievelijk
de curator.
1.Inleiding
Peeters/Gatzen-vordering kon worden begrepen. [de medebestuurder] heeft afzonderlijk cassatieberoep ingesteld. In die zaak (nr. 22/00107) concludeer ik vandaag eveneens.
2.Feiten
Drent Holding) is een houdstermaatschappij die (indirect) belangen bezit in buitenlandse en Nederlandse rechtspersonen. Drent Holding houdt alle aandelen in Drent Goebel B.V. (hierna:
Drent Goebel) en in Trend Graphic Services B.V. (hierna:
Trend).
[de medebestuurder]) zijn bestuurders van Drent Holding, Drent Goebel en Trend. [de medebestuurder] is (via de Stichting Administratiekantoor Aandelen Drent Holding B.V.) uiteindelijk belanghebbende van Drent Holding. [de medebestuurder] is bovendien enig aandeelhouder van de Zwitserse vennootschap Wifin A.G. (hierna:
Wifin).
de patenten) verkocht aan Müller Martini Druckmaschinen GmbH (hierna:
Müller Martini) voor een bedrag van € 2.000.000,-. Betaling vond plaats op de bankrekening van Drent Holding bij haar huisbankier, KBC Bank, die het ontvangen bedrag heeft verrekend met haar vordering op het Drent-concern.
de curatoren.
3.Procesverloop
primairop art. 2:248 BW Pro,
subsidiairop art. 2:9 BW Pro, en
meer subsidiairop art. 6:162 BW Pro. Mr. Wevers – de curator van Trend – heeft vergelijkbare vorderingen ingesteld tegen [de medebestuurder] en [eiser] namens Trend. De curatoren, die over en weer als elkaars advocaten zijn opgetreden, hebben hun vorderingen gebundeld in dezelfde dagvaarding.
het hof). De curator heeft zijn eis (licht) gewijzigd. De eis luidt, voor zover in cassatie van belang, in gewijzigde vorm als volgt (mijn onderstrepingen):
Drent Holding B.V.:
en/of toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro, en [eiser] en/of [de medebestuurder] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd,
te veroordelen tot betaling van alle door Drent Holding B.V. als gevolg daarvan geleden en te lijden schadenader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (…).”
het arrest). Het hof begint met een samenvatting te geven van de beslissing (hieronder en hierna mijn onderstrepingen):
1. Kern van de zaak en de beslissing
Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat [de medebestuurder] en [eiser] bij de verkoop van de patenten kort voor het faillissement wel onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding en dat zij op grond daarvan aansprakelijk zijn voor de schade die deze daardoor hebben geleden. Het hof begrijpt de stellingen en vorderingen van de curatoren daarbij zo dat deze mede daarop zijn gericht. Het hof is ook van oordeel dat [eiser] bij de verkoop van de voorraad zijn taak als bestuurder van Trend niet naar behoren heeft vervuld en daarom aansprakelijk is voor de schade die Trend daardoor heeft gelden. In een schadestaatprocedure zal moeten worden vastgesteld wat de te vergoeden schade is.”
In faillissement kan de curator daarbij schadevergoeding vorderen wegens onrechtmatige daad op de grond dat de bestuurder heeft meegewerkt aan benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering. [6] De bestuurder kan op deze grond aansprakelijk worden gehouden voor schade van de schuldeisers indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeisers in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [7]
Verkoop Nederlandse patenten
De koopsom van € 2.000.000,- voor de patenten is door Müller Martini gestort op de bankrekening van Drent Holding bij KBC Bank, die het ontvangen bedrag heeft verrekend met haar vordering op het Drent-concern. Voor [de medebestuurder] en [eiser] was dit voorzienbaar. Zij stellen weliswaar door de verrekening te zijn verrast, maar dat is ongeloofwaardig. Daarbij moet worden bedacht dat Drent Goebel in grote problemen verkeerde, dat Müller Martini inmiddels had laten weten dat zij van de beoogde samenwerking afzag en dat de bank naar aanleiding daarvan had gedreigd het krediet op te zeggen. [de medebestuurder] en [eiser] hebben niet duidelijk kunnen maken welk perspectief er op dat moment nog was voor Drent Goebel en Drent Holding, nu het geld om de kostbare productie van machines voort te zetten al langere tijd ontbrak en het zicht op overleving in afgeslankte vorm als verkoop- en serviceorganisatie (zoals bij de samenwerking met Müller Martini was beoogd) ook niet meer aanwezig was. Nog minder duidelijk is hoe in deze situatie de bedrijven na de verkoop van de patenten en knowhow aan de belangrijkste concurrent zouden hebben kunnen voortbestaan, te meer nu de knowhow door Wifin werd verkocht en de opbrengst daarvan dus niet aan Drent Goebel/Drent Holding ten goede kwam. [de medebestuurder] en [eiser] voeren nog wel aan dat de benodigde liquiditeit - naast de opbrengst van de patenten - uit betalingen op een aantal verwachte verkopen van machines moest komen, maar uit hun toelichting blijkt niet dat deze verwachting in de gegeven omstandigheden nog reëel was. [de medebestuurder] en [eiser] hebben verder niet betwist dat de bank geen enkele toezegging over voortzetting van het krediet had gedaan. Onder deze omstandigheden lag het voor de hand dat de bank ontvangen gelden op de rekening van Drent Holding zou verrekenen met haar vordering op het Drent-concern.
Hoewel de verkoop van de patenten als zodanig leidde tot een betaling aan Drent Holding, heeft zodoende alleen de bank daarvan geprofiteerd; dit terwijl de bank geen zekerheidsrechten had ten aanzien van de patenten.
In wezen hebben [de medebestuurder] en [eiser] , door deze transactie te laten plaatsvinden, meegewerkt aan een selectieve betaling aan de bank in het zicht van het faillissement, De bedoeling daarvan was klaarblijkelijk dat de huisbank haar verliezen kon beperken en daartegenover bereid zou zijn een doorstart (via een nieuw op te richten vennootschap en/of Drent Goebel GmbH) mogelijk te maken(zoals in de e-mailwisseling van 16 mei 2009 werd gesuggereerd).
Daarmee hebben [de medebestuurder] en [eiser] hun eigen belangen gediend ten koste van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding. Door deze gang van zaken waren de patenten immers niet meer beschikbaar voor verhaal van hun vorderingen, terwijl duidelijk was dat Drent Holding niet meer kon betalen en verder ook geen verhaal zou bieden.
Dit handelen van [de medebestuurder] en [eiser] is ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding zodanig onzorgvuldig dat hen daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor deze benadeling kunnen zij daarom persoonlijk aansprakelijk worden gehouden. Dat [de medebestuurder] en [eiser] voorafgaand aan de verkoop van de patenten een in het insolventierecht ingevoerde advocaat hebben geraadpleegd die geen reden zag deze transactie te ontraden, neemt ook niet weg dat deze onrechtmatige daad is te wijten aan hun schuld en daarom aan hen kan worden toegerekend.”
Het voorgaande leidt - afzonderlijk en in onderling verband en samenhang bezien - tot de conclusie dat [de medebestuurder] en [eiser] alleen ten aanzien van de verkoop van de Nederlandse patenten een ernstig verwijt kan worden gemaakt en onrechtmatig hebben gehandeld. Zij kunnen aansprakelijk worden gehouden voor de benadeling (van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding) die het gevolg is van de onrechtmatige selectieve betaling waartoe deze verkoop heeft geleid. De grieven slagen in zoverre.
Gelet op het voorgaande is de subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] en [de medebestuurder] toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding en uit dien hoofde aansprakelijk zijn toewijsbaar voor zover het gaat om de verkoop van de Nederlandse patenten. De mogelijkheid dat de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding hierdoor schade hebben geleden is aannemelijk. Dat is voldoende voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat. [9] Voor toewijzing van het gevorderde voorschot op schadevergoeding ziet het hof onvoldoende grond, omdat de schade niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met het bedrag van de verrekende koopsom voor de patenten en verdere gegevens ontbreken om te bepalen wat de ontvang van de te vergoeden schade op dit punt ten minste zal zijn.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betoogt dat het hof ten onrechte een
Peeters/Gatzen-vordering heeft toegewezen terwijl dit niet was gevorderd.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel dat [eiser] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat KBC Bank de verkoopopbrengst voor de patenten heeft verrekend.
Peeters/Gatzen-vordering heeft toegewezen terwijl dat niet was gevorderd. Deze klacht wordt uitgewerkt in een reeks (niet genummerde) alinea’s.
tweede alinea(p. 6) bevat de kernklacht van het onderdeel: het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en heeft art. 24 Rv Pro miskend door in de stellingen van de curator een
Peeters/Gatzen-vordering te lezen, en vervolgens toe te wijzen.
derdeen
vierde alinea(p. 6-7) wijst [eiser] op het petitum van dagvaarding van de curator in eerste aanleg en het petitum van de dagvaarding in hoger beroep. Hierin staat steeds géén
Peeters/Gatzen-vordering. De vorderingen van de curator zijn beperkt tot alle door
Drent Holdinggeleden en te lijden schade. Daarbij is mede van belang dat de curator in zijn petitum de vorderingen op grond van art. 2:9 BW Pro en 6:162 BW op één lijn stelt. De vordering op grond van art. 2:9 BW Pro betreft uitsluitend schade die door de failliet zelf wordt geleden.
vijfde alinea(p. 7) wordt betoogd dat ook (het overgrote deel van) de stellingen van de curator in eerste aanleg erop duiden dat de curator evident uitsluitend het oog heeft gehad op het handelen
jegens Drent Holdingen niet op onrechtmatig handelen jegens de
gezamenlijke schuldeisersvan Drent Holding. In zijn hoedanigheid als advocaat van de curator van Trend heeft hij nota bene wél een
Peeters/Gatzen-vordering ingesteld.
zesde alinea(p. 7-8) wordt erop gewezen dat de curator zijn stellingen in dit opzicht in hoger beroep niet heeft gewijzigd. Zo heeft hij in zijn vierde grief geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de verkoop van de patenten de bestuurders niet kan worden verweten, en dat de
boedelook geen schade heeft geleden. Deze grief ziet weliswaar op de aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW Pro maar geldt volgens de curator ook voor de vordering op grond van art. 6:162 BW Pro. Zijn stellingen met betrekking tot de aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW Pro heeft de curator in zijn memorie van grieven niet nader uitgewerkt.
zevende alinea(p. 8) acht [eiser] van belang dat [de medebestuurder] er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de curator géén
Peeters/Gatzen-vordering had ingesteld. De curator heeft niet op die stelling gereageerd. [eiser] heeft zich aangesloten bij die stellingen van [de medebestuurder] .
achtste alinea(p. 8) wijst [eiser] er op dat de curator her en der wel terloops melding maak van andere en/of gezamenlijke schuldeisers, maar dat laat onverlet dat blijkens het petitum en zijn proceshouding hij slechts bedoeld heeft namens
Drent Holding [11] schadevergoeding te vorderen.
negende alinea(p. 8) bevat de klacht dat de uitleg die het hof aan stellingen van de curator heeft gegeven in het licht van het voorgaande onbegrijpelijk is.
Peeters/Gatzen-vordering had ingesteld en dat de curator op die stelling niet heeft gereageerd of zijn vordering heeft verduidelijkt.
a contrariodat de rechter niet méér of anders mag toewijzen dan is gevorderd. [12] Een vordering die niet in het petitum staat mag (in beginsel) dus niet worden toegewezen. [13] Om binnen de door art. 23 Rv Pro getrokken grenzen te blijven zal de rechter wel moeten weten wat de vordering omvat en het petitum moeten uitleggen. [14] Het petitum moet niet enkel worden begrepen op basis van een louter taalkundige uitleg. Het gaat om een redelijke uitleg van het petitum in samenhang met de grieven, de gedingstukken en het partijdebat. [15] Daarbij speelt mede een rol hoe de wederpartij de stellingen die onderwerp zijn van uitleg redelijkerwijs heeft opgevat of heeft moeten opvatten. [16] De uitleg door het hof van het petitum kan in cassatie niet op juistheid maar enkel op begrijpelijkheid worden getoetst. [17]
Peeters/Gatzen-vordering ook al weer is. In het
Peeters/Gatzen-arrest [18] heeft de Hoge Raad bepaald dat de faillissementscurator aan de hem in art. 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht tot het beheer en vereffening van de failliete boedel, de bevoegdheid ontleent om op te komen voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers door het instellen van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde op de grond dat die derde jegens die schuldeisers een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Deze sindsdien zogeheten
Peeters/Gatzen-vordering vindt haar grondslag in de benadeling van
de gezamenlijke schuldeisers. Het betreft niet een vordering die de gefailleerde toekomt of van een vordering van de gefailleerde is afgeleid. Een
Peeters/Gatzen-vordering kan niet worden ingesteld ten behoeve van een of meer bepaalde, individuele schuldeisers. [19] Het collectieve belang staat voorop. [20] Om van een
Peeters/
Gatzen-vorderingte kunnen spreken dient de curator daarom te handelen ten behoeve van
alleschuldeisers, zo blijkt onder meer uit het arrest
Butterman q.q./Rabobank. Dat de curator voornemens is de opbrengst van de door hem ingestelde vordering in de boedel te laten vallen, werd in die zaak niet van belang geacht voor de beoordeling van de bevoegdheid van de curator om een
Peeters/Gatzen-vordering in te stellen. [21] Uit het voorgaande volgt dat een
Peeters/Gatzen-vordering niet behoort tot de failliete boedel. De opbrengst van een toegewezen
Peeters/Gatzen-vordering komt de gezamenlijke schuldeisers wel ten goede, in de vorm van een toename van het boedelactief. [22]
Peeters/Gatzen-vordering kan hier achterwege blijven, [25] nu de klachten over de uitleg van de gedingstukken gaan.
Peeters/Gatzen-vordering. Ik licht dat toe.
Peeters/Gatzen-vordering. Met betrekking tot de hier relevante rechtsgrondslag (art. 6:162 BW Pro) vordert de curator namelijk een veroordeling tot betaling van alle
door Drent Holding geleden en te lijden schade. [27] Dit geldt zowel voor het petitum in eerste aanleg (onder II) als voor het (gewijzigde) petitum in hoger beroep (onder II, hiervoor geciteerd in 3.3). Niet wordt gevorderd voor recht te verklaren dat [eiser] en [de medebestuurder] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de
gezamenlijke schuldeisersvan Drent Holding en dat zij worden veroordeeld tot betaling van de door de
gezamenlijke schuldeisersgeleden en te lijden schade. [28]
Peeters/Gatzen-vordering. Nergens in de processtukken van de curator ben ik de stelling tegengekomen dat hij zijn vorderingen heeft ingesteld ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van Drent Holding. Integendeel, er wordt veelvuldig verwezen naar schade van Drent Holding.
[eiser] en [de medebestuurder] onrechtmatig hebben gehandeld jegensDrent [Goebel] en/of
Drent Holdingen/of Trend op grond van het bepaalde in art. 6:162 BW Pro en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de
door voornoemde rechtspersonen geleden schade.”
de schadevooralsnog op € 2 miljoen
voor Drent Holding, zijnde een bedrag gelijk aan de opbrengst van de verkoop van de patenten. (…)”
jegensDrent [Goebel] en/of
Drent Holdingen/of Trend op grond van het bepaalde in art. 6:162 BW Pro en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de
door Drent Holdingen Drent [Goebel]
geleden (voornoemde) schade.”
de boedeldus schade heeft geleden.”
Peeters/Gatzen-vordering gaat. De vordering ex art. 6:162 BW Pro berust namelijk op dezelfde feiten en omstandigheden als de vorderingen ex art. 2:248 BW Pro en 2:9 BW. [29] In het petitum worden art. 2:9 BW Pro en art. 6:162 BW Pro als verschillende grondslagen voor
dezelfdevordering tot interne aansprakelijkheid (tegenover de vennootschap) opgevoerd. Hierin zie ik de bevestiging dat ook bij de vordering ex art. 6:162 BW Pro een vordering is bedoeld ter zake van schade geleden door Drent Holding (en dus niet een
Peeters/Gatzen-vordering was beoogd).
Peeters/Gatzen-vorderingen heeft opgevat. Dit blijkt onder meer uit de weergave van de vorderingen in rov. 3.2 van het vonnis:
voor de door Drent en de Holding geleden schade.”
omdatde curator met zijn beroep op art. 6:162 BW Pro eigenlijk een
Peeters/Gatzen-vordering bedoelde in te stellen.
Peeters/Gatzen-vorderingen en (daarom) tegen een zodanige vordering ook geen verweer gevoerd (zie mijn conclusie in zaak 22/00107, onder 4.19-4.20), terwijl [eiser] op enkele plaatsen in de processtukken te kennen heeft gegeven de vorderingen van de curator (ook) als
Peeters-Gatzen-vorderingen te begrijpen. [33] Dit verschil lijkt mij geen reden om onderdeel 1 van het middel in deze zaak anders te beoordelen dan onderdeel 1 van het middel in de andere zaak. De conclusie dat de vorderingen van de curator
nietals
Peeters/Gatzen-vorderingen moeten worden geduid, kan voldoende worden gebaseerd op (i) de in het petitum gekozen formulering (die niet wijst op een
Peeters/Gatzen-vordering), (ii) de gegeven onderbouwing van het petitum (die duidelijk strekt tot onderbouwing van vorderingen tot
interneaansprakelijkheid) en (iii) de in appel aangevoerde grieven (die niet zijn gericht tegen de duiding van de vorderingen door de rechtbank).
Peeters/Gatzen-vordering heeft ingesteld. Dat de verkoopopbrengst van de patenten niet ten goede is gekomen aan de boedel is een feit, maar geen voldoende reden om aan te nemen dat de curator een
Peeters/Gatzen-vordering voor ogen stond.
Dekker q.q./notarissenuit 2016
,waarin de Hoge Raad het volgende overwoog: [34]
In rov. 3.6.6 heeft het geoordeeld dat dit niet het geval is. Het heeft daarbij tot uitdrukking gebracht dat de curator onvoldoende heeft gesteld dat sprake is geweest van een onrechtmatige daad “jegens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde” met als gevolg dat die gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld (…).”
Peeters/Gatzen-vordering heeft ingesteld. Nu niet is gebleken dat de curator dat heeft gedaan, heeft het hof door een dergelijke vordering toe te wijzen, meer toegewezen dan door de curator was gevorderd.
van de hypothesedat de vorderingen van de curator wél begrepen moeten worden als
Peeters/Gatzen-vorderingen.
Ontvanger/ […] . [35] Kennelijk heeft het hof het gevalstype onder (ii) uit dat arrest voor ogen: de verhaalsfrustratie. In rov. 5.16-5.17 past het hof dit criterium toe op het handelen van [eiser] . Het is daarbij niet geheel duidelijk of de in rov. 5.16 en rov. 5.17 genoemde verwijten in elkaars verlengde liggen (in de zin dat rov. 5.16 in rov. 5.17 wordt uitgewerkt) of dat zij alternatieve verwijten vormen.
is voorzienen dat het handelen van [eiser] om die reden zodanig onzorgvuldig is dat hem (reeds) daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Die kwalificatie hecht het hof daar echter niet aan in rov. 5.16. In de eerste zin van rov. 5.17 lijkt het hof voort te bouwen op de verwijten in rov. 5.16, met woorden als “
In wezen” en “
deze transactie”. De verwijten in rov. 5.17 over de bedoelingen van [eiser] en de behartiging van zijn eigen belangen zijn evenwel moeilijk verenigbaar met de verwijten over de voorzienbaarheid van de verrekening/benadeling in rov. 5.16. Ik houd het er op dat het hof heeft bedoeld dat de voorzienbaarheid van de verrekening/benadeling persoonlijk ernstig verwijtbaar is in samenhang met de bedoeling van [eiser] het verlies van KBC Bank te beperken en zijn eigen belangen te behartigen.
Ingwersen q.q./Kromme Leek. [36] Daaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat in het zicht van het faillissement een schuldeiser selectief wordt betaald, onvoldoende is voor het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van die bestuurder. Het hof had in die zaak geoordeeld dat daarvoor bijkomende omstandigheden zijn vereist, waarbij met name kan worden gedacht aan een samenspanning tussen de betrokken bestuurder en schuldeiser met als oogmerk deze laatste boven andere schuldeisers te bevoordelen, dan wel een betaling waarbij de bestuurder direct of indirect persoonlijk baat heeft. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand. In onderhavige zaak heeft het hof die ‘bijkomende omstandigheden’ kennelijk menen te kunnen vinden in een veronderstelde bedoeling van de beide bestuurders van Drent Holding om een doorstart mogelijk te maken. Dit zou plaatsvinden met hulp van KBC Bank die met de verrekening haar verliezen kon beperken en daartegenover bereid zou zijn de doorstart te financieren. Dát oordeel is onbegrijpelijk, aldus de klacht. Het hof verwijst ter onderbouwing naar de emailwisseling van 16 mei 2009, maar daaruit blijkt niet van enig plan om KBC Bank “mee te krijgen” in een eventuele doorstart. Daar gaat het enkel om de bodemverhuurconstructie. Indien en voor zover het hof bij zijn beslissing mede oog heeft gehad op de omstandigheid dat de bestuurders de mogelijkheid hebben onderzocht om een doorstart via een nieuw op te richten vennootschap, dan wel Drent Goebel GmbH, te realiseren, valt daaruit evenmin samenspanning tussen de bestuurders en KBC Bank af te leiden. Dan is het oordeel overigens ook in strijd met rov. 5.9 waarin het hof oordeelt dat de omstandigheid dat onderzoek is gedaan naar een doorstart op zichzelf onvoldoende is om te oordelen dat door de bestuurders werd toegewerkt naar een faillissement, en dat de curator zijn stelling dat sprake was van een vooropgezet plan onvoldoende heeft onderbouwd.
Ingwersen q.q./Kromme Leekging het om een
Peeters/Gatzen-vordering (dat stond in die zaak vast) in verband met selectieve betaling in de periode tussen de faillissementsaanvraag en het faillissementsvonnis. [37] Aan de orde was of in een dergelijk geval de maatstaf van het persoonlijk ernstig verwijt onverkort gold. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
Ingwersen q.q./Kromme Leekniet te willen weten. Betaalautonomie is het uitgangspunt, ook als het faillissement is aangevraagd maar nog niet is uitgesproken.
niet onbegrijpelijkte achten.
Echter er is een constructie mogelijk dat de bank via een zogenaamde ‘Verhuurconstructie’ voor de fiscus geplaatst kan worden. (…) In het kort komt het erop neer dat de bank huurder wordt van de ‘bodem’ (ofwel de bedrijfsvloeren) en gezien het feit dat de voorraden en bedrijfsmiddelen die op die bodem/vloer staan verpand zijn aan de Bank, de curator in het geheel bijna machteloos moet toezien
dat er een deal kan worden gemaakt tussen de failliet (tevens de verhuurder) en de (huis)bank, die de huurder van de bodem is en aan wie de voorraden en bedrijfsmiddelen verpand zijn.
Op deze wijze kan er een doorstart worden gemaakt en tot verkoop worden overgegaan van de activa, zonder dat de curator er noemenswaardige invloed op kan uitoefenen. (…) Daarmee heeft de bank alle troeven in handen en kunnen wij op deze manier ervoor zorgen dat ondanks het faillissement in Eerbeek onze huisbank KBC er geen (al te grote) verliezen op heeft. (…)
Nogmaals, eenmaal dat de bank huurder is van de bodem, wordt door middel van het overgaan van het pandrecht naar vuistpand (zie hierboven) KBC Bank plotseling de instantie die alles (met ons) kan bepalen wij geheel aan zet blijven. Dit in tegenstelling tot als de curator aan zet is. (…)”.
eigenbelang zou hebben gediend. [eiser] hield geen belang in Müller Martini, Drent Goebel GmbH en Wifin. Mede in het licht van de vaststelling in rov. 5.9 dat niet is gebleken van een vooropgezet plan om aan te sturen op een faillissement en een doorstart, is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.17 kennelijk wel van een dergelijk plan uitgaat, aldus de klacht.
persoonlijkernstig verwijtbaar handelen moet gaan.
Peeters/Gatzen-vordering te kwalificeren, en alleen als zodanig te beoordelen, heeft het hof de vraag of de verkoop van de patenten aanleiding kan geven voor aansprakelijkheid jegens Drent Holding (op grond van art. 2:9 en Pro/of art. 6:162 BW Pro) onbesproken gelaten. Op in elk geval die vorderingen zal dan nog moeten worden beslist en dat kan alleen na verwijzing.