Conclusie
2.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Peeters/Gatzen) is het vaste rechtspraak dat een faillissementscurator bevoegd is voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen door het instellen van een vordering tot schadevergoeding op grond van een door een derde jegens de schuldeisers gepleegde onrechtmatige daad. [12] Deze bevoegdheid ontleent de curator aan de hem in art. 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht tot het beheer en vereffening van de failliete boedel. [13] De mogelijkheid van de curator tot herstel van verhaalsbenadeling is daarmee niet beperkt tot de in de Faillisementswet geregelde faillissementspauliana voor gevallen van verhaalsbenadeling veroorzaakt door een tussen de schuldenaar en een derde verrichte rechtshandeling, maar de curator is ook bevoegd op te komen voor de belangen van schuldeisers in het geval van verhaalsbenadeling die is veroorzaakt door feitelijke handelingen. [14] De curator komt de bevoegdheid tot het geldend maken van een Peeters/Gatzen-vordering ook toe indien de schulden die ten tijde van de benadelingshandeling reeds bestonden, vóór het faillissement zijn voldaan zodat de benadeling in feite alleen de schuldeisers raakt wiens vorderingen pas ná die handeling zijn ontstaan. [15] De curator is slechts ontvankelijk indien hij zijn vordering instelt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Een vordering die wordt ingesteld ter zake van een onrechtmatige daad die is gepleegd ten opzichte van een bepaalde groep van schuldeisers en waarvan de opbrengst door de curator niet aan het boedelactief zal worden toegevoegd, kan niet als een Peeters/Gatzen-vordering worden gekwalificeerd. De selectieve behartiging van belangen van bepaalde schuldeisers valt volgens de Hoge Raad buiten de grenzen van art. 68 lid 1 Fw Pro, terwijl daarvoor ook overigens in de Faillissementswet geen grondslag valt aan te wijzen. [16] De omstandigheid dat de curator voornemens is de opbrengst van de door hem ingestelde vordering in de boedel te laten vallen, is niet van belang voor de bevoegdheid van de curator om een Peeters/Gatzen-vordering in te stellen. [17]
Gourdain/Nadlerheeft het Hof geoordeeld dat beslissingen die verband houden met een faillissement slechts dan van het materiële toepassingsgebied zijn uitgesloten wanneer zij rechtstreeks uit het faillissement voortvloeien en geheel binnen het kader van een faillissement of surséance van betaling passen. [27] Het ging in de zaak
Gourdain/Nadlerom een vordering van de curator van een in Frankrijk failliet verklaarde vennootschap tegen een in Duitsland woonachtige feitelijke bestuurder van die vennootschap tot betaling van een bedrag aan de boedel ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Het Hof was van oordeel dat deze op de Franse Faillissementswet berustende vordering rechtstreeks uit het faillissement voortvloeide en daarmee buiten het materiële toepassingsgebied van het EEX-Verdrag viel. In zijn nadien gewezen rechtspraak heeft het Hof aan deze uitleg vastgehouden. Thans is deze jurisprudentie voor een belangrijk deel gecodificeerd in art. 6 van Pro de ‘herschikte’ Insolventieverordening, die met ingang van 26 juni 2017 van toepassing zal zijn.
Seagon/Deko Martykreeg het Hof te oordelen over een actio pauliana naar Duits recht, die in het geval van faillissement uitsluitend kan worden ingesteld door de curator ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Het Hof heeft overwogen dat de vordering haar rechtsgrondslag vindt in de nationale regels betreffende insolventieprocedures en ertoe strekt het actief van de onderneming waartegen een insolventieprocedure loopt, te doen toenemen (rov. 17). Het Hof heeft erop gewezen dat een bundeling van alle rechtstreeks met de insolventie verband houdende vorderingen voor de rechterlijke instanties van de lidstaat die bevoegd is voor de opening van de insolventieprocedure, in overeenstemming lijkt te zijn met het doel van de Insolventieverordening, welk doel is gericht op een meer efficiënte en doeltreffende afwikkeling van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen (rov. 22). Volgens het Hof zou dat doel worden ondermijnd wanneer de mogelijkheid zou bestaan dat verschillende gerechten een bevoegdheid uitoefenen met betrekking tot de in verschillende lidstaten ingestelde vorderingen op grond van paulianeuze handelingen (rov. 24). [28]
Alpenblumekreeg het Hof te oordelen over een (nietige) overdracht van aandelen door de curator en een daarop volgende vordering tot revindicatie. Het Hof heeft geoordeeld dat de overdracht van de aandelen en de vordering tot revindicatie het rechtstreekse gevolg zijn van en onlosmakelijk verbonden zijn met de uitoefening van de taak van de curator om voor rekening van de schuldeisers het actief van de failliete boedel te beheren en dat hij deze taak ontleent aan de bijzondere nationale regels betreffende faillissementsprocedures, die derogeren aan de algemene regels van het burgerlijk recht. [29]
German Graphicsheeft het Hof geoordeeld dat tussen een vordering tot afgifte van de onder eigendomsvoorbehoud aan de failliet geleverde zaken en een insolventieprocedure geen voldoende rechtstreeks en voldoende nauw verband bestaat. Volgens het Hof heeft de Europese wetgever gekozen voor een ruime opvatting van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in art. 1 lid 1 EEX Pro-Vo en, bijgevolg, voor een ruime werkingssfeer van deze verordening (rov. 23). Daarentegen mag de werkingssfeer van de Insolventieverordening niet ruim worden uitgelegd (rov. 24 en 25). De vordering met betrekking tot het eigendomsvoorbehoud vloeit niet voort uit het faillissement en behoort derhalve niet tot de van het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening uitgezonderde onderwerpen. De vordering had immers ook buiten het faillissement kunnen worden ingesteld en verlangt niet het optreden van een curator. Het Hof is van oordeel dat de grondslag van de vordering niet is gelegen in het recht inzake insolventieprocedures en dat de opgeworpen rechtsvraag los staat van de opening van een insolventieprocedure (rov. 32-34). [30]
F-Texheeft het Hof geoordeeld over de vraag of een vordering die door een schuldeiser van een in een insolventieprocedure verwikkelde schuldenaar tegen een derde wordt ingesteld op basis van een door de curator in die procedure gecedeerde vordering, nauw samenhangt met de insolventieprocedure. Voorwerp van die cessie was het door de Duitse insolventiewet aan de curator toegekende recht de nietigheid in te roepen van handelingen die vóór de inleiding van de insolventieprocedure met benadeling van de schuldeisers in de insolventieprocedure zijn verricht (rov. 31). De uitoefening van het recht door de cessionaris is aan andere regels onderworpen dan de regels die van toepassing zijn in een insolventieprocedure. De cessionaris handelt in zijn eigen belang en te eigen bate, hetgeen een belangrijk verschil is met een actio pauliana die door de curator wordt ingesteld (rov. 42-47). [31]
H./H.K.en het arrest
Kornhaas/Dithmarkreeg het Hof te oordelen over een vordering die op grond van het Duitse vennootschapsrecht (§ 64 GmbH-Gesetz) door de bewindvoerder van een failliete vennootschap kan worden ingesteld tegen de beheerder van die vennootschap tot vergoeding van betalingen die zijn gedaan nadat de vennootschap insolvent is geworden of nadat is vastgesteld dat deze een te hoge schuldenlast had. Het Hof heeft in beide beslissingen herhaald dat in zijn rechtspraak over de vraag of een vordering rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure en daarmee nauw samenhangt, telkens in aanmerking is genomen of de vordering is ingediend naar aanleiding van een insolventieprocedure en of de betrokken vordering haar oorsprong vindt in het recht inzake insolventieprocedures dan wel in andere regels. Het Hof heeft vastgesteld dat de onderhavige vordering in het kader van een insolventieprocedure door de bewindvoerder wordt ingesteld en dat de Duitse bepaling die de materiële insolventie van de schuldenaar vereist voor het instellen van de vordering, afwijkt van de algemene regels van burgerlijk recht en handelsrecht. Het Hof is daarom tot het oordeel gekomen dat de vordering valt onder het toepassingsgebied van de Insolventieverordening. [32]
Nickel/Kintraen in de zaak
Nortel Networks.
Nickel/Kintra [33] kreeg het Hof te oordelen over een door de curator van Kintra ingestelde vordering tegen Nickel tot betaling van de vrachtprijs die was verschuldigd voor het door Kintra verrichte goederenvervoer. Het Hof heeft herhaald dat de EEX-Verordening en de Insolventieverordening als het ware communicerende vaten zijn in die zin dat elke overlapping en elk rechtsvacuüm tussen de beide verordeningen moet worden vermeden. [34] Vorderingen die krachtens art. 1, lid 2, onder b EEX-Vo van de werkingssfeer van die verordening zijn uitgesloten, vallen binnen de werkingssfeer van de Insolventieverordening (rov. 21). Waar de werkingssfeer van de EEX-Verordening ruim moet worden opgevat, mag de werkingssfeer van de Insolventieverordening niet ruim worden uitgelegd (rov. 22). Het Hof heeft verder overwogen dat uit zijn eerdere rechtspraak volgt dat telkens moet worden nagegaan of de betrokken vordering haar oorsprong vindt in het recht inzake insolventieprocedures dan wel in andere regels (rov. 26). Het doorslaggevend criterium is derhalve niet de procedurele context van die vordering, maar de rechtsgrondslag van die vordering. Nagegaan dient te worden of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures (rov. 27). Het betrof in deze zaak een vordering voor diensten uit hoofde van een vervoerovereenkomst die door de crediteur/failliet zelf ingesteld had kunnen worden vóór het faillissement (rov. 28). Het Hof heeft geoordeeld dat die vordering geen rechtstreeks verband houdt met de insolventieprocedure. Het feit dat de ná de opening van een insolventieprocedure in die procedure aangewezen curator de vordering jegens de dienstverrichter heeft ingesteld, verandert immers niets aan de aard van de onderliggende schuldvordering die ten gronde onderworpen blijft aan ongewijzigde rechtsregels (rov. 29).
Nortel Networks [35] kreeg het HvJEU te oordelen over de verdeling van de verkoopopbrengst van de activa van een onderneming tussen een hoofd- en een secondaire procedure, welke verdeling – zo stelt het Hof vast – dient te geschieden in overeenstemming met de bepalingen van de Insolventieverordening. Volgens het Hof gaat het derhalve om vorderingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen, zodat de Insolventieverordening van toepassing is.
ius agendi). Wanneer de curator een Peeters/Gatzen-vordering instelt (dus gebruik maakt van zijn
ius agendi), doet dit niet af aan het materiële recht van de afzonderlijke crediteuren om te gelegener tijd nog zelf een rechtsvordering op basis van het ‘gemene recht’ tegen de derde in te stellen. [42] Dit betekent echter niet zonder meer dat de Peeters/Gatzen-vordering om die reden ook behoort tot het algemene burgerlijke en handelsrecht.
THB-arresten van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat wanneer de curator een Peeters/Gatzen-vordering instelt, er plaats zou zijn voor een onderzoek omtrent de individuele positie van elk der betrokken schuldeisers. Dit betekent dat een aangesproken derde tegenover de curator geen gebruik kan maken van alle verweren die hem wellicht tegenover bepaalde individuele schuldeisers ten dienste zouden hebben gestaan (bijvoorbeeld een beroep op eigen schuld). [44]
F-Tex-arrest van het HvJEU volgt dat de kwalificatie van een vordering als insolventierechtelijk in de zin van art. 1, lid 2, onder b EEX-Vo en art. 3 lid 1 IVO Pro kan verschillen al naar gelang de curator dan wel een ander de vordering instelt. [45] Bovendien volgt uit het oordeel van het HvJEU in de reeds genoemde arresten inzake
H/H.K.en
Kornhaas/Dithmardat een vordering die gebaseerd is op een bepaling die niet in de faillissementswet is opgenomen wel degelijk kan worden gekwalificeerd als een vordering die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeit en daarmee nauw samenhangt, zodat de vorderingen vallen onder het materiële geldingsbereik van de Insolventieverordening.
lex concursus) of door het recht dat op de beweerdelijk gepleegde onrechtmatige daad van toepassing is. Deze kwestie wordt aan de orde gesteld in het principale middel.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
lex concursus(derhalve Nederlands recht) van toepassing is op de vordering.
lex concursusallereerst dient te worden onderzocht of de kwestie behoort tot het insolventierecht. Daaronder kan zowel het insolventieprocesrecht of het insolventierecht in materiële zin worden verstaan. Alleen kwesties die behoren tot het insolventierecht vallen onder het bereik van art. 4 lid 1 IVO Pro. [48]
Kornhaas/Dithmar, waarin het HvJEU heeft geoordeeld dat § 64, lid 2, eerste volzin GmbHG geacht moet worden te vallen onder het recht dat de insolventieprocedure en de gevolgen ervan beheerst in de zin van art. 4 lid 1 IVO Pro. [49] Daaraan legt het Hof ten grondslag dat die bepaling van nationaal recht in eerdere rechtspraak duidelijk is aangemerkt als een bepaling van insolventierecht. [50] In rov. 17 heeft het Hof hierover het volgende overwogen:
ius agendi) waarop de lex concursus van toepassing is krachtens art. 4, lid 2, onder c IVO, en het recht dat op de vordering uit onrechtmatige daad zelf van toepassing is. Waarom zou het toepasselijke recht op een door de derde gepleegde onrechtmatige daad ineens een ander toepasselijk recht moeten zijn uitsluitend door de omstandigheid dat de curator de vordering ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers instelt? Of moet bij de toepassing van de lex concursus op de Peeters/Gatzen-vordering (en daarmee op de daaraan ten grondslag liggende onrechtmatige daad), naar analogie van art. 17 Rome Pro II, bij de beoordeling van het gedrag van de derde feitelijk en in passende mate rekening worden gehouden met de veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht zijn op het tijdstip en de plaats van de veroorzakende gebeurtenis? Dan zou in lijn met het oordeel van het hof in rov. 2.15 van belang zijn aan welke regels Fortis was onderworpen omtrent de zorg- en meldingsplicht van banken op grond van Belgische wetgeving inzake witwassen. Voor een dergelijke benadering zou inspiratie kunnen worden gevonden in art. 13 IVO Pro, waarin is bepaald dat in het geval van een faillissementspauliana de lex concursus niet van toepassing is, wanneer degene die voordeel heeft gehad bij een voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandeling bewijst dat deze rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de procedure is geopend. [51] Voor een dergelijke benadering van de Peeters/Gatzen-vordering is echter in de tekst van de Insolventieverordening (noch in die van de ‘herschikte’ verordening) een basis te vinden.