Conclusie
[eiser 1];
Stichting;
Rabobank.
1.Feiten
hof) van 2 oktober 2018. [2]
[C]) en haar groepsmaatschappijen.
[F]) en [D] B.V. (hierna:
[D]) zijn [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]). Bestuurder van [G] B.V. (hierna:
[G]) is [betrokkene 1] . [betrokkene 1] is tevens bestuurder van [A] N.V., [C] , en [E] B.V. (hierna:
[E]).
[K]) een bedrag van € 363.000,00 (inclusief btw) aan [G] zou betalen.
Zekerheden
2.Procesverloop
In eerste aanleg
Verordening). Ten aanzien van het handelen van [eiser 1] pro se, [eiser 1] q.q. en de Stichting heeft de Rabobank verder aangevoerd dat dit onrechtmatig was, omdat:
rechtbank) de vorderingen afgewezen en de Rabobank veroordeeld in de proceskosten. [6] Aan deze beslissing heeft de rechtbank, samengevat, ten grondslag gelegd dat, nog los van de vraag of [eiser 1] op of omstreeks 14 december 2012 met zijn advies in strijd met de Verordening heeft gehandeld, hij in zijn hoedanigheid van stille bewindvoerder van [F] niet aansprakelijk is voor de gestelde schade van de Rabobank, omdat zijn advies gerechtvaardigd werd door de feiten en omstandigheden waaronder hij moest handelen (rov. 4.7 en 4.8). Dat het advies of de betalingsinstructie afweek van de wijze waarop het betalingsverkeer van [G] en groepsmaatschappen verliep en zou moeten verlopen, maakt dit oordeel niet anders (rov. 4.9). Nadat het bedrag door de Stichting was ontvangen, heeft de Rabobank geen mededeling van haar pandrechten gedaan aan de Stichting. Daardoor was [eiser 1] q.q. bevoegd om het bedrag uit te laten betalen op de boedelrekening (rov. 4.12, 4.13 en 4.15). De Rabobank heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser 1] pro se en/of [eiser 1] q.q. de verrekeningsrechten en zekerheidsrechten van de Rabobank heeft gefrustreerd. De vordering op de Stichting is afgewezen, omdat de Verordening zich richt tot de advocaat en niet tot de Stichting. De Stichting dient op grond van de eigen statuten de op de advocaten van toepassing zijnde wet- en regelgeving te respecteren, maar dit gaat niet zover dat de Stichting een zelfstandige controlerende/waarborgende taak zou hebben (rov. 4.6). Uit het oordeel dat [eiser 1] pro se, [eiser 1] q.q. en de Stichting niet onrechtmatig hebben gehandeld, volgt ook dat de stelling dat de faillissementsboedel van [G] heeft geprofiteerd van dat onrechtmatig handelen niet opgaat. Dit betekent dat ook de op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vorderingen van de Rabobank voor afwijzing gereed liggen (rov. 4.16). [7]
primair[eiser 1] pro se en de Stichting hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 363.000,00 te vermeerderen met wettelijke rente; en
subsidiair[eiser 1] q.q. te veroordelen tot betaling van € 363.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede voor recht te verklaren dat sprake is van een boedelvordering met een aan het pandrecht van de Rabobank verbonden voorrang ex HR
Hamm q.q./ABN AMRO. [9]
eersteoordeel houdt in dat de Rabobank geen rechthebbende was op het bedrag van € 363.000,00 en dat zij er niet op mocht vertrouwen dat [eiser 1] het bedrag desondanks voor haar hield (rov. 6.8). Het hof baseert dit oordeel, samengevat, op de navolgende overwegingen:
tweedeoordeel behelst dat [eiser 1] pro se, als advocaat, onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Rabobank en dat hij uit dien hoofde (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door de Rabobank geleden schade (rov. 6.16 en 6.17, in samenhang met rov. 6.18 en 6.19). Het hof baseert dit oordeel, samengevat, op de navolgende overwegingen:
derdeoordeel dat (ook) de Stichting onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Rabobank en – naast [eiser 1] – hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de Rabobank geleden schade, baseert het hof, samengevat, op de navolgende overwegingen:
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
onderdelen 1 t/m 3).
onderdelen 4 t/m 6).
onderdelen 7 t/m 12).
onderdelen 13 t/m 16).
De onderdelen 1 t/m 12: onrechtmatig handelen en persoonlijke aansprakelijkheid van[eiser 1]
Is er onrechtmatig gehandeld?
onweersprokenheeft gesteld dat [G] op grond van de facilities agreement het betalingsverkeer moest laten lopen via bij de Rabobank aan te houden bankrekeningen, niet onbegrijpelijk. Voor zover het subonderdeel (mede) een motiveringsklacht tegen rov. 6.4 bevat, faalt deze dan ook. Gelet op het voorgaande faalt ook de klacht dat het oordeel in rov. 6.12 dat het advies van [eiser 1] in wezen ook een advies inhield om wanprestatie te plegen richting de Rabobank op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken berust. De door het hof aan art. 26.31 van de facilities agreement gegeven uitleg is in het licht van de gedingstukken immers niet onbegrijpelijk.
pre-pack, in 2012 een relatief nieuwe figuur was die (nog) geen grondslag kende in de wet (dit laatste is overigens nu nog steeds het geval). [26] Het was bij mijn weten Tollenaar die medio 2011, met het oog op het verbeteren van de Nederlandse concurrentiepositie op het terrein van het insolventierecht, als eerste de invoering van een Nederlandse
pre‑packbepleitte. [27] Volgens Tollenaar houdt deze aan het Engelse recht ontleende figuur in essentie in dat de beoogd curator vóór de opening van het faillissement een activatransactie voorbereidt en daaraan direct na faillietverklaring uitvoering geeft. [28] Dit biedt de mogelijkheid schade als gevolg van het faillissement te voorkomen, een hogere opbrengst te realiseren en de onderneming direct (met een vrijwel naadloze overgang) buiten faillissement voort te zetten met maximaal behoud van waarde en werkgelegenheid, zo schreef Tollenaar. Verder noemde hij als belangrijk voordeel dat de
pre-packhet mogelijk maakt een herstructurering via faillissement vooraf te plannen. [29] Tollenaar meende dat voor invoering van een
pre‑packin Nederland geen wetswijziging is vereist, maar dat dit binnen het huidige systeem kan worden gerealiseerd. [30] Met het oog op die invoering riep hij advocaten van ondernemingen in financiële moeilijkheden op om zich namens hun cliënt zo vroeg mogelijk tot de rechtbank te wenden met het verzoek de eventueel in de toekomst te benoemen curator en rechter-commissaris vooraf aan te wijzen. Faillissementsrechters riep hij op om dergelijke
bona fideen goed onderbouwde verzoeken te honoreren. [31] Niet lang na het verschijnen van het artikel van Tollenaar, heeft de rechtspraktijk gehoor gegeven aan deze oproep(en). Dit blijkt ook uit de onderhavige zaak, waarin [eiser 1] (al) op 7 december 2012 door de rechtbank ’s‑Hertogenbosch werd aangewezen als stil bewindvoerder van [F] . [32] Met het op 4 juni 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden wetsvoorstel Wet continuïteit ondernemingen I (hierna:
WCO I) [33] – dat deel uitmaakt van het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementswet – is beoogd de bestaande ‘
pre‑packpraktijk’ (de
pre‑packwerd inmiddels door acht van de elf rechtbanken toegepast) van een wettelijke grondslag te voorzien, dit mede ten behoeve van de rechtszekerheid. [34] Het wetsvoorstel is op 21 juni 2016 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. [35] Mede naar aanleiding van het
Smallsteps-arrest van het Hof van Justitie van de EU, [36] ligt de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer al enige tijd stil. [37] Tot slot is nog op te merken dat de Vereniging Insolventierecht Advocaten Insolad (hierna:
Insolad) in 2015 de ‘Praktijkregels beoogd curator’ heeft vastgesteld. [38] Deze regels zijn opgesteld op basis van wat als ‘heersende leer’ is te beschouwen en beogen richting te geven waar thans de wet noch de rechtspraak regels stelt. De praktijkregels hebben uitdrukkelijk niet een dwingend karakter en dienen enkel als richtsnoer. [39]
Maclou-norm. [41] Dit betekent, zo verduidelijkte de Hoge Raad, dat in dit verband moet worden onderzocht of de beoogd curator heeft gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende beoogd curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. [42] De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat ook de beoordeling van de persoonlijke aansprakelijkheid van de in art. 68 Faillissementswet Pro (hierna:
Fw) bedoelde curator steeds dient te geschieden aan de hand van de
Maclou-norm, ook indien hij voorafgaand aan de faillietverklaring als beoogd curator van de schuldenaar is opgetreden. [43] Voor de onderhavige zaak zijn echter met name de aan deze oordelen voorafgaande – meer algemene – overwegingen van de Hoge Raad van belang:
pre-packhet realiseren van een zo hoog mogelijke opbrengst ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van [F] is. [46] In die brief is verder vermeld dat de stille bewindvoerder feitelijk aanwezig is om mee te kijken, zich te informeren en laten informeren, alsmede dat hij zich daarbij uitsluitend mag laten leiden door de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Voorts is vermeld dat (het bestuur van) [F] gehouden is volledige medewerking te verlenen aan de stille bewindvoerder en onder meer gehouden is om aan de stille bewindvoerder gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verschaffen en inzicht te geven in haar administratie. Tot slot is in de brief te lezen dat indien de rechtbank van oordeel is dat niet wordt voldaan aan de in de brief genoemde verplichtingen, of wordt gehandeld in strijd met het bij de aanwijzing van een stille bewindvoerder beoogde doel, zij daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht, waaronder het benoemen van een andere curator of bewindvoerder in het geval van insolventie. Hoewel de brief dus niet expliciet noemt dat de stille bewindvoerder in een dergelijke situatie zijn “opdracht kan teruggeven”, sluit die brief die mogelijkheid – logischerwijs – evenmin uit. Daarbij betrek ik dat uit die brief onder andere blijkt van het belang van, kort gezegd, volledige medewerking door (het bestuur van) [F] , met inbegrip van daarbij horende verschaffing van informatie en inzicht.
subonderdelen 3.1 t/m 3.3betogen achtereenvolgens: dat zonder nadere of andere redengeving niet valt in te zien waarom het hof zijn oordeel dat het advies niet gerechtvaardigd zou zijn geweest, stoelt op de hypothetische veronderstelling dat op 18 december 2012 het saldo van de lopende rekening van [G] lager dan € 363.000,00 negatief zou zijn geweest (subonderdeel 3.1); dat deze hypothese geen basis vindt in de gedingstukken, zodat het hof op dit punt buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden (subonderdeel 3.2); en dat deze hypothese bovendien in strijd is met de feiten, althans berust op een onbegrijpelijke lezing van de gedingstukken, omdat uit de e‑mail van [eiser 1] aan de Rabobank van 20 december 2012 zou blijken dat de bewuste rekening op dat moment juist een positief saldo vertoonde (subonderdeel 3.3). [54]
Mulder q.q./CLBN, [55] waartoe zij gerechtigd zou zijn geweest wanneer de betaling door [K] had plaatsgevonden op de door [G] bij de Rabobank aangehouden bankrekening (zie daarover nader bij onderdeel 4). [56] Meer specifiek heeft de Rabobank gesteld dat zij haar vordering op [G] dan had kunnen verrekenen met haar verplichting jegens [G] uit hoofde van de binnenkomende girale betaling. [57] De creditering van een bankrekening ter uitvoering van een girale betaling aan de rekeninghouder leidt immers op zichzelf tot een schuld (verplichting) ter zake van de bank aan die rekeninghouder. [58] Verder is van belang dat de Rabobank heeft gesteld dat haar schade gelijk is aan het bedrag dat zij als gevolg van het handelen van [eiser 1] (en de Stichting) niet heeft kunnen verrekenen, te weten € 363.000,00 (te vermeerderen met wettelijke rente en kosten). [59] Gelet daarop is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat, als op (of kort na) 18 december 2012 de betaling zou zijn binnengekomen op de door [G] bij de Rabobank aangehouden rekening, en op dat moment het saldo van die lopende rekening lager dan € 363.000,00 negatief zou zijn geweest, door deze betaling in zoverre de schuld bij de Rabobank zou zijn gedelgd. Het hof is met dit bestreden oordeel (dus) ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, nu die hypothese wel basis vindt in de gedingstukken. De omstandigheid dat in de e‑mail van 20 december 2012 van [eiser 1] aan de Rabobank is vermeld dat de bewuste bankrekening van [G] “op dit moment” een positief saldo vertoonde (“Op de Rabobank rekening van [G] staat een bedrag van 185k”), maakt dit niet anders, noch het oordeel van het hof in strijd met de feiten althans berustend op een onbegrijpelijke lezing van de processtukken. In rov. 6.12 redeneert het hof immers vanuit een hypothetische situatie op (of kort na) 18 december 2012. [60] Evenmin onbegrijpelijk is de vervolgoverweging dat in dát geval er geen rechtvaardiging zou zijn geweest voor het door [eiser 1] gegeven advies (om de betaling via de derdengeldenrekening te laten lopen) teneinde te voorkomen dat het bestuur het bedrag aan zichzelf zou uitkeren, reeds omdat het bestuur in dat geval niet zonder meer over het bedrag zou hebben kunnen beschikken (zie ook de vaststelling in rov. 6.13, eerste alinea, dat [G] na de opzegging van de facilities agreement op 18 december 2012 in beginsel niet meer kon beschikken over kredietruimte bij de Rabobank). Dit een en ander ligt in elkaars logisch verlengde, een nadere motivering behoefde dit niet. Dat ook overigens dat gebrek aan vertrouwen geen rechtvaardiging oplevert (daarop respondeert het hof ook al met het voorgaande), adresseert het hof daarna en is behandeld bij onderdeel 2. Wat betreft de bewuste e-mail van 20 december 2012 wijs ik erop dat – wat daarvan zij – deze dateert van ruim na het advies (op of omstreeks 14 december 2012), terwijl het hof in rov. 6.12 redeneert vanuit hetgeen waarmee [eiser 1] ten tijde van dat advies (dus op of omstreeks 14 december 2012) al rekening diende te houden, daarbij onder meer aantekenend dat niet is gebleken dat [eiser 1] op dat moment als stil bewindvoerder van [F] exact op de hoogte was van de financiële situatie van [G] , in het bijzonder in relatie tot de Rabobank. Het voorgaande brengt mee dat de subonderdelen 3.1 t/m 3.3 falen.
subonderdeel 3.5, dat in de kern klaagt dat het hof in rov. 6.12 de chronologie van gebeurtenissen heeft miskend. Voor zover het hof in rov. 6.12 in de bestreden overwegingen een verbinding legt met het moment van het advies van [eiser 1] (op of omstreeks 14 december 2012), volgt daaruit niet meer dan dat hij er op dat moment “al rekening mee diende te houden dat het bedrag – zeker gezien de precaire financiële positie van het concern – voor de Rabobank zou zijn”, vanwege de kenbare mogelijkheid van de door het hof in het vervolg van rov. 6.12 geschetste situatie en de consequentie daarvan, zo die situatie zou spelen, voor (het ontbreken van) rechtvaardiging voor het advies waar dit gerelateerd is aan het voorkomen dat het bestuur het bedrag aan zichzelf zou uitkeren (vanwege de omstandigheid dat [eiser 1] ten tijde van zijn advies de bestuurders niet vertrouwde). Het hof overweegt dus niet dat [eiser 1] op of omstreeks 14 december 2012 al ‘weet had’ van de situatie per 18 december 2012, noch dat er in het door het hof in rov. 6.12 geduide scenario per 18 december 2012 in algemene zin geen rechtvaardiging zou zijn geweest voor het door [eiser 1] op of omstreeks 14 december 2012 gegeven advies. Voor zover het subonderdeel hier al van een juiste lezing uitgaat, faalt het omdat de “chronologie van feiten” voornoemde redenering van het hof evenmin onbegrijpelijk maakt.
Mulder q.q./CLBN. [65] Geklaagd wordt dat (ook) dit oordeel rechtens onjuist is. De genoemde uitzondering heeft immers betrekking op betalingen verricht ter voldoening van stil verpande vorderingen, terwijl vanaf 18 t/m 20 december 2012 van een stil pandrecht van de Rabobank geen sprake was. Het stil pandrecht van de Rabobank op de vordering van [G] op [K] was immers tenietgegaan door de bevrijdende betaling van [K] aan [G] op de derdengeldenrekening van de Stichting, als het door [G] aangewezen “betaaladres” (vgl. rov. 6.5). Indien het bedrag tussen 18 en 20 december 2012 zou zijn overgemaakt naar de rekening van [G] , zou de Rabobank in een slechtere positie zijn gebracht dan in de werkelijke situatie, waarin het geld op de derdengeldenrekening bleef staan en de Rabobank op 21 december 2012 een nieuw pandrecht verwierf.
Mulder q.q./CLBN, dat oordeel eveneens onjuist is. Aldus zou het hof hebben miskend dat de vestiging van een stil pandrecht, terwijl de begunstigde van het pandrecht ermee rekening hield of had te houden dat het faillissement van de schuldenaar aanstaande was, eveneens als een vorm van schuldoverneming in de zin van art. 54 Fw Pro moet worden gezien, zodat verrekening op basis daarvan niet is toegestaan.
Amro Bank/THBbesliste de Hoge Raad echter dat indien sprake is van een faillissement van de rekeninghouder, en de bank, toen zij zich door creditering van die rekening tot schuldenaar van de rekeninghouder maakte, niet te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw Pro, die bepaling zich ertegen verzet dat de bank zich met succes op verrekening beroept. [68]
hoe dan ookniet kunnen worden verrekend. In de rechtspraak wordt sinds jaar en dag aangenomen dat de schuldeiser bij de overneming niet te goeder trouw is, indien hij wist dat de schuldenaar in een zodanige toestand verkeerde dat zijn faillissement te verwachten was. [70] Voor de toepassing van art. 54 Fw Pro is wel vereist dat de schuldenaar (uiteindelijk) in staat van faillissement verkeert. Voor een toepassing naar analogie van art. 54 Fw Pro buiten faillissement is dus geen plaats. [71] De strekking van de beperking van de verrekeningsbevoegdheid in art. 54 Fw Pro is, kort gezegd, het voorkomen van een ongerechtvaardigde bevoordeling boven andere schuldeisers door het zich verschaffen van de mogelijkheid van verrekening. [72] Gelet op deze strekking wordt de ‘overneming’ van een schuld of vordering in de zin van art. 54 lid 1 Fw Pro in de jurisprudentie en literatuur ruim uitgelegd. [73] Dit betekent echter niet dat die uitleg onbegrensd is. [74]
Amro Bank/THBkomt erop neer dat voor de toepassing van art. 54 Fw Pro de creditering van de rekening bij de bank die het gevolg is van een storting door een derde, wordt aangemerkt als – dan wel gelijkgesteld met – een schuldoverneming door de bank. [75] Deze beslissing is door de Hoge Raad mede gemotiveerd met het argument dat het girale betalingsverkeer aan banken geen uitzonderingspositie mag verschaffen in die zin, dat zij zich door middel van verrekening afzonderlijk zouden kunnen verhalen op hetgeen zij aan de schuldenaar schuldig zijn geworden in het zicht van diens faillissement. [76]
Amro Bank/THBheeft de Hoge Raad in het arrest
Mulder q.q./CLBNeen uitzondering aanvaard voor het geval sprake is van een betaling die strekt tot voldoening van een vordering die aan de bank stil is verpand ter zake waarvan zij nog geen mededeling aan de schuldenaar heeft gedaan. [77] Het ging in
Mulder q.q./CLBNom girale betalingen door schuldenaren (derden) op een rekening van de schuldeiser (pandgever) bij de CLBN (pandhouder). De betalingen vonden plaats (i) in het zicht van het faillissement van de schuldeiser (pandgever) en (ii) na diens faillissement, maar vóórdat mededeling van het pandrecht aan de schuldenaren van de verpande vorderingen was gedaan. Over de vraag of CLBN zich in die situaties op verrekening kon beroepen, overwoog de Hoge Raad het navolgende:
Mulder q.q./CLBNook geldt bij ontvangst van voor een ander ontvangen gelden ingevolge een rechtsverhouding van factoring. [81]
Mulder q.q./CLBNbeperkt is. [82] In het arrest
Van Gorp q.q./Rabobankging het om een stille verpanding van inventaris en voorraden van Wollie B.V. (hierna:
Wollie). [83] De inventaris werd vervolgens met toestemming van de Rabobank verkocht aan een derde (een zekere Bulten). Nadat de koper één van de drie termijnen van de koopsom had betaald door storting op de bankrekening van Wollie bij de Rabobank, ging Wollie failliet. Nadien werden ook de twee resterende termijnen op de bankrekening van Wollie betaald. De Rabobank verrekende deze betaling met haar vorderingen op Wollie. De curator vorderde van de Rabobank betaling van de twee termijnen aan de boedel. Het hof wees deze vordering af met een beroep op de uitzondering in het arrest
Mulder q.q./CLBN. Volgens de Hoge Raad ten onrechte. Voor een uitzondering als aanvaard in het arrest
Mulder q.q./CLBNis volgens de Hoge Raad in dit geval geen plaats:
ING/Gunning q.q.illustreert dat de reikwijdte van de uitzondering in het arrest
Mulder q.q./CLBNbeperkt is. [84] In die zaak had de bank met de schuldenaar een aflossingsregeling afgesproken die onder meer inhield dat de onroerende zaken uit de vastgoedportefeuille van de schuldenaar, waarop de bank hypotheekrechten had verkregen, zouden worden vervreemd en de opbrengst daarvan in mindering zou worden gebracht op de schulden van de schuldenaar aan de bank. Na de verkoop van de onroerende zaken heeft de notaris de bedragen bijgeschreven op de rekening van de schuldenaar bij de bank. De bank heeft het aldus ontstane positieve saldo verrekend met de schulden van de schuldenaar aan de bank. Kort daarna is de schuldenaar in staat van faillissement verklaard. De curator stelde zich op het standpunt dat de bank ingevolge art. 54 Fw Pro niet tot verrekening bevoegd was. De Hoge Raad ging daar in mee en oordeelde dat in dit geval geen sprake kan zijn van een uitzondering vergelijkbaar met die in het arrest
Mulder q.q./CLBN:
Mulder q.q./CLBNkomt voorts tot uitdrukking in het arrest
ABN Amro Commercial Finance/Favini. [85] In die zaak was de vraag aan de orde of Fortis bevoegd was haar vordering op de failliete vennootschappen ter zake van gederfd factorloon en gederfde rente wegens beëindiging van haar contract met de vennootschappen vanwege het faillissement te verrekenen met de betalingen die door de debiteuren van de aan haar stil verpande vorderingen van de failliete vennootschappen na datum faillissement zijn gedaan op de door haar bij ABN Amro aangehouden betaalrekeningen (factorrekeningen). De Hoge Raad beantwoordde ook die vraag ontkennend:
Eurocommerce‑arrest. [86] De rechtbank had (ex art. 392 Rv Pro) de navolgende prejudiciële vraag voorgelegd aan de Hoge Raad:
Mulder q.q./CLBN. De Hoge Raad overwoog daartoe dat in de situatie waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft de positie van de bank als zekerheidsgerechtigde immers (wel) onmiddellijk en uitsluitend samenhangt met haar bijzondere positie in het girale betalingsverkeer, nu het pandrecht van de bank is gevestigd op de vordering van de schuldenaar op de bank die voortvloeit uit de rekening‑courantverhouding. [90]
Mulder q.q./CLBN. In dat geval zou immers sprake zijn geweest van een betaling (door [K] ) die strekt tot voldoening van een vordering (van [G] op [K] ) die aan de bank (de Rabobank) stil is verpand en ter zake waarvan de bank nog geen mededeling aan de schuldenaar ( [K] ) heeft gedaan. Dat het hof met de hiervoor onder (i) genoemde situatie het oog heeft gehad op een verrekening als bedoeld in het arrest
Mulder q.q./CLBNstrookt ook met de stellingen van de Rabobank, die zich expliciet op dit arrest heeft beroepen. [91]
Mulder q.q./CLBN), dat aangenomen moet worden dat door de bevrijdende betaling door [K] aan [G] op de derdengeldenrekening van de Stichting als het door [G] opgegeven “betaaladres” (op 18 december 2012) de vordering van [G] op [K] teniet is gegaan en dat daarmee ook het op die vordering gevestigde stil pandrecht van de Rabobank ophield te bestaan (vgl. rov. 6.4, 6.5 en 6.7). Na die betaling ontstond een vordering van [G] op de Stichting, die op 21 december 2012 stil verpand is aan de Rabobank (vgl. rov. 6.5 t/m 6.8 in verbinding met rov. 3.16). Het voorgaande brengt mee dat er in de periode 18 t/m 20 december 2012 géén sprake was van een stil pandrecht van de Rabobank. De vraag rijst of de Rabobank bij doorstorting van het bedrag vanaf de derdengeldenrekening naar de bij de Rabobank aangehouden rekening van [G]
in die periodehet bedrag desalniettemin had mogen verrekenen met ‘haar vordering(en) in rekening-courant op [G] ’, zoals het hof in rov. 6.13 heeft aangenomen.
Mulder q.q./CLBN. Door het aanvaarden van de verrekeningsbevoegdheid in de onder (ii) genoemde situatie zou de Rabobank in wezen dus weer in dezelfde (voorrangs)positie komen te verkeren als bij rechtstreekse betaling op de rekening van [G] . Verder is van belang dat het stil pandrecht van de Rabobank (op de vordering van [G] op [K] ) teniet is gegaan als gevolg van het door toedoen van [eiser 1] , buiten medeweten laat staan medewerking van de Rabobank en in strijd met art. 26.31 van de facilities agreement (vgl. rov. 6.12, derde alinea; zie ook rov. 3.11), omleiden van de bevrijdende betaling door [K] aan [G] via de derdengeldenrekening van de Stichting als het door [G] aangewezen “betaaladres”. Anders dan in de arresten
Van Gorp q.q./Rabobanken
ING/Gunning q.q., is hier niet sprake van een situatie waarin de bank (bewust) afstand heeft gedaan van haar zekerheidsrecht en vervolgens heeft nagelaten opnieuw een zekerheidsrecht te vestigen. Anders dan in het arrest
ABN Amro Commercial Finance/Favini, is hier niet sprake van een situatie waarin de bank haar positie als schuldeiser niet had versterkt met een stil pandrecht en een bijbehorend voorrangsrecht. En anders dan in
Eurocommerce, is hier niet sprake van een situatie waarin de positie van de bank als zekerheidsgerechtigde onmiddellijk en uitsluitend samenhing met haar bijzondere positie in het betalingsverkeer, nu het stille pandrecht van de bank was gevestigd op de vordering van [G] op [K] .
Mulder q.q./CLBN. Voor de tegengestelde uitkomst zie ik in dit specifieke geval, met de daarin voorliggende bijzondere situatie, onvoldoende rechtvaardiging.
subonderdelen 4.1 en 4.2falen. In het oordeel van het hof in rov. 6.13 (slot) ligt besloten dat de Rabobank, in de hypothetische situatie van doorstorting vanaf 18 december 2012 (en op uiterlijk op 21 december 2012), in weerwil van art. 54 Fw Pro het bedrag had kunnen verrekenen met haar vordering(en) in rekening-courant op [G] , mede gelet op de uitzondering in het arrest
Mulder q.q./CLBN. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Mulder q.q./CLBN, dat oordeel eveneens onjuist is.
Mulder q.q./CLBNzou hebben gehad. Zie nr. 4.45. Aldus bezien heeft de vestiging van dit stil pandrecht niet, kort gezegd, tot een benadeling van de andere schuldeisers geleid. Daarbij komt dat dit pandrecht alleen is gevestigd ter ‘reparatie’ van het ophouden te bestaan van het stille pandrecht op de vordering van [G] op [K] , als gevolg van de bevrijdende betaling door [K] aan [G] op de derdengeldenrekening van de Stichting als het door [G] aangewezen “betaaladres” (zie rov. 6.4 en 6.5), in de context als beschreven in nr. 4.45. Dus zelfs als de vestiging van het stil pandrecht op 21 december 2012 als een ‘schuldoverneming’ in de zin van art. 54 Fw Pro zou moeten worden beschouwd, staat deze bepaling in dit specifieke geval m.i. niet in de weg aan (het toelaten van) verrekening als bedoeld in het arrest
Mulder q.q./CLBN. Het voorgaande strookt ook met de in de literatuur geuite gedachte dat, gelet op de strekking van art. 54 Fw Pro, aangenomen moet worden dat deze bepaling zich niet verzet tegen een verrekening van overgenomen vorderingen en schulden die, kort gezegd, niet leidt tot een benadeling van de gezamenlijke schuldeisers. [97] Het voorgaande brengt mee dat de rechtsklacht in subonderdeel 4.3 ook dan tevergeefs is voorgesteld.
subonderdelen 4.4 en 4.5. Deze zijn gericht tegen het oordeel in rov. 6.13, aldus de subonderdelen, “dat niet is gesteld dat de rekening
geennegatief saldo had”. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof met dit oordeel de stelplicht- en bewijslastverdeling heeft miskend in die zin dat het aan de Rabobank was om te stellen en onderbouwen dat zij schade heeft geleden, waaronder een eventueel negatief saldo van de rekening (subonderdeel 4.4). Verder wordt geklaagd dat dit oordeel een innerlijke tegenstrijdigheid in het arrest oplevert, omdat het hof in rov. 6.12 voor onzeker heeft gehouden of de betreffende rekening‑courant (de lopende rekening) een negatief saldo kende en daar in rov. 6.13 alsnog van lijkt uit te gaan (subonderdeel 4.5). Tot slot wordt geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de e-mail van [eiser 1] aan de Rabobank van 20 december 2012, waaruit blijkt dat de rekening op dat moment een positief saldo kende.
De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd metde zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme,
de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.(…)” [onderstreping, A-G].
de NOvA). [106] De Verordening is gestoeld op art. 28 van Pro de Advocatenwet (een wet in formele zin) waarin aan het College van Afgevaardigden van de NOvA de bevoegdheid wordt verleend om (tuchtrechtelijke) verordeningen vast te stellen. Art. 1 onder Pro a) van de Verordening bepaalt dat onder “advocaat” wordt verstaan “de in Nederland ingeschreven advocaat”, [107] alsmede “de advocaat bedoeld in artikel 16h van de Advocatenwet”. [108] Dit is een ruime begripsbepaling die impliceert dat het zijn van aldus ingeschreven advocaat voldoende is om onder het toepassingsbereik van de Verordening te vallen. De Advocatenwet noch de Verordening bevat hier de – nadere – beperking tot optreden als advocaat van een bepaalde partij (cliënt van die advocaat of diens kantoor). Meer in het algemeen geldt dat niet valt in te zien dat alleen voor zover sprake is van zulk specifiek optreden, (handelen in) de hoedanigheid van advocaat [109] aan de orde kan zijn in een concreet geval, bijvoorbeeld in het kader van een op art. 6:162 BW Pro gebaseerde vordering van een gelaedeerde. Zo valt de betrokkenheid van een persoon die advocaat is bij het gebruik van de derdengeldenrekening van diens (advocaten)kantoor, door dat gebruik te adviseren en te faciliteren (die rekening ter beschikking te stellen), niet los te zien van diens hoedanigheid van advocaat en de voor advocaten geldende voorschriften mede met betrekking tot een derdengeldenrekening en het gebruik daarvan, ook als een bij dat gebruik betrokken partij geen cliënt is van die advocaat of diens kantoor en in die zin geen sprake is van optreden als ‘advocaat van die partij’. Een andere uitkomst zou ook niet te rijmen zijn met bijvoorbeeld de achtergrond, inhoud en strekking van deze voorschriften, die op een brede werking wijzen en deel uitmaken van wat wel wordt geduid als de ‘kernwaarden voor de advocatuur’ waaraan de beroepsuitoefening altijd al gebonden is geweest: [110]
Integriteit(…) Integriteit behelst ook financiële integriteit. Daartoe behoort dat de derdengeldenrekening op een inzichtelijke en integere wijze wordt gebruikt. De recente Verordening op de administratie en financiële integriteit geeft daartoe voorschriften. Deze verordening heeft de Boekhoudverordening en enkele andere regelingen, zoals de Bruynincks-richtlijnen, vervangen. Ook moet de advocaat waakzaam zijn ten aanzien van betalingen met uit criminele activiteiten verkregen gelden en dient bij ongebruikelijke transacties overeenkomstig de wet te melden”. [111]
verplicht is ervoor te zorgendat ‘derdengelden’ [113] die zich door zijn toedoen bevinden op de rekening van een ‘stichting derdengelden’, [114] worden doorbetaald aan de ‘rechthebbende’ [115] zodra de gelegenheid zich voordoet, dat wil zeggen: zodra de verhindering om door te betalen niet langer bestaat. Volgens de toelichting wordt hiermee uitdrukking gegeven aan de hoofdregel dat de derdengelden zo snel mogelijk worden overgemaakt naar de rechthebbende (een cliënt of enige andere derde) en dat het ‘parkeren’ van derdengelden zonder noodzaak op de rekening van de stichting derdengelden niet is toegestaan. [116] Uit het voorgaande blijkt niet dat een betaalopdracht of een volmacht van de rechthebbende (altijd) als vereiste wordt gesteld, noch dat de rechthebbende cliënt moet zijn van de betreffende advocaat (of diens kantoor). Zie nader nrs. 5.5-5.8. Met de overweging in rov. 6.15 dat het handelen van [eiser 1] onderhevig is aan het advocatentuchtrecht, “temeer nu [eiser 1] het gebruik van de derdengeldenrekening van zijn kantoor had geadviseerd en gefaciliteerd”, brengt het hof (mede) tot uitdrukking dat in dit geval (ook) is voldaan aan het vereiste van art. 6 lid 4 van Pro de Verordening dat het bedrag zich “door toedoen” van [eiser 1] op de derdengeldenrekening bevond. Volgens het hof een reden “temeer” voor het oordeel dat het handelen van [eiser 1] onderhevig is aan het advocatentuchtrecht en dat hij in de relevante periode handelde als advocaat (vgl. ook rov. 3.13, het citaat van [eiser 1] ’ e-mail aan de Rabobank van 20 december 2012 waar hij mede schrijft “afgedwongen” te hebben dat het bedrag werd gestort op zijn (“mijn”) stichting derdengelden (de Stichting) en rov. 6.17, waarin het hof overweegt dat [eiser 1] handelde als advocaat “door zijn derdengeldenrekening ter beschikking te stellen”).
ING/Verdonk q.q.en
Hamm q.q./ABN Amro. [128] In het arrest
ING/Verdonk q.q.overwoog de Hoge Raad (onder meer) dat zo lang de stille pandhouder aan de betrokken debiteuren niet de in art. 3:246 lid Pro 1, tweede zin BW bedoelde mededeling heeft gedaan, de curator bevoegd is in het belang van de boedel tot inning van de stil verpande vorderingen over te gaan. In dat geval is er voor de curator geen reden de stille pandhouder in het belang van de boedel op grond van art. 58 lid 1 Fw Pro een (redelijke) termijn te stellen om tot uitoefening van de in art. 57 Fw Pro bedoelde rechten over te gaan. Dit betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat het de curator vrijstaat de bevoegdheid van de stille pandhouder tot het doen van de in art. 3:246 lid Pro 1, tweede zin BW bedoelde mededeling aan de betrokken debiteuren te frustreren door zijnerzijds aanstonds aan die debiteuren mede te delen dat zij de stil verpande vorderingen op de rekening van de boedel moeten voldoen in plaats van op die van de stille pandhouder. De Hoge Raad overwoog dan ook dat het in het algemeen bij een professionele stille pandhouder, zoals een bank, voldoende zal zijn dat de curator een redelijk te achten termijn in acht neemt van veertien dagen alvorens een dergelijke mededeling aan de debiteuren te doen (en tot inning van de stil verpande vorderingen over te gaan). Een verplichting tot het actief vooraf dienaangaande informeren van zo’n stille pandhouder heeft de curator echter niet. De Hoge Raad voegde daar nog wel aan toe dat dit niet wegneemt dat het wenselijk is dat de stille pandhouder en de curator overleg voeren over het te volgen incassobeleid, waartoe de stille pandhouder zo nodig zelf het initiatief kan nemen. [129] In het arrest
Hamm q.q./ABN Amroheeft de Hoge Raad deze uitgangspunten uit het arrest
ING/Verdonk q.q.herhaald en daaraan onder meer toegevoegd dat de curator, zoals buiten faillissement de pandgever, de pandhouder op diens verlangen alle informatie verstrekt aangaande (de debiteuren van) de verpande vorderingen waarover hij de beschikking heeft en die de pandhouder nodig heeft teneinde de in art. 3:246 lid Pro 1, tweede zin BW genoemde mededeling te doen en over te gaan tot inning van de aan haar stil verpande vorderingen. [130] In dat arrest heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat de curator elke verdere activiteit die is gericht op inning ten behoeve van de boedel van verpande vorderingen achterwege dient te laten, zodra de stille pandhouder aan hem heeft meegedeeld dat hij overeenkomstig art. 57 Fw Pro wenst over te gaan tot het uitoefenen van zijn rechten. Dit geldt volgens de Hoge Raad niet alleen wanneer deze mededeling wordt gedaan binnen de hiervoor genoemde termijn, maar ook wanneer zij daarna plaatsvindt. [131]
ING/Verdonk q.q.en
Hamm q.q./ABN Amroen dat hij jegens de Rabobank zelfs een stap verder is gegaan door haar
voorafgaandaan het faillissement van [G] per e-mail van 20 december 2012 uit eigener beweging in kennis te stellen van de vordering van [G] op de Stichting. Verder heeft [eiser 1] aangevoerd dat hij de Rabobank op 3 januari 2013 van het (op 24 december 2012 uitgesproken) faillissement van [G] in kennis heeft gesteld en zich vervolgens gedurende 16 dagen na het faillissement als curator van [G] heeft onthouden van inning van de vordering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij pas op 9 januari 2013 – nadat de Rabobank haar pandrecht nog steeds niet openbaar had gemaakt – de vordering op de Stichting heeft geïnd en dat hij daartoe ook gehouden was op grond van zijn taakvervulling als curator en de maatstaven van de Hoge Raad in de arresten
ING/Verdonk q.q.en
Hamm q.q./ABN Amro. [132] Tot slot heeft [eiser 1] gesteld dat als hij langer had gewacht en/of de positie van de Rabobank als stil pandhouder verder had gefaciliteerd, dat onrechtmatig zou zijn jegens de overige gezamenlijke schuldeisers van [G] . [133]
van curatorvan [G] . Zo is het betoog in de CvA (nrs. 61-67 en 69) grotendeels opgenomen onder het kopje “
Inning vordering: toetsing aansprakelijkheid [eiser 1] q.q.” en wordt in de MvA (nrs. 38-39) gesteld dat [eiser 1] “als curator” de zorgvuldigheidsnormen in acht heeft genomen die gelden voor de inning van stil verpande vorderingen. Ook de regels in de arresten
ING/Verdonk q.q.en
Hamm q.q./ABN Amro, waar [eiser 1] een beroep op doet, hebben hoofdzakelijk betrekking op het handelen van
de curatorin het faillissement. Deze nexus met een faillissementssituatie geldt ook voor hetgeen daarin is overwogen over de positie van de stil pandhouder.
naar [G], de rechthebbende, op een door haar bij de Rabobank aangehouden rekening), en dat die onrechtmatige daad niet valt in te zien gelet ook op de verrekeningsbevoegdheid van de Rabobank, als uiteengezet in de behandeling van onderdeel 4.
subonderdelen 6.1 en 6.2veronderstellen dat in dit oordeel besloten ligt dat [eiser 1] op 21 december 2012 (ook) op de hoogte zou zijn geraakt van het op die datum door de Rabobank gevestigde stille pandrecht op de vordering van [G] op de Stichting. [137] Subonderdeel 6.1klaagt dat dit oordeel feitelijk onjuist is en dat het hof daarmee in strijd met art. 149 Rv Pro de feiten heeft aangevuld ofwel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Subonderdeel 6.2klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van [eiser 1] dat hij op 3 januari 2013 de Rabobank nogmaals in kennis heeft gesteld van het faillissement en heeft gevraagd opgave te doen van haar zekerhedenpositie, en dat hij pas op 22 februari 2013 aan de Rabobank heeft laten weten het onderzoek naar de gevestigde zekerheden te hebben afgerond. [138]
nietten grondslag heeft gelegd dat op 21 december 2012 de verpanding aan de Rabobank plaatsvond en dat [eiser 1] daarvan op dezelfde datum op de hoogte zou zijn geraakt. Het subonderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom op 21 december 2012 de rechtvaardiging aan het gebruik van de derdengeldenrekening kwam te ontvallen en/of waarom [eiser 1] in het bijzonder zou kunnen worden verweten vanaf die datum het gebruik van de derdengeldenrekening te laten voortduren.
ookhet daartoe strekkende tuchtrechtelijke voorschrift" [onderstreping, A‑G], het bedrag had moeten overmaken naar [G] . Ik wijs ook op de overweging in rov. 6.15 dat de tuchtrechtelijke norm in art. 6 lid 4 van Pro de Verordening "
relevant[is] bij de beoordeling van de vraag hoe [eiser 1] in het concrete geval na de opzegging van het bankkrediet jegens de Rabobank diende te handelen" [onderstreping, A-G]. Deze overwegingen laten zich m.i. niet anders verstaan dan dat deze tuchtrechtelijke norm naar het oordeel van het hof een rol speelt bij beantwoording van de vraag of in dit specifieke geval, toegespitst op de voorliggende handelingen van [eiser 1] (als advocaat) in de voorliggende omstandigheden, sprake is van schending door [eiser 1] jegens de Rabobank van een door [eiser 1] in die verhouding in acht te nemen ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, tegen de achtergrond van de door de Rabobank jegens [eiser 1] pro se ingestelde vordering tot schadevergoeding ex art. 6:162 BW Pro (waarbij het hof het kernverwijt verwoordt in rov. 6.9 en 6.12, eerste zin). [143] Het voorgaande brengt mee dat zowel de rechts- als motiveringsklacht in subonderdeel 7.1, voor zover niet al feitelijke grondslag missend, faalt.
bekendwas (of had behoren te zijn) met de desbetreffende bepaling in de Verordening. Zoals hiervoor vermeld, heeft het hof de norm in art. 6 lid 4 van Pro de Verordening gebruikt bij de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die [eiser 1] , in de omstandigheden van dit specifieke geval, jegens de Rabobank in acht had moeten nemen. De slotoverweging van rov. 6.15 moet in het licht van rov. 6.13 zo worden verstaan dat het bepaalde in art. 6 lid 4 van Pro de Verordening, geciteerd in rov. 6.14, relevant is bij de beoordeling van de vraag hoe [eiser 1] in het concrete geval na de opzegging van het bankkrediet op 18 december 2012 jegens de Rabobank diende te handelen. Deze vraag heeft het hof aldus beantwoord dat (na die kredietopzegging doorbetaling van het bedrag vanaf de derdengeldenrekening naar de lopende rekening van [G] bij de Rabobank geboden was en) uiterlijk op 21 december 2012 in ieder geval de rechtvaardiging aan het gebruik van de derdengeldenrekening kwam te ontvallen en [eiser 1] , als advocaat, het bedrag had moeten (laten) overmaken naar [G] , zodat de Rabobank het bedrag had kunnen verrekenen met haar vordering(en) in rekening-courant op [G] . Met de slotzin van rov. 6.15 bedoelt het hof dus niet meer, dan dat in de gegeven omstandigheden gelet op dat antwoord de Rabobank ervan mocht uitgaan (wat mede een normatief oordeel is) dat [eiser 1] het ontvangen bedrag, zodra zich daartoe de gelegenheid voordeed, zou overmaken naar de bij de Rabobank aangehouden rekening van [G] . Deze overweging in rov. 6.15 (slot) is niet onjuist (als in: strijdig met art. 24 Rv Pro) of onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken, als bedoeld in het onderdeel. De Rabobank heeft in feitelijke instanties immers niet alleen betoogd dat [eiser 1] (met zijn e-mail van 20 december 2012, zie rov. 3.13) bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het bedrag voor haar op de derdengeldenrekening was veilig gesteld (het hof heeft dit betoog inderdaad verworpen, vgl. rov. 6.7 en 6.8), maar óók dat hij dit bedrag (uiteindelijk) zou
doorstorten. [148] Verder heeft de Rabobank aangevoerd dat [eiser 1] (en de Stichting) op grond van art. 6 lid 4 van Pro de Verordening gehouden was (waren) het bedrag, zodra de gelegenheid zich daartoe voordeed,
door te stortennaar (de Rabobank, althans) de rekening van [G] bij de Rabobank, en dat [eiser 1] (en de Stichting) door dit niet te doen jegens de Rabobank in strijd heeft (hebben) gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt in de zin van art. 6:162 BW Pro. [149]
als feitheeft vastgesteld dat de Rabobank weet had van en geen bezwaar heeft geuit tegen de betaling op de derdengeldenrekening door [K] . Hoogstens kan uit de door het hof in rov. 3.13 geciteerde e-mail van 20 december 2012 van [eiser 1] aan de Rabobank worden afgeleid dat de Rabobank vanaf dat moment weet had van de betaling van het bedrag op de derdengeldenrekening. Uit de daarop volgende e-mailwisseling tussen de Rabobank en [eiser 1] (door het hof weergegeven in rov. 3.14 en 3.15), kan hoogstens worden afgeleid dat de Rabobank op dat moment geen bezwaar heeft geuit tegen de betaling op de derdengeldenrekening. Daarbij komt dat in de procesinleiding niet wordt vermeld waar in de gedingstukken [eiser 1] zich heeft beroepen op de omstandigheid dat de Rabobank weet had van, en geen bezwaar heeft geuit tegen, de betaling op de derdengeldenrekening. Voor zover de motiveringsklacht ziet op deze stellingen, faalt deze dan ook reeds om die reden(en). Daarbij komt verder dat (ook) deze klacht ten onrechte ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de Rabobank vanaf 18 december 2012 (ineens) aan de Verordening het vertrouwen kon ontlenen dat [eiser 1] (alsnog) betaling aan [G] als rechthebbende zou bewerkstelligen. Zie nr. 4.79. Het daadwerkelijke oordeel van het hof in rov. 6.15 (slot) is evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van het feit dat [G] rechthebbende was op het bedrag (vgl. rov. 6.5). Het hof heeft in rov. 6.13 immers voldoende begrijpelijk geoordeeld dat en waarom (na de opzegging van het bankkrediet op 18 december 2012 doorbetaling van het bedrag vanaf de derdengeldenrekening naar de lopende rekening van [G] bij de Rabobank geboden was en) uiterlijk op 21 december 2012 in ieder geval de rechtvaardiging aan het gebruik van de derdengeldenrekening kwam te ontvallen en [eiser 1] , als advocaat, het bedrag had moeten (laten) overmaken naar [G] , zodat de Rabobank het bedrag had kunnen verrekenen met haar vordering(en) in rekening-courant op [G] ; daaraan doet niet af dat [G] rechthebbende was. Daarop bouwt het oordeel van het hof in rov. 6.15 (slot) voort. Zie nr. 4.79.
ervan mocht uitgaandat [eiser 1] het op de derdengeldenrekening ontvangen bedrag – zodra zich daartoe de gelegenheid voordeed – zou overmaken naar de bij de Rabobank aangehouden bankrekening van [G] , waarover nr. 4.79. In dit oordeel ligt besloten dat de Rabobank in de veronderstelling (verkeerde en) mocht verkeren dat zij niet zelf in actie hoefde te komen door het op 21 december 2012 gevestigde stille pandrecht openbaar te maken (en tot inning over te gaan), maar dat zij erop mocht vertrouwen dat het bedrag vanaf de derdengeldenrekening doorgestort zou worden naar de bankrekening van [G] , zodat zij dit zou kunnen
verrekenenmet haar vordering(en) in rekening‑courant op [G] , waarover rov. 6.13 (met andere woorden: de Rabobank mocht blijven ‘stilzitten’, het initiatief lag bij [eiser 1] ). Zie nr. 4.79. Het oordeel in rov. 6.16 – te bezien in het licht van rov. 6.13 t/m 6.15 – dat [eiser 1] “de positie van de Rabobank heeft gefrustreerd”, dient derhalve aldus te worden verstaan dat [eiser 1] , kort gezegd, door zijn handelen (het niet doen in combinatie met het wegleiden, bedoeld in rov. 6.16) de Rabobank de mogelijkheid heeft ontnomen tot verrekening van het bedrag van € 363.000,00 met haar vordering(en) in rekening‑courant op [G] . Dat de Rabobank naar het oordeel van het hof als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden, blijkt mede uit rov. 6.13, 6.18 en 6.19 waar het hof overweegt:
Subonderdeel 10.2klaagt dat het oordeel in rov. 6.16 evenmin begrijpelijk is voor zover het hof heeft bedoeld dat [eiser 1]
zelfhet bedrag heeft “weggeleid”. Het hof zou daarbij namelijk over het hoofd zien dat alleen de betalingsinstructie door het bestuur van [G] ertoe heeft geleid dat het bedrag op de derdengeldenrekening is binnengekomen en niet een actieve handeling van [eiser 1] . [151] Een dergelijk oordeel zou ook niet te verenigen zijn met het oordeel in rov. 6.11 dat niet kan worden geconcludeerd dat [eiser 1] betaling op de derdengeldenrekening heeft afgedwongen op een zodanige wijze dat dit als onrechtmatig jegens de Rabobank kan worden gekwalificeerd.
niet(mede) op het advies van [eiser 1] op of omstreeks 14 december 2012 tot betaling van het bedrag op de derdengeldenrekening. Overigens blijkt uit rov. 6.4 dat het hof, anders dan het subonderdeel 10.2 betoogt, ook niet over het hoofd heeft gezien dat (het bestuur van) [G] (en dus niet [eiser 1] ) de derdengeldenrekening van de Stichting jegens [K] als “betaaladres” heeft aangewezen, waarbij zij aangetekend dat, ook blijkens rov. 3.13 en 6.15, [eiser 1] het gebruik van de derdengeldenrekening van zijn kantoor wel had geadviseerd en gefaciliteerd.
zelfstandigeverplichting had tot doorbetaling van het bedrag. Het onderdeel klaagt dat het hof niet heeft gemotiveerd waarop een dergelijke verplichting is gebaseerd, aangezien het in rov. 6.18 en 6.19 slechts overweegt dat de Stichting onzorgvuldig heeft gehandeld door mee te werken aan de betaling op haar derdengeldenrekening. Tevens wordt geklaagd dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de essentiële stellingen van de Stichting: (i) dat zij voor het overmaken van het bedrag afhankelijk was van een verzoek tot uitboeking van de advocaat of belanghebbende, en daartoe geen zelfstandige bevoegdheid heeft; [153] (ii) dat haar handelen niet wordt gereguleerd door (art. 6 lid 4 van Pro) de Verordening; [154] en (iii) dat zelfs als dit anders zou zijn, “relativiteit ontbreekt”. [155]
de Stichting, maar van aansprakelijkheid van [eiser 1] (zo blijkt ook uit het tussenkopje van rov. 6.17: “
Aansprakelijkheid [eiser 1]”). In dat verband overweegt het hof in rov. 6.17, eerste zin, dat “het hier [gaat] om een onrechtmatige daad van [eiser 1] pro se, als advocaat”. Volgens het hof handelde [eiser 1] immers als advocaat door zijn derdengeldenrekening ter beschikking te stellen “en was hij op het moment dat de Stichting het bedrag uit had kunnen (en moeten) betalen aan [G] , nog geen curator van [G] ” (rov. 6.17, tweede zin). Deze laatste overweging dient aldus te worden verstaan dat [eiser 1] , op het moment dat de Stichting
op zijn verzoek (instructie)het bedrag had kunnen (en moeten) overmaken naar de bij de Rabobank aangehouden rekening van [G] (in de periode 18 t/m 21 december 2012), nog geen curator was van [G] . Deze lezing strookt ook met de aan rov. 6.17 voorafgaande overwegingen van het hof dat
[eiser 1], door na de opzegging van het bankkrediet op 18 december 2012 en uiterlijk op 21 december 2012 niet het bedrag over te (laten) maken naar de rekening van [G] bij de Rabobank, als advocaat dat bedrag heeft weggeleid en aldus de positie van de Rabobank heeft gefrustreerd en daarmee jegens de Rabobank onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld (vgl. rov. 6.13 t/m 6.16). Het oordeel in rov. 6.17 dat het hier gaat om “een onrechtmatige daad van [eiser 1] pro se, als advocaat”, en hij – zo versta ik rov. 6.17 – uit dien hoofde (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door de Rabobank dientengevolge geleden schade (vgl. rov. 6.18 en 6.19), vormt dus het sluitstuk van de overwegingen in rov. 6.9 t/m 6.16. Pas in rov. 6.18 en 6.19 komt het hof toe aan een beoordeling van de (on)rechtmatigheid van het handelen van
de Stichting. De hierna te bespreken onderdelen 13 t/m 16 richten zich tegen die rechtsoverwegingen. In het kader van de bespreking van de onderdelen 13 en 14 zal ik hierna stilstaan bij de (onderzoeks)verplichtingen van de Stichting.
Onderdelen 13 t/m 16: onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid van deStichting
Stichtingonrechtmatig heeft gehandeld jegens de Rabobank en, met [eiser 1] , hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de Rabobank geleden schade. Rov. 6.18 en 6.19 luiden als volgt:
Slis-Stroom-arrest van de Hoge Raad [156] is voor de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en de NOvA (mede) aanleiding geweest om regels uit te vaardigen met betrekking tot de bescherming van gelden van derden. [157] Op grond van die regels waren notarissen (vanaf 1 juli 1995) en advocaten (vanaf 1 juni 1999) verplicht om derdengelden te ontvangen op een rekening die op naam staat van een zogeheten “Stichting Derdengelden”. [158] Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Wet op het notarisambt (hierna:
Wna) per 1 oktober 1999 [159] geldt voor het notariaat de dwingende regeling van art. 25 Wna Pro, die kort gezegd het gebruik van een kwaliteitsrekening voorschrijft, en is het (enkele) gebruik van een stichting derdengelden niet langer toegestaan. [160] Om die reden en gelet op de onderhavige zaak, die het gebruik van de stichting derdengelden van een
advocatenkantoor betreft, zal ik mij hierna beperken tot een bespreking van de door de NOvA aan haar leden dwingend voorgeschreven regels omtrent het gebruik van de stichting derdengelden.
de Boekhoudverordening 1998, de Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel Wid en Wet MOT) en de Richtlijnen ter voorkoming van betrokkenheid van de advocaat bij criminele handelingen (Bruyninckx-richtlijnen)” [172] [onderstreping, A‑G]. In die toelichting is voorts te lezen dat de Verordening nagenoeg alle verplichtingen uit de drie hiervoor genoemde bestaande verordeningen overneemt, zij het dat sommige bepalingen omwille van de leesbaarheid zijn samengevoegd of opnieuw zijn geformuleerd. [173] Verder is in de toelichting vermeld dat “(…) nu expliciet in artikel 6, eerste lid van de verordening [is] komen te staan dat de Stichting Derdengelden uitsluitend gebruikt mag worden voor derdengelden in de zin van de verordening”. [174] Per 1 januari 2015 is de Verordening ingetrokken als gevolg van de vaststelling van de – ook thans nog geldende – Verordening op de advocatuur. [175]
“Hoofdstuk IV Stichting Derdengelden”.Dit hoofdstuk bestaat uit slechts één artikel (art. 6). Art. 6 lid 1 van Pro de Verordening bepaalt dat de advocaat verplicht is een stichting derdengelden ter beschikking te hebben en dat deze uitsluitend gebruikt mag worden voor derdengelden in de zin van de Verordening (vgl. art. 1 onder Pro n)). In de artikelsgewijze toelichting is te lezen dat dit laatste betekent dat de advocaat alleen derdengelden mag ontvangen op de stichting derdengelden “voor zover deze direct zijn te relateren aan een zaak en deze gelden ook functioneel zijn voor het verloop van die zaak”. [176] In alle overige gevallen is het ontvangen van gelden op de derdengeldenrekening niet toegestaan, aldus de toelichting. [177]
te weigeren en terug te storten” [onderstreping, A‑G].
subonderdeel 13.3dat het oordeel van het hof dat de Stichting heeft 'meegewerkt' aan de betaling op haar derdengeldenrekening ontoereikend gemotiveerd is in het licht van haar stellingen: (i) dat zij geen mogelijkheden had een dergelijke betaling “tegen te houden”; [184] (ii) dat zij part noch deel had aan “de betaling door [K] op haar derdengeldenrekening”; en (iii) dat zij ook niet in een positie verkeerde “die betaling te verhinderen”, voor zover zij daartoe gehouden zou zijn geweest. [185] Het hof heeft in rov. 6.18 immers niet geoordeeld dat de enkele
ontvangstvan het bedrag op de derdengeldenrekening onrechtmatig is, maar dat de Stichting jegens de Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld door, kort gezegd, ná die ontvangst het bedrag niet te verifiëren (door navraag te doen bij [eiser 1] ) en het vervolgens niet terug te storten (naar [K] ) of op verzoek van [eiser 1] door te storten naar de rekening van de rechthebbende ( [G] ).
Mulder q.q./CLBN(zie ook de bespreking van onderdeel 4; de hypothetische situatie onder (i)). In rov. 6.13, gelezen in samenhang met rov. 3.11, ligt besloten dat het bestuur van [G] in dat geval niet zonder meer over het bedrag zou hebben kunnen beschikken. [188] Gelet daarop is het oordeel dat de Rabobank door het handelen (dan wel nalaten) van de Stichting schade heeft geleden, niet onbegrijpelijk. Het feit dat de Rabobank in de werkelijke situatie op 21 december 2012 een stil pandrecht heeft gevestigd op de vordering van [G] op de Stichting, maakt dat niet anders.
Bespreking van het cassatiemiddel in het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep
Was de Rabobank rechthebbende op het bedrag?
Butterman q.q./Rabobank [191] bepleit. [192] Na een korte bespreking van dat arrest en een uiteenzetting van de m.i. relevante verschillen tussen (de casus die aanleiding gaf tot) het arrest
Butterman q.q./Rabobanken de onderhavige zaak, kom ik tot de slotsom dat voor een dergelijke toepassing van dat arrest in dit geval geen plaats is.
Butterman q.q./Rabobankging het – voor zover thans van belang – om het navolgende. Op 8 oktober 2003 heeft Amlin Holding B.V. (hierna:
Amlin) haar bedrijfspand bij voorbaat (door)verkocht aan Ouborg B.V. (hierna:
Ouborg). Op 12 december 2003 heeft Amlin verklaard aan de Coöperatieve Rabobank Eindhoven U.A. (hierna: de
bank) in onderpand te geven de vorderingen op Ouborg uit hoofde van de verkoopopbrengst betreffende het bedrijfspand. Bij brief van 17 december 2003 heeft de bank de verpanding medegedeeld aan de notaris die de eigendomsoverdracht van het bedrijfspand zou gaan verzorgen, en heeft zij de notaris verzocht de gelden uit hoofde van de verkoop op een rekening van de bank te storten. Op 16 februari 2004 is het faillissement van Amlin aangevraagd. Op dezelfde dag heeft Ouborg de koopprijs van het bedrijfspand op de kwaliteitsrekening van de notaris betaald en is ook de transportakte inzake het bedrijfspand verleden. Een dag later, op 17 februari 2004, is Amlin failliet verklaard met benoeming van Butterman als curator. Op dezelfde dag heeft de notaris de overdracht van het bedrijfspand afgerond door inschrijving van de akte van levering in de openbare registers van het Kadaster. Eveneens op 17 februari 2004 heeft de notaris de door Amlin behaalde verkoopopbrengst inzake het bedrijfspand ad € 186.367,32 aan de bank betaald. De bank heeft dit bedrag verrekend met haar vordering op Amlin. [193]
Mulder q.q./CLBNbevoegd was haar schuld aan Amlin die ontstond doordat de opbrengst van die verkoop na de faillietverklaring door de notaris op haar rekening is gestort, te verrekenen met de vordering die zij op Amlin had. [194] Butterman q.q. klaagde dat het beroep dat het hof heeft gedaan op het arrest
Mulder q.q./CLBNniet opgaat, omdat het stille pandrecht van de bank is gevestigd op de vordering van Amlin jegens de koper van het bedrijfspand, dit stille pandrecht niet bekend is gemaakt aan de koper zodat deze bevrijdend kon betalen aan de notaris, als gevolg waarvan de vordering teniet is gegaan en daarmee ook het daarop rustende stille pandrecht. [195] De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden. Hij overwoog daartoe – voor zover hier van belang – het navolgende:
Was de bank bevoegd tot verrekening van haar vordering met de opbrengst van de verkoop van het bedrijfspand?
Butterman q.q./Rabobank zich leent voor een toepassing (naar analogie) in de onderhavige zaak. Het antwoord op die vraag luidt m.i. ontkennend, reden waarom daarin evenmin een onjuiste rechtsopvatting van het hof besloten kan liggen als bedoeld met het subonderdeel, ook voor zover het subonderdeel niet ervan zou uitgaan dat volgens het hof de Stichting schuldeiser was van de vordering op [K] . Daarbij acht ik van belang dat de onderhavige zaak in een aantal opzichten verschilt van (de casus die aanleiding gaf tot) het arrest
Butterman q.q./Rabobank.
eersterelevante verschil is dat het in de onderhavige zaak niet ging om een onroerendgoedtransactie, [199] terwijl het oordeel van de Hoge Raad in
Butterman q.q./Rabobankis toegesneden op de betaling van de koopsom voor onroerende zaken op de kwaliteitsrekening van de notaris. [200] Dit laatste indiceert dat de Hoge Raad destijds niet een brede toepassing van de in rov. 4.14 geformuleerde regels (die een uitzonderingskarakter hebben) voor ogen stond, in die zin dat daarmee algemeen geldende regels zijn geformuleerd voor alle gevallen waarin betaling op een kwaliteitsrekening dan wel een derdengeldenrekening aan de orde is. [201] Dit betekent ook dat de (mogelijk mede aan het oordeel in
Butterman q.q./Rabobankten grondslag liggende) ‘praktische’ opvatting dat de notaris in vastgoedtransacties nu eenmaal fungeert als een noodzakelijke ‘tussenschakel’ met het oog op het waarborgen van de rechtszekerheid en het ordentelijk verloop van die transacties, en dat dit op zichzelf niet tot gevolg zou mogen hebben dat zekerheidsrechten op vorderingen tot betaling van een koopsom van een onroerende zaak een andere weg afleggen dan zekerheidsrechten op vorderingen tot betaling van de koopsom van een roerende zaak die zonder tussenkomst van de notaris kunnen geschieden, [202] in de onderhavige zaak geen rol van betekenis speelt. Het voorgaande pleit m.i. tegen een toepassing (naar analogie) van dit arrest in de onderhavige zaak.
tweederelevant verschil is dat het hof in de onderhavige zaak (als door de Rabobank niet weersproken) heeft vastgesteld “dat [G] de Stichting heeft aangewezen als degene die bevoegd was de betaling (namens [G] ) te ontvangen”, alsmede dat het “ [G] (in haar verhouding met [K] ) vrij[stond] de Stichting als betaaladres aan te wijzen” (rov. 6.4). Aan deze – in cassatie niet bestreden – feiten heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat [K] “dus” aan [G] op de derdengeldenrekening van de Stichting bevrijdend heeft betaald (rov. 6.5, herhaald in rov. 6.7). Verstijlen schreef in zijn
NJ-annotatie onder het arrest
Butterman q.q./Rabobankdat de “kwestie”, waarmee hij doelt op de vraag wanneer een betaling voltooid is, “genuanceerder [ligt] dan op het eerste gezicht lijkt” op basis van dat arrest. Volgens Verstijlen hangt het allereerst af van wat tussen partijen is overeengekomen. In dat verband merkte hij op dat partijen kunnen overeenkomen dat de verplichting van de koper eruit bestaat de koopsom onder de notaris te storten, “in welk geval de betaling met die storting is voltooid”. [203] Deze lijn doortrekkend, heeft het hof in de onderhavige zaak (in rov. 6.4 en 6.5) m.i. in essentie vastgesteld dat tussen [G] en [K] is overeengekomen dat laatstgenoemde het aan [G] verschuldigde bedrag op de derdengeldenrekening van de Stichting zou betalen; door dat te doen, heeft [K] voldaan aan haar verplichting (zij heeft bevrijdend betaald) en heeft zij [G] een aanspraak verschaft op (de derdengeldenrekening van) de Stichting. [204] Die derdengeldenrekening moet op grond van rechtspraak van de Hoge Raad worden aangemerkt als een algemene kwaliteitsrekening, waarvan het saldo niet alleen toekomt aan [G] , maar aan verschillende cliënten en andere derden gezamenlijk. [205]
derderelevant verschil – op de omstandigheid dat de Rabobank in de onderhavige zaak, anders dan in
Butterman q.q./Rabobank, niet voorafgaand aan de betaling door [K] op de derdengeldenrekening van de Stichting een mededeling van haar (stil) pandrecht (als bedoeld in art. 3:246 lid 1 BW Pro) heeft gedaan aan de Stichting, en overigens ook niet aan [K] . Het pandrecht op de vordering van [G] op [K] is door de Rabobank dus niet openbaar gemaakt. [206] Door het hof is niet iets anders vastgesteld; het tegendeel volgt veeleer uit rov. 6.4 (vgl. het slot) en rov. 6.7 (vgl. de eerste alinea, slot). Dit betekent dat de Rabobank (als pandhouder) ook niet bevoegd was het aan [G] verschuldigde en op de derdengeldenrekening van de Stichting betaalde bedrag ‘in ontvangst te nemen’.
vierderelevant verschil, verdient opmerking dat de Stichting het bedrag niet – zoals de notaris in
Butterman q.q./Rabobank– rechtstreeks (en op uitdrukkelijk verzoek van de Rabobank) heeft betaald op een eigen rekening van de Rabobank (waarna laatstgenoemde heeft verrekend), maar dat zij dat had moeten betalen op de rekening van [G] (de rechthebbende) bij de Rabobank (waarna de Rabobank had kunnen verrekenen). Zie rov. 6.13 t/m 6.16.
Butterman q.q./Rabobankm.i. niet in de weg aan hetgeen het hof overweegt in rov. 6.4, 6.5 en 6.7, als bestreden door het subonderdeel.
Butterman q.q./Rabobank, [219] geldt dat in dit geval geen plaats is voor een toepassing (naar analogie) van dit arrest. Ik verwijs in dit verband naar de bespreking van subonderdeel 1(a). Overigens is het ook nog maar de vraag of – zoals het subonderdeel kennelijk veronderstelt – het oordeel in het arrest
Butterman q.q./Rabobankaldus moet worden verstaan dat het (openbare) pandrecht op de vordering tot betaling van de koopsom, na storting van die koopsom op de kwaliteitsrekening van de notaris,
door substitutieis blijven voortbestaan, en wel op de (voorwaardelijke) vordering van de verkoper op (de bank van) de notaris. Voor zover ik kan overzien, wordt deze opvatting in ieder geval niet breed gedragen in de literatuur. [220] Voor zover het subonderdeel betoogt dat de vordering van [G] op [K] ‘anderszins’ een vordering van [G] op de Stichting is geworden, [221] maakt het niet duidelijk (en licht het overigens ook niet toe) welke rechtsregel het hof zou hebben miskend.
Subonderdeel 1(d)bevat in essentie een herhaling van deze klachten, maar dan gericht tegen het aansluitende oordeel in rov. 6.7 dat de op 21 december 2012 verpande vordering van [G] op de Stichting pas op 18 december 2012 kan zijn ontstaan (omdat de Stichting op dat moment het bedrag ontving) en dat niet is gebleken dat er ooit een mededeling is gedaan van dat pandrecht aan de schuldenaar (de Stichting) als bedoeld in art. 3:246 lid 1 BW Pro. De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.