ECLI:NL:PHR:2013:859
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing gelijkheidsbeginsel op bedrijfsopvolgingsfaciliteit bij niet-ondernemingsvermogen
Deze zaak betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland die het beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) afwees omdat belanghebbende geen ondernemingsvermogen had verkregen. De BOF voorziet in een vrijstelling van erfbelasting tot 75% van het ondernemingsvermogen om liquiditeitsproblemen bij bedrijfsopvolging te voorkomen. Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod vereisen dat ook verkrijgingen van niet-ondernemingsvermogen in aanmerking komen voor deze faciliteit.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het onderscheid tussen ondernemings- en niet-ondernemingsvermogen objectief en redelijk is gerechtvaardigd vanwege het stimuleren van ondernemerschap en het voorkomen van liquiditeitsproblemen. De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en stelde dat de BOF niet op hem van toepassing is.
De advocaat-generaal concludeert dat hoewel er sprake is van ongelijke wettelijke behandeling van gelijke gevallen, de wetgever zijn ruime beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden en dat de vrijstelling van 75% niet manifest onredelijk is. Ook het beroep op het Eerste Protocol EVRM faalt omdat de belastingheffing niet excessief is. Het cassatieberoep wordt daarom ongegrond verklaard.
De zaak illustreert de toepassing van het internationaal gelijkheidsbeginsel in belastingrecht en benadrukt de ruime marge van beoordeling die de wetgever toekomt bij fiscale faciliteiten zoals de BOF. Rechtsherstel wordt niet door de Hoge Raad geboden, maar blijft een politieke keuze.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt niet toegepast op verkrijgingen van niet-ondernemingsvermogen.