ECLI:NL:HR:2006:AV1705
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- C.J.J. van Maanen
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over heffingsbevoegdheid bij beëindigingsvergoeding en dagenbreuk in belastingverdrag Nederland-Mexico
Belanghebbende, woonachtig in Mexico, was directeur en enig aandeelhouder van een Mexicaanse vennootschap die een overeenkomst had met een Nederlandse werkgever voor presentatie- en redactiewerkzaamheden. De beloning bestond uit reguliere salarissen en een beëindigingsvergoeding. Het geschil betrof de vraag welk deel van de beloning Nederland mocht belasten op grond van het belastingverdrag met Mexico.
Het hof had geoordeeld dat slechts een klein deel van de beloning, gerelateerd aan de dagen dat belanghebbende daadwerkelijk in Nederland werkte, aan Nederland mocht worden toegerekend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de gehele beëindigingsvergoeding aan het jaar van beëindiging moest worden toegerekend en dat de zaak daarom moest worden terugverwezen.
De Hoge Raad besprak ook eerdere jurisprudentie over dagenbreuk en de toerekening van loon aan werk- en woonstaat, en verwierp de stelling dat de woonstaat als hoofdregel geen betekenis heeft. De zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de heffingsbevoegdheid met betrekking tot de beëindigingsvergoeding, waarbij rekening moet worden gehouden met relevante eerdere arresten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de heffingsbevoegdheid van de beëindigingsvergoeding.