Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair bewijsuitsluiting.
5.1 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie/bewijsuitsluiting
Meer subsidiair dient de geschetste gang van zaken te leiden tot bewijsuitsluiting van de bewuste (koffer)stukken, nu het openbaar ministerie deze onrechtmatig onder zich heeft gehouden. Aldus de verdediging.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan de volgende gang van zaken worden afgeleid.
[verdachte] is in de Microbezaak op 2 juli 2003 aangehouden. Hij maakte die dag gebruik van een personenauto, merk BMW, waarin onder andere vuurwapens zijn aangetroffen. In de kofferbak van die auto lag een koffer en in die koffer werden hasjiesj en diverse schriftelijke bescheiden aangetroffen. De koffer met inhoud is onder [verdachte] in beslag genomen. De doorzoeking van de auto en de inbeslagname van onder meer de koffer met daarin twee plakken hasjiesj en genoemde bescheiden is gerelateerd in een proces-verbaal van 3 juli 2003. [verdachte] is over de inhoud van de koffer gehoord.
Hij is door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 23 oktober 2003 veroordeeld ter zake handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met de Opiumwet. Tevens is toen beslist ten aanzien van de voorwerpen vermeld op de beslaglijst, dat - voor zover hier van belang - de plakken hasjiesj uit de koffer werden onttrokken aan het verkeer.
De bescheiden uit de koffer zijn niet vermeld op de beslaglijst en de rechtbank heeft daaromtrent niet beslist.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2004 van verbalisant [verbalisant], zijn de door team 6 van de dienst centrale recherche in beslag genomen en niet teruggeven stukken uit de Microbekoffer na deze uitspraak op last van de zaaksofficier mr. J. Plooy overgedragen aan team 4 van de dienst centrale recherche, dit in overleg met de (toenmalige) officier van justitie mr. F. van Straelen. Voorts valt uit dit proces-verbaal af te leiden dat de bescheiden in de Microbekoffer vertrouwelijke informatie en informatie over vermoedelijke transportroutes voor illegale zaken, zoals drugs, bevatten. Bij arrest van dit hof van 22 oktober 2004 is [verdachte] alsnog vrijgesproken van de hem in de Microbezaak ten laste gelegde feiten, omdat hij op het moment van zijn aanhouding ten onrechte als verdachte was aangemerkt, daarom onrechtmatig was aangehouden en het daaruit verkregen bewijsmateriaal moest worden uitgesloten van het bewijs. Het hof heeft daarbij tevens beslissingen genomen omtrent goederen vermeld op de beslaglijst, waarop de stukken uit de Microbekoffer zoals gezegd niet waren vermeld en - voor zover hier van belang - de plakken hasjiesj eveneens onttrokken aan het verkeer verklaard. Op 4 november 2006 zijn de stukken uit de Microbekoffer door de officier van justitie mr. F. Dekkers overgenomen van de dienst centrale recherche en in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro in het onderzoek Zuil.
Immers, zoals hiervoor weergegeven, vermeldt de kennisgeving van inbeslagneming van 3 juli 2003 in de Microbezaak dat in het koffertje dat in beslag is genomen zich diverse bescheiden bevonden die eveneens in beslag zijn genomen, terwijl [verdachte] over de inhoud van het koffertje, dat hij aanduidt met 'tas' op 3 juli 2003 is gehoord. Niets stond de verdachte of de verdediging destijds in de weg de inhoud van het koffertje bij de berechting van de Microbezaak in volle omvang aan de orde te stellen. Daarnaast is gebleken dat nadat de verdachte door de rechtbank was veroordeeld en voordat het hof arrest in die zaak had gewezen voornoemd proces-verbaal van 9 februari 2004, waarin de gang van zaken rondom de overdracht van de stukken is beschreven, is opgemaakt, is doorgenummerd en is vermeld op een aanvullende index van het proces-verbaal van relaas, terwijl het zich in het dossier bevond waarin de huidige raadsman inzage heeft gehad.
De raadsman heeft voorts nog aangevoerd dat het proces-verbaal van 9 februari 2004 ten onrechte door het openbaar ministerie niet in het dossier Zuil is gevoegd, terwijl men wist dat deze stukken zeer wezenlijke onderdelen van het verwijt tegen [verdachte] betroffen en dat aldus doelbewust een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven. Het hof deelt ook dit standpunt van de raadsman niet. In het proces-verbaal van relaas onderzoek Zuil is gerelateerd dat in oktober 2006 door het onderzoeksteam Zuil navraag is gedaan of de koffer met de bescheiden nog bij de dienst centrale recherche aanwezig was, hetgeen het geval bleek te zijn en dat na bestudering van de stukken deze door de officier van justitie mr. F. Dekkers op 4 november 2006 zijn overgenomen van de dienst centrale recherche en in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro in het onderzoek Zuil (dossierpagina A-006-007). In zoverre is de benodigde duidelijkheid gegeven.
Enig verdoezelen met de door de raadsman beschreven motieven is aldus, maar ook overigens, niet aannemelijk geworden.
De vraag is dan, of het feit dat het openbaar ministerie na het arrest van dit hof van 22 oktober 2004 bedoelde stukken niet aan (de raadsman van) [verdachte] heeft teruggegeven een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv in het onderzoek Zuil oplevert, waaraan de door de raadsman bepleite gevolgen moeten worden verbonden. Hieromtrent geldt het volgende.
Volgens de raadsman zou op enig moment na het wijzen van het arrest in de Microbezaak telefonisch om teruggave zijn verzocht. Niet is echter gebleken dat de verdachte of zijn raadsman op enig moment de mogelijkheden van artikel 552a Sv hebben benut, waar dat toch voor de hand had gelegen indien de verdachte belang had gehad bij teruggave. Ook overigens is niet gebleken dat [verdachte] door het niet teruggeven is enig rechtens te beschermen belang is geschaad.
Daarnaast moet worden geconcludeerd dat gelet op de aard en inhoud van deze bescheiden zoals beschreven in het proces-verbaal van 9 februari 2004, alsmede de omstandigheden waaronder deze bescheiden zijn aangetroffen, namelijk in een koffer tezamen met onder andere twee plakken hasjiesj, die overigens bij voornoemd arrest op grond van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht aan het verkeer zijn onttrokken, maar ook op grond van de inhoud van de bescheiden zoals daarvan thans aan het hof is gebleken, niet aannemelijk is geworden dat van teruggave aan [verdachte] ooit sprake had kunnen zijn, nu deze bescheiden eveneens vatbaar waren voor onttrekking aan het verkeer op grond van voornoemd artikel. Genoemde bescheiden bevatten immers naar de opvatting van de politie vermoedelijk vertrouwelijke informatie en informatie over vermoedelijke transportroutes voor illegale zaken zoals drugs en werden aangetroffen in een koffer waarin zich ook daadwerkelijk drugs bevonden, hetgeen voornoemd vermoeden versterkte. Het hof constateert op basis van afschriften van deze bescheiden die zich in het dossier bevinden dat dit vermoeden van de politie niet zonder grond was en dat deze bescheiden van zodanige aard waren dat zij vatbaar waren voor onttrekking aan het verkeer.
tweede middelklaagt dat het Hof een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreffende de betrouwbaarheid van de getuige [getuige 1] op ontoereikende gronden heeft gepasseerd.
Ook heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van de getuige op diverse onderdelen tegenstrijdig zijn of soms aantoonbaar onjuist, van horen zeggen, en door andere (voormalige) verdachten in dit dossier worden weersproken. Anderzijds is tevens door een aantal raadslieden aangevoerd dat het 'gevaar' van de verklaringen van [getuige 1] nu juist gelegen is in het feit dat zij op vele punten juist zijn gebleken en dat juist daardoor ook de - in de ogen van de verdediging - onjuiste onderdelen van die verklaringen voor waar worden aangenomen.
De getuige [getuige 1] is talrijke malen gehoord verspreid overeen periode van vele jaren. Hij is gehoord door politieambtenaren en rechters. De verdediging is meermalen in de gelegenheid geweest hem vragen te stellen. Zijn verklaringen beslaan honderden pagina's en betreffen uiteenzettingen over een grote hoeveelheid personen en gebeurtenissen, waarover hij niet alleen in grote lijnen verklaart, maar ook in detail. Daarbij geeft hij ook een uitgebreide uiteenzetting van door hem zelf gepleegde strafbare feiten, ook van feiten die op dat moment aan de politie nog niet bekend waren.
Zoals de verdediging heeft betoogd vallen zeker een aantal verschillen waar te nemen tussen zijn verklaringen, onder meer tussen die afgelegd bij de politie en die tegenover de rechter-commissaris en laatstelijk de raadsheer-commissaris. Ook is het zo, dat het hem ten voordele heeft gestrekt bij de afdoening van zijn eigen strafzaak om tegenover de Duitse politie en justitie verklaringen af te leggen. Dit neemt echter niet weg dat moet worden geconstateerd dat zijn verklaringen over het algemeen consistent zijn. Ook worden zijn verklaringen op tal van onderdelen bevestigd door verklaringen van anderen of ander bewijsmateriaal. In de paragrafen 3.6.1 tot en met 3.6.3 van het requisitoir geeft het openbaar ministerie daarvan een groot aantal voorbeelden. Het hof verwijst daarnaar en neemt die hier over. Voor zover hij de auditu heeft verklaard wordt daarvan veelal door de getuige melding gemaakt.
Dat de getuige bij het afleggen van zijn verklaringen gemotiveerd is geweest om anderen ten onrechte te belasten met het oog op strafvermindering is, mede ook gezien de bevestiging door ander bewijsmateriaal van zijn verklaringen op voornoemde punten, niet aannemelijk geworden. Dat er verschillen waarneembaar zijn tussen de onderscheiden verklaringen is op zichzelf niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de verklaringen als geheel niet betrouwbaar zijn en zich voor bewijsgebruik niet lenen. Dit hangt immers te zeer af van de inhoud van (onderdelen van) de desbetreffende verklaring en de samenhang met ander bewijsmateriaal. Ook speelt daarbij een rol, welke achtergrond die verschillen kunnen hebben. In dit geval kan daarover worden opgemerkt dat de getuige daarvoor soms zelf een verklaring heeft gegeven, te weten dat hij zichzelf in eerste instantie minder strafwaardig wilde voordoen dan hij was. Ook is aannemelijk dat het tijdsverloop een rol heeft gespeeld en dat herinneringen aan het precieze verloop van gebeurtenissen zijn vervaagd. De omstandigheid dat anderen, waaronder verdachten in het feitencomplex Zuil, zijn verklaringen hebben weersproken, doet daaraan niet af.
De beschouwing van een en ander leidt tot het oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] in beginsel voldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te dienen. Hetgeen de verdediging op dit punt overigens naar voren heeft gebracht maakt dat niet anders.
Het hof zal bij het concrete gebruik van de onderdelen van de verklaringen van de getuige natuurlijk wel de nodige behoedzaamheid in acht nemen. Zo zullen die onderdelen worden bezien in het licht van het andere bewijsmateriaal en kan het bewijs dat een verdachte betrokken is bij een strafbaar feit niet worden aangenomen op alleen de verklaring van de getuige of indien het overig bewijs te weinig gewicht in de schaal legt. Indien (onderdelen) van een verklaring mede gelet op een andere door de getuige afgelegde verklaring te veel twijfels oproepen omtrent hetgeen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zal van bewijsgebruik geen sprake kunnen zijn. Die onderdelen van de verklaringen van de getuige, die het hof voor het bewijs gebruikt, acht het hof echter voldoende betrouwbaar en voor bewijsgebruik geschikt. Zo nodig zal het hof zich daarover in een nadere bewijsoverweging nader verantwoorden bij de bewijsvoering van de afzonderlijke feiten.
Gelet op het voorgaande worden de verweren die op dit punt door de verdediging zijn gevoerd verworpen.”
derde middelhoudt in dat het onder 7 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Bij de beoordeling van de verklaringen van [getuige 1] op dit punt speelt verder een rol dat hij bijna twee jaar nadat de feiten zoals ten laste gelegd zich zouden hebben voorgedaan voor het eerst daarover is gehoord. De verklaring die hij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd is zes jaar na die feiten afgelegd en die bij de raadsheer-commissaris bijna negen jaar daarna. Het hoeft geen betoog dat dit tijdsverloop van invloed is op de herinnering en de mogelijkheden om details te reproduceren. Het hof vindt het dan ook niet verwonderlijk dat de verklaringen op onderdelen verschillen. De genoemde verklaring bij de politie en bij de rechter-commissaris beziend, blijkt dat deze echter op belangrijke kernpunten overeenkomen. Zo heeft de getuige telkens verklaard dat hij [verdachte] voor het eerst heeft ontmoet in Madrid, dat dit was in verband met een voorgenomen transport met een huurauto van cocaïne van Madrid naar Alcobacca (p. 10 vertaling RC verklaring, het hof gaat er van uit dat de vermelding Alcobacca-Madrid op p. 12 van die vertaling op een verschrijving berust), dat [betrokkene 2] vóór deze ontmoeting is weggegaan, dat de getuige in Madrid in het gezelschap was van [betrokkene 3] en [betrokkene 4], die [verdachte] niet mochten leren kennen, terwijl het transport later werd afgezegd door [verdachte]. Als hoeveelheid wordt beide keren de hoeveelheid van rond de 50 kilo genoemd.
Met betrekking tot de ontmoeting bij de overdracht van heroïne in Amsterdam komt overeen dat de getuige in de vroege ochtend naar Amsterdam is gereden, dat hij in gezelschap was van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], dat de getuige eerst weigerde zijn Jeep voor een transport te laten gebruiken, omdat deze op naam van zijn vader stond, dat men bij een industriegebied is geweest en bij een café in het centrum van Amsterdam, dat de wagen van hem is overgenomen, dat hij twee grote reistassen heeft vervoerd naar de loods van [betrokkene 6], dat hij onderweg is gestopt bij een Esso benzinestation, waar [betrokkene 2] zich over had opgewonden en dat hij had gehoord van [betrokkene 2] dat er heroïne in de tassen zat. Hoewel er op onderdelen verschillen waarneembaar zijn tussen de verklaringen, zijn deze niet van dien aard dat de kern van die verklaringen daardoor wordt aangetast. Het hof gaat er daarom van uit dat de getuige, zoals hij bij de Duitse politie heeft verklaard, [verdachte] heeft ontmoet in Madrid en hem later in Amsterdam bij de overdracht van de heroïne heeft gezien.
Dat [verdachte] bij een dergelijke overdracht aanwezig was en daarmee risico's nam, is op zichzelf niet zo buitenissig, aangezien uit de verklaringen van [getuige 2] en de verdachte zelf, zoals onder meer afgelegd in hoger beroep, is gebleken dat hij bij andere overdrachten, zij het van hasjiesj, ook wel aanwezig was.
De getuige [getuige 1] heeft daarbij verklaard, dat hij had gehoord dat het hier heroïne betrafen dat hij deze stof ook daadwerkelijk heeft gezien.
Ondersteuning van de verklaring van [getuige 1] bieden de volgende elementen.
Dat de organisatie van [betrokkene 2] inmiddels activiteiten ontplooide op het gebied van de handel in heroïne valt ook af te leiden uit de verklaring van de getuige [getuige 2], waar hij -zakelijk weergegeven - heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest bij een gesprek tussen [betrokkene 2] en [verdachte], waarbij werd besproken dat de handel in hasjiesj op zichzelf niet meer zo lucratief was en dat hij (later) door de afnemer [betrokkene 5] in Engeland is aangesproken over het feit dat er vermoedelijk heroïne bij een transport hasjiesj heeft gezeten en dat hij later ook heroïne transporten met deze [betrokkene 5] heeft afgerekend.
Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de uitvoer van de heroïne heeft medegepleegd, nu daaromtrent onvoldoende gegevens in het dossier aanwezig zijn.”
vierde middelhoudt in dat het onder 13 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.