Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
‘persoonlijk in duurzaam gebruik’te nemen als bedoeld in art. 7:296 lid Pro 1, onder b. Dat de wetgever de thans bestaande opzeggings- en termijnbescherming in overeenstemming wilde doen zijn met hetgeen in het oude recht gold, kan niet meebrengen dat het
‘persoonlijk duurzaam in gebruik nemen’net zo ruim moet worden uitgelegd als blijkens HR 22 juni 2001, nr. C99/169,
LJNAB2236,
NJ2001/585 onder het oude recht het geval was met het ‘gebruik’ als bedoeld in :art. 7A 1631 lid 2, onder b, (oud) BW.
‘persoonlijk duurzaam in gebruik nemen’in art. 7A:1631a lid 2, onder 2, (oud) BW. Maar ook de strekking van art. 7:296 lid Pro 1 (de mogelijkheid voor de verhuurder om de huurovereenkomst tegen het einde van de eerste termijn op te zeggen, te beperken tot de daar onder a en b genoemde gevallen) verzet zich tegen de door het onderdeel bepleite ruime uitleg van
‘persoonlijk duurzaam in gebruik nemen’als bedoeld onder b, aangezien daardoor veel meer gevallen onder het bereik van de onder b bedoelde opzeggingsgrond zouden vallen, hetgeen afbreuk zou doen aan de bescherming die lid 1 verleent aan de huurder tegen een opzegging tegen het einde van de eerste termijn.”
De bepaling van lid 2 van art. 7:296 heeft Pro slechts betrekking op opzeggingen tegen het einde van de in art. 7:292 lid 1 bedoelde Pro eerste termijn.” Een huurovereenkomst met een aanvangstermijn van tien jaar is niet geregeld in art. 7:292 lid 1 BW Pro, maar (zo blijkt uit art. 7:300 lid 2 BW Pro) in art. 7:300 BW Pro. Strikt genomen, biedt dit ruimte om te betogen dat het arrest geen betrekking heeft op een (voortgezette) huurovereenkomst met een eerste termijn van tien jaar. Van hieruit zijn twee vervolgpaden denkbaar.
sub i, als bedoeld in 2.30), niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
sub ii.a en iiials bedoeld in 2.30), niet miskend dat de huurder volgens de wet slechts aannemelijk hoeft te maken dat hij verhuis- en inrichtingskosten zal (moeten) maken (ik lees dat overigens evenmin in rov. 4.13.2 en rov. 4.13.6 TA omdat het hof daarin de te vergoeden kosten afbakent). Deze concretisering dient er immers toe om te specificeren wanneer van een verhuizing sprake is.
sub ivals bedoeld bij 2.30), evenmin onbegrijpelijk voor.
sub ii, als bedoeld bij 2.30) dat het partijdebat zich heeft toegespitst op de hoogte van de vergoedingen en dat partijen niet hebben gedebatteerd over de vraag wanneer het in gebruik nemen van de nieuwe locatie (nog) kan worden aangemerkt als verhuizing en/of wanneer een nieuwe locatie moet worden geacht het gehuurde te vervangen. Dat Aldi heeft aangegeven dat het debat over de consequenties van huurbeëindiging nog moet worden afgerond (bij MvA 3.20), heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk betrokken op de hoogte van de vergoeding (waarop ook de opmerking van [verweerster] in CvR nr. 45 zag). In het debat was door [verweerster] wel betrokken of Aldi wel zou verhuizen en dat de voorwaarde van verhuizing.
3.Wijze van afdoening
1 januari 2014 of zoveel eerder als Aldi het gehuurde ontruimd aan [verweerster] heeft opgeleverd”inmiddels is verstreken. Gezien art. 7:300 lid 3 in Pro verbinding met art. 7:295 lid 1 BW Pro, dient Uw Raad een nieuwe datum vast te stellen waartegen de huur zal eindigen. Aannemende dat arrest zal worden gewezen voor 1 juni 2014, heeft [verweerster] verzocht deze datum vast te stellen op drie maanden nadien, dat wil zeggen 1 september 2014 (s.t. nr. 33).
binnen zes maanden na de beëindiging van de huurovereenkomst”. Daarmee doelde het hof op de datum van 1 juli 2014. Ter vermijding van misverstand zou Uw Raad kunnen verstaan dat de voorwaarde in deze zin dient te worden begrepen dan wel in Uw uitspraak de vierde alinea van het dictum van het hof in de voorgestelde zin kunnen herformuleren.