2. Namens verdachte heeft mr. C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te ‘s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. I. van Straalen, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
“hij op 28 juni 2009 te Naaldwijk, gemeente Westland, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas en een gebroken neus en zichtverlies aan het (linker) oog en beschadiging netvlies en pupil van het (linker) oog)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met een knuppel/houten stok tegen het hoofd/gezicht te slaan;”
“3.4
“3.4. (…) Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Zo zal de cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (vgl. HR 16 mei 2000,
NJ2000, 510)
NJ2000, 510).”
7. Voor wat betreft oorzaak, symptomen en gevolgen van een oogkasbreuk stel ik het volgende voorop. De oorzaak van een gebroken oogkas (orbitafractuur) is niet zelden deelname aan een balsport (bal tegen het oog). Er is geen sprake van een breuk van een en hetzelfde bot, maar er komen er meer (vier) in aanmerking. Als symptomen worden genoemd: pijn, zwelling, dilopie (dubbel zien) en/of andere zichtproblemen. In veel gevallen is geen operatie noodzakelijk, maar wordt het natuurlijke genezingsproces afgewacht. Ik ontleen deze algemeenheden aan
www.learningsupport.nlen zakboek oogheelkunde. De oogkasbreuk is hiermee niet een volledig vast omlijnd fenomeen, maar er zijn op zijn minst voor wat betreft de symptomen en gevolgen niet onaanzienlijke variaties tussen ernstige en minder ernstige breuken. Een breuk die alleen een zwelling veroorzaakt en natuurlijk geneest is minder ernstig dan een breuk die leidt tot dubbel zien en tot noodzaak van een operatie.
8. In de recente lagere rechtspraak wordt een breuk van de oogkas vrijwel steedsaangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Wanneer daarbij ook een gevolg van de breuk als blijvende blindheidwordt vermeld of uitdrukkelijk op de samenhang met ander bewezenverklaard letselwordt gewezen, past dat zonder meer in het hierboven geschetste kader van de Hoge Raad, maar van explicitering van gevolg en samenhang is in de lagere rechtspraak niet altijd sprake.Rechtspraak waarin de strafkamer van de Hoge Raad expliciet een oordeel geeft over de vraag of een gebroken oogkas zwaar lichamelijk letsel oplevert heb ik niet aangetroffen.
9. Het komt mij, gelet op hetgeen ik onder 7 vooropstelde, voor dat een breuk van de oogkas niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De aard van de breuk, de symptomen en de gevolgen zijn van betekenis. De vraag is dus of het oordeel van het Hof in de onderhavige zaak niet onjuist of onbegrijpelijk is. Bewijsmiddel 12 houdt de volgende (de auditu) constateringen van de behandelend arts in: een gebroken oogkas, een gebroken neus, slechts 30% zicht aan zijn linkeroog en een beschadiging aan het netvlies en de pupil van het linkeroog. De zichtproblematiek sluit rechtstreeks aan bij de verklaring van verdachte (bewijsmiddel 7) en de bevindingen van de aios oogheelkunde (bewijsmiddel 11). Verdachte heeft verklaard dat hij (na de klap met een knuppel) ‘gelijk niks meer [kon] zien door mijn linkeroog. Ik voelde gelijk dat het fout zat (…)’. De aios oogheelkunde constateert verminderd zicht in het linkeroog en kan nog niet beoordelen of er sprake is van blijvend letsel. Gelet op deze bewijsmiddelen is het niet onbegrijpelijk dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Dit betekent dus dat geoordeeld kan worden dat een oogkasbreuk die een aanzienlijk (70%) zichtprobleem oplevert en waarvan niet aanstonds gezegd kan worden dat er geen blijvend letsel zal zijn in combinatie met een gebroken neus en beschadiging van het netvlies en de pupil van het (linker) oog zwaar lichamelijk letsel oplevert.
10. De toelichting op het middel wil -als ik het goed zie- vooral het volgende punt maken. De feiten en omstandigheden waarover verdachte blijkens het onder 12 tot bewijs gebruikte proces-verbaal verklaart worden niet bevestigd door een medische verklaring. Voor zover de steller van het middel van opvatting is dat een dergelijke bevestiging rechtens vereist is, vindt dat geen steun in het recht. Voor zover de steller van oordeel is dat bewijsmiddel 12 van onwaarde is zonder een bevestiging, raakt dat de selectie en waardering van bewijsmiddelen en is de toetsing daarvan in cassatie niet meer aan de orde. De verdediging had dit punt in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het Hof kunnen voorleggen, maar in de bij het proces-verbaal van de zitting gevoegde pleitnotities is daarvan zelfs geen begin te vinden.
11. Het
eerste middelfaalt.
12. Het
tweede middelklaagt over de strafmotivering en wel in het bijzonder dat het Hof in strafverzwarende zin heeft laten meewegen dat verdachte ‘niet de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor de mishandeling van [slachtoffer]’.
14. Blijkens de toelichting wordt door deze overweging het ‘nemo tenetur’ beginsel geschonden. Ik zie dat nog niet zo direct, omdat niet is gesteld of gebleken dat verdachte gedwongen is aan zijn eigen veroordeling mee te werken door wel de verantwoordelijkheid te nemen. Als een verdachte niet verklaart of geen verantwoordelijkheid neemt mag daarmee in de strafprocedure bij de beslissing omtrent het bewijs of de straf rekening worden gehouden.Anders dan in de toelichting wordt gesteld is de strafmotivering niet onbegrijpelijk, omdat ‘ten onrechte geen aandacht [is] besteed aan het geven, aangevoerd door de raadsman bij pleidooi, dat verzoeker uit eigen beweging een cursus agressiebeheersing heeft gevolgd.’ Er kunnen uiteenlopende redenen zijn om een dergelijke cursus te volgen en bovendien is niet volledig uitgesloten dat verdachte door die cursus te volgen zijn verantwoordelijkheid voor het eerste feit wel wenst te aanvaarden.
16. De middelen falen, waarbij het tweede middel in ieder geval met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering kan worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.