Conclusie
“F. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
1. De maatstaf: het Zwolsman- en het Karman-criterium
1.1
1.2
1.3
1.4
1.5
1.6
2. Startinformatie en 00-informatie
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
2.6
2.7
3. Delen van 00-informatie met het tactisch team
3.1
3.2
3.3
3.4
4. Opzettelijke misleiding
4.1
4.2
4.3
4.4
4.5
4.6
4.7
4.8
4.9
5. Infiltratieactie op geheimhouderskantoor
5.1
5.2
5.3
6. Geheimhoudersgesprekken
6.1
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
6.7
7. Eindconclusie
eerste middelklaagt dat de afwijzing door het Hof van het verzoek [betrokkene 4] als getuige te horen zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Het
tweede middelklaagt dat de afwijzing door het Hof van het verzoek [betrokkene 2] als getuige te horen zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
“7. [betrokkene 4] hoofd tactische recherche
uiteindelijk(lees: via andere wegen met meer moeite en inspanningen) wel bij deze verdachten uitgekomen.
• getuigen (…) [betrokkene 4] (7), [betrokkene 2] (8) (…)
“1. Verkrijgen 00-informatie en aanvullend horen getuigen hieromtrent
Hoofd tactische recherche [betrokkene 4]: wil niet zeggen of de 00-informatie van belang is geweest bij de keuze van de inzet van middelen in het onderzoek. Hij wil tevens geen antwoord geven op de vraag of de verstrekte CIE-informatie wordt ondersteund door de 00-informatie (hetgeen weer van belang is voor de vraag of deze 00-info ontlastende informatie behelsde). Hij wil eveneens niet verklaren of er namen in de 00-informatie stonden. Ook de vraag of de 00-informatie beslissend was voor de keuze het onderzoek op te starten wil hij geen antwoord geven.
Teamleider onderzoeksteam [betrokkene 2]: wil geen antwoord geven of de vraag waarom hij 00-informatie kreeg als hij hem toch niet mocht gebruiken. Hij wil ook niet antwoorden op de vraag of het niet vreemd is dat er zoveel mensen op de hoogte zijn van de 00-informatie.
Hoofd tactische recherche [betrokkene 4] :
‘Ik heb daarbij 00-informatie medegedeeld aan [betrokkene 2] ’.
Teamleider [betrokkene 2] :
‘Bij de start van het onderzoek wist ik niets van de diefstal van schilderijen uit het Frans Halsmuseum’.
[betrokkene 4]
[betrokkene 2]”
"5 schilderijen uit de tijd van Rembrandt"te koop kon aanbieden. Vanaf dat moment werd aannemelijk dat het zou kunnen gaan om de vijf schilderijen die op 24 maart 2002 uit het Frans Hals Museum te Haarlem waren gestolen. Op bevel van de officier van justitie is op 4 april 2007 een politieel pseudokooptraject gestart. Op 17 september 2007 wordt vervolgens ook een politie infiltratieteam ingezet, waarbij naast [A] nog een infiltrant (infiltrant [C] ) wordt betrokken.
"kunst en antiek"(CIE proces-verbaal) ook zou kunnen vallen de (mogelijke) handel van verdachte [verdachte] in schilderijen die uit het Frans Hals Museum waren gestolen. Ook gaat het hof ervan uit dat dit onderdeel van de 00-informatie reeds bij de aanvang van het onderzoek aan leden van het tactisch team is medegedeeld. Op dat punt behoeft geen nader onderzoek te volgen.
"kunst en antiek". Op dit punt is geen nader onderzoek vereist.
derde middelklaagt dat de beslissing van het Hof op de terechtzitting van 10 november 2011 inhoudende dat de getuige-deskundige [betrokkene 8] gebruik heeft mogen maken van haar verschoningsrecht zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
hervattingvan het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.
hervattingvan het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.
vierde middelklaagt dat het oordeel van het Hof, inhoudende dat niet vaststaat dat [betrokkene 2] tijdens zijn eerste verhoor ook “kennelijk bewust niet de waarheid heeft verklaard over zijn wetenschap van 00-informatie bij de start van het onderzoek”, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
vijfde middelklaagt dat de bestreden uitspraak op het punt van de door het Hof gehanteerde werkhypothese innerlijk tegenstrijdig is en daarmee onbegrijpelijk.
zesde middelklaagt over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker, voor zover dat verweer ziet op de opzettelijke misleiding (punt F.4 van de bestreden uitspraak).
zevende middelwordt gepresenteerd is geen middel van cassatie in de zin der wet die voor onderzoek door de cassatierechter in aanmerking komt. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [3] In de schriftuur wordt in dit verband slechts gesteld: “Gezien hetgeen hieromtrent bij pleidooi door de verdediging is aangevoerd” heeft het Hof met betrekking tot het ontvankelijkheidsverweer omtrent “de lichtzinnige infiltratieactie op een geheimhouderskantoor” (punt F.5 van de bestreden uitspraak) het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, ontvankelijk verklaard. Niet wordt echter aangegeven waarom ’s Hofs andersluidende oordeel niet zou deugen.
achtste middelwordt geduid. De stelling luidt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat aan het geconstateerde vormverzuim met betrekking tot de geheimhoudersgesprekken geen rechtsgevolg dient te worden verbonden. Ook hier wordt niet gepreciseerd wat er dan wel mis zou zijn met het oordeel van het Hof.
negende middelklaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd.
.
crimineleherkomst van de voorwerpen heeft willen verhullen of verbergen en daarbij in aanmerking neemt dat de verdachte al voor het grondmisdrijf kan worden vervolgd, bijvoorbeeld voor vermogensdelicten als opzetheling en verduistering. Daar komt in het onderhavige geval dan nog bij dat reeds het verbergen en/of verhullen van de vindplaats en de verplaatsing van de geldbedragen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr is bewezenverklaard.
tiende middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.