Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het procesverloop
3.Het geding in feitelijke instanties
.Dit betekent dat voor de gedeelten van de gebouwen die bestemd zijn om door de Stichting ter beschikking gesteld te worden aan de scholen en de gedeelten die voor vrijgestelde verhuur zijn bestemd geen vergoeding in rekening is gebracht. Voor wat betreft de scholen wordt dit bevestigd door de verklaring van belanghebbende dat bij de hoogte van de verkoopprijs een rol heeft gespeeld dat voor de huisvesting van de scholen niets in rekening behoefde te worden gebracht.
4.Het geding in cassatie
5.Voorbeschouwing
6.Eén gebouw, meer leveringen?
een gedeelte van een gebouwen het erbij behorend terrein, (...)”
of een gedeelte van een gebouwen het er bijbehorend terrein vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede de levering van een bouwterrein;”
van de levering van een gedeelte van een gebouw.
Dat doet zich voor indien een gebouw horizontaal is gesplitst (appartementsrechten) of indien een gebouw verticaal is gesplitst.Voor de toepassing van artikel 11, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet [MvH: de ingebruikneming na verbouwing geldt als eerste ingebruikneming indien door de verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht]
moet een dergelijk appartement of gedeelte, zoals in dit geval het gedeelte van de winkel op de begane grond dat zich niet onder de wooneenheden bevindt, afzonderlijk van het overige van het gebouw in aanmerking worden genomen.(…).”
7.Meer leveringen, één vergoeding
is het feit dat één prijs in rekening wordt gebracht, niet beslissend. Wanneer een dienstverrichter zijn klanten een uit verschillende elementen bestaande dienst verleent tegen betaling van één prijs, kan dit laatste er weliswaar voor pleiten dat het om één dienst gaat, dochwanneer uit de omstandigheden zoals beschreven in de punten 7 tot en met 10 van het onderhavige arrest voortvloeit, dat de klanten de bedoeling hebben twee verschillende diensten, namelijk een verzekering en een kaartregistratie, te kopen, dient ondanks die ene prijs het gedeelte daarvan dat betrekking heeft op de verzekering, die hoe dan ook vrijgesteld blijft, afzonderlijk te worden bepaald. Daartoe moet de eenvoudigste berekenings- of beoordelingsmethode worden gevolgd (zie, in die zin, arrest Madgett en Baldwin [40] , reeds aangehaald, punten 45 en 46).” [41]
nietzodanig hebben vormgegeven.
Afwijken van contractuele afspraken; zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie
de contractuele bepalingen normaliter de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven, vormen zij, omwille van de rechtszekerheid, een in aanmerking te nemen factorteneinde te bepalen wie de verrichter en de ontvanger zijn van een „dienst” in de zin van artikelen 2, punt 1, en 6, lid 1, van de Zesde richtlijn.
wanneer blijkt dat deze contractuele bepalingen een zuiver kunstmatige constructie vormen die niet beantwoordt aan de economische en commerciële realiteit van de handelingen.”
doordat niet getornd wordt aan de civielrechtelijke kwalificaties, maar andere fiscale gevolgen worden verbonden aan die kwalificaties dan men op grond van die civiele kwalificaties zou verwachtenomdat de uit de civiele kwalificaties voortvloeiende fiscale gevolgen
onverenigbaar zijn met doel en strekking van de belastingwet.”
kan plaats zijn indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet.”
herkwalificatie (herdefinitie) van de betrokken transacties aan de orde is. Gelet op het ‘arrest der arresten’ van het HvJ ten aanzien van misbruik van recht, het arrest Halifax, [51] is voor misbruik van recht eigenlijk alleen nog ‘extra’ vereist dat (vastgesteld wordt) dat partijen
de overwegende bedoelinghadden om met de gekozen, en met doel en strekking van de (Zesde c.q. btw-) richtlijn strijdige, strijdige structuur, een belastingvoordeel te verkrijgen (hierna kortweg: voordeelmotief).
9.Misbruik van recht
De middelen betogen onder meer dat het Hof ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de door belanghebbende verrichte (rechts)handelingen misbruik van recht opleveren.