Conclusie
oudSv heeft de Hoge Raad bij herhaling beslissingen in stand gelaten waarbij de vordering tot vergoeding van shockschade is bestempeld als van niet eenvoudige aard en (reeds) om die reden de vordering niet-ontvankelijk is verklaard. [4] De benadering had nogal wat weg van een categorische uitsluiting. [5] Over de vraag op welke wijze bij shockschade invulling moet worden gegeven aan het criterium van de onevenredige belasting heeft de Hoge Raad zich nog niet met zoveel woorden uitgesproken, maar de benadering is terughoudend. [6] Een min of meer categorische uitsluiting is niet goed verdedigbaar en in de lagere rechtspraak wordt bovendien shockschade kennelijk zonder problemen van onevenredige belasting regelmatig toegewezen. [7]
eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de benadeelde partij [betrokkene 1] zich ook in hoger beroep heeft gevoegd met een vordering tot vergoeding van shockschade, althans dat het hof die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Daartoe wordt in de (aanvullende) toelichting op het middel aangevoerd dat zich bij de gedingsstukken weliswaar een geschrift bevindt houdende de mededeling dat bedoelde benadeelde partij haar vordering (ook in zoverre) in hoger beroep wenst te handhaven, doch dat op geschrift de handtekening van de benadeelde partij ontbreekt.
Naam [achternaam betrokkene 1]
(…)
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft toegewezen voor zover deze de gevorderde shockschade betreft, althans dat het zijn beslissing in zoverre ontoereikend heeft gemotiveerd.
bepaalde schade, door bepaalde
voegingsgerechtigdenin een strafzaak kunnen worden gevoegd, indien dat
geen onevenredige belastingvan het strafgeding oplevert.
‘dat thans sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar niet dat dit ziektebeeld is veroorzaakt door de schok ten gevolge van de confrontatie (...). Dat sprake is van shockschade is dus onvoldoende onderbouwd’(ECLI:NL:RBAMS:2014:6120).
“Het oordeel van het Hof dat het (thans) niet aan de rechter is om van de nog vrij recent uitdrukkelijk door de wetgever beoogde beperkte opvatting van het begrip slachtoffer in de zin van art. 51a Sv af te wijken acht ik ook niet onbegrijpelijk, te meer nu de formulering van art. 51a Sv thans ook niet de ruimte voor een dergelijk ruimer slachtofferbegrip biedt en bij een casuïstieke verruiming van de reikwijdte van art. 51a Sv de gevolgen daarvan voor de rechtspraktijk niet vallen te overzien. Een andersluidend oordeel van het Hof zou derhalve de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan. Een recent ter consultatie voorgelegd conceptwetsvoorstel biedt steun aan deze opvatting. Het betreft nog een voorontwerp en stelt voor te voorzien in een regeling voor vergoeding van (onder meer, naast bijvoorbeeld het verhalen van zorgkosten) affectieschade voor naasten”(ECLI:NL:PHR:2014:632). In die lijn oordeelde ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden nog zeer recentelijk: “In de artikelen 51f van het Wetboek van Strafrecht en artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat zogenaamde ‘affectieschade’ niet toewijsbaar is” (30 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3289).
Aanmeldreden: