Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, het verzoek van de raadsvrouwe van de verdachte om de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te horen heeft afgewezen. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarbij miskend dat in het onderhavige geval de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk mag verschillen van het criterium van het verdedigingsbelang.
NJ2007/626 m.nt. Mevis betoogd dat het hof het getuigenverzoek had moeten beoordelen aan de hand van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium en daaraan een invulling had moeten geven die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang. Daartoe voert de steller van het middel aan dat de verdachte zich na de uitspraak in eerste aanleg genoodzaakt zag zich van andere rechtsbijstand te voorzien, waardoor niet tijdig een appelschriftuur kon worden ingediend. Bovendien zou volgens de steller van het middel het belang van een efficiënte procesvoering in deze zaak door de latere indiening van de onderzoekswensen niet zijn geschaad, omdat deze wensen op een regiezitting zijn behandeld.
NJ2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.4.2 beschouwingen gewijd aan de uitleg van art. 414, tweede lid, Sv en art. 418, derde lid, Sv. In dit arrest is onder meer uiteengezet dat onder bepaalde omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk zal kunnen worden gevergd dat hij getuigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft en dat daarvan in de regel sprake is, indien bij de uitspraak in eerste aanleg is volstaan met een verkort vonnis en de aanvulling niet tijdig binnen de voor het indienen van de appelschriftuur gestelde termijn voor de verdachte beschikbaar is. Ook kunnen zich gevallen voordoen waarin de - voorafgaand aan de uiterste datum voor de indiening van de appelschriftuur - (nog) niet van rechtsbijstand voorziene verdachte er redelijkerwijs geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de aan het niet opgeven van getuigen bij appelschriftuur verbonden consequenties. In dat verband komt betekenis toe aan de wijze waarop de verdachte door de justitiële autoriteiten is gewezen op zijn bevoegdheid tot indiening van de appelschriftuur en op de betekenis daarvan voor de beoordeling van de desbetreffende verzoeken. Voorts kunnen zich gevallen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur. In dergelijke gevallen brengt - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in voornoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het "noodzakelijkheidscriterium" de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het “noodzakelijkheidscriterium” niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het "verdedigingsbelang" zou worden bereikt.
tweede middelbevat de klacht dat het hof een vrijheidsbenemende straf heeft opgelegd, terwijl de hoogte daarvan onbegrijpelijk is gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft het hof de door hem toegepaste matiging van de op te leggen straf wegens overschrijding van de redelijke termijn ontoereikend gemotiveerd.
NJ2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 en 3.6.4 mogelijk een hogere strafkorting zou hebben toegepast, indien diezelfde overschrijding van de redelijke termijn zich in de cassatiefase zou hebben voorgedaan. De desbetreffende strafkortingsregels zien immers uitsluitend op overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, terwijl de Hoge Raad in rov. 3.22 en 3.23 van dat arrest ten aanzien van overschrijdingen van de redelijke termijn in feitelijke aanleg heeft vooropgesteld dat algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd niet zijn te geven en dat het de feitenrechter voorts vrij staat te volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.