ECLI:NL:PHR:2014:713
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde verzoekster in staat van faillissement en wees haar verzoek tot opheffing van het faillissement en omzetting in een schuldsaneringsregeling af wegens gebrek aan goede trouw. Het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Verzoekster kwam vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad met een verzoekschrift ondertekend door een advocaat die niet bij de Hoge Raad was ingeschreven. Dit is in strijd met art. 426a lid 1 Rv, waardoor het beroep in beginsel niet-ontvankelijk is.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat herstel mogelijk is door binnen twee weken na indiening een door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend exemplaar in te dienen. In deze zaak is verzoekster hier niet toe overgegaan binnen de gestelde termijn, ondanks een telefonische waarschuwing van de griffie. Hierdoor is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast voldoet het cassatiemiddel niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro, omdat het niet met voldoende precisie aangeeft tegen welke oordelen van het hof het is gericht. De conclusie tot niet-ontvankelijkheid is dan ook onherroepelijk. De zaak is geschikt voor een verkorte conclusie. Tevens is bevestigd dat de eis van vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad niet in strijd is met het Europese mededingingsrecht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad en het uitblijven van herstel binnen de gestelde termijn.