ECLI:NL:PHR:2014:713

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
11 juli 2014
Zaaknummer
14/02595
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 RvArt. 407 lid 2 RvArt. 15b FwArt. 288 lid 1 sub b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad

De rechtbank Oost-Brabant verklaarde verzoekster in staat van faillissement en wees haar verzoek tot opheffing van het faillissement en omzetting in een schuldsaneringsregeling af wegens gebrek aan goede trouw. Het hof bevestigde dit oordeel in hoger beroep. Verzoekster kwam vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad met een verzoekschrift ondertekend door een advocaat die niet bij de Hoge Raad was ingeschreven. Dit is in strijd met art. 426a lid 1 Rv, waardoor het beroep in beginsel niet-ontvankelijk is.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat herstel mogelijk is door binnen twee weken na indiening een door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend exemplaar in te dienen. In deze zaak is verzoekster hier niet toe overgegaan binnen de gestelde termijn, ondanks een telefonische waarschuwing van de griffie. Hierdoor is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast voldoet het cassatiemiddel niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro, omdat het niet met voldoende precisie aangeeft tegen welke oordelen van het hof het is gericht. De conclusie tot niet-ontvankelijkheid is dan ook onherroepelijk. De zaak is geschikt voor een verkorte conclusie. Tevens is bevestigd dat de eis van vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad niet in strijd is met het Europese mededingingsrecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad en het uitblijven van herstel binnen de gestelde termijn.

Conclusie

14/02595
Mr. L. Timmerman
Zitting 13 juni 2014
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie. [1]
1. De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 28 maart 2013 op verzoek van ABN AMRO Bank N.V. verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) in staat van faillissement verklaard.
2. Bij vonnis van 17 maart 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoekster] om ex art. 15b Fw haar faillissement op te heffen en om te zetten in een schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe ex art. 288 lid 1 sub b Fw Pro overwogen dat niet aannemelijk is dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van (een deel van) haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
3. [verzoekster] is van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank bij het hof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen.
4. Bij arrest van 8 mei 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
5. [verzoekster] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 16 mei 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
6. Voornoemd verzoekschrift is ondertekend en ingediend door mr. S.M. Singh, advocaat te Amsterdam. Mr. Singh is echter geen advocaat bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, ingevolge welke bepaling beroep in cassatie wordt ingesteld bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek brengt in beginsel mee dat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7. Bij arrest van 10 juli 2009 [2] heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen, kan worden hersteld doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. In dat geval zal als de dag waarop de zaak is aangebracht gelden de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.
8. In casu heeft een medewerker van de griffie van de Hoge Raad op 20 mei 2014 telefonisch contact opgenomen met mr. Singh en haar op voornoemde herstelmogelijkheid gewezen. De termijn van twee weken na 16 mei 2014 is echter verstreken zonder dat herstel heeft plaatsgevonden, zodat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
9. Gelet op het voorgaande ten overvloede merk ik op dat het cassatiemiddel niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro daaraan te stellen eisen, aangezien het nalaat met bepaaldheid en precisie te vermelden tegen welke oordelen van het hof het is gericht.
10. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Er is in cassatie geen dossier overgelegd. Slechts het verzoekschrift in cassatie en het bestreden arrest van het hof zijn bij de Hoge Raad ingediend. In dit verband wordt aan het eind van het verzoekschrift in cassatie vermeld dat het procesdossier nog steeds niet compleet is en verzoekt [verzoekster] de Hoge Raad om haar een termijn te gunnen voor het indienen van een akte overlegging nadere producties en eventueel een akte aanvulling gronden.
2.HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773. Naderhand bevestigd in HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1009; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586; HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9887; HR 7 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6713; HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2239; HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3710; HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:269. In het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2012 is tevens uitgemaakt dat de eis van in cassatie wettelijk verplichte vertegenwoordiging van partijen door een advocaat bij de Hoge Raad ex art. 426a lid 1 Rv niet in strijd is met het Europese mededingingsrecht.