Conclusie
“Inschakelen deurwaarder”staat in die brief voorts vermeld:
De betonfabriek: de op het perceel gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] aanwezige bedrijfsbebouwing waarbinnen in de huidige omvang een betononderneming wordt uitgeoefend alsmede de met die onderneming samenhangende buitenopslag en aangebrachte voorzieningen die aan het bedrijf dienstbaar zijn zoals onder meer parkeerterrein(en) en de verharding buiten het agrarisch bouwperceel.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
middel IV, dat klaagt dat het hof niet gemotiveerd op een verzoek van BBI om pleidooi heeft beslist en ten aanzien waarvan de Gemeente zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd, het bestreden arrest hoe dan ook geen stand kan houden en de zaak na verwijzing wellicht alsnog zal moeten worden bepleit, zie ik aanleiding dat middel als eerste te bespreken.
“Niet geregeld verzoek”). Op dat formulier wordt de navolgende toelichting gegeven:
“dat van tevoren nooit wordt aangegeven of er een tussen- of een eindarrest wordt gewezen.”Kennelijk vond dat telefoongesprek plaats naar aanleiding van een eveneens overgelegde brief van de procesadvocaat van BBI van 27 juni 2012 (die overigens niet aan de griffier van het hof, maar aan de griffier van de rechtbank was gericht) en waarvan de inhoud luidde als volgt:
“wij (hebben) aangegeven dat appellante haar recht op een pleidooi uitdrukkelijk wilde behouden, in navolging van het daartoe al ingediende H-16 formulier.”Dat de procesadvocaat van BBI ná het bedoelde telefoongesprek van 28 juni 2012 het verzoek om pleidooi nog eens uitdrukkelijk zou hebben bevestigd (zoals zou kunnen worden afgeleid uit de cassatiedagvaarding onder 138, slot) blijkt niet uit de stukken en wordt ook niet in de brief van de procesadvocaat van BBI van 24 december 2012 aan de griffier van het hof aangevoerd.
“H10b Verzoek mondeling pleidooi”en
“H10c Verzoek schriftelijk pleidooi”), impliceert de keuze voor formulier
“H16 Niet geregeld verzoek”dat BBI daarmee
niet(zonder meer) de vaststelling van een mondeling of schriftelijk pleidooi beoogde.
“BBI heeft nog verzocht om een comparitie van partijen te gelasten, doch het hof ziet daartoe gezien het vorenoverwogene geen aanleiding.”).
gehelefabriek, terwijl de last onder dwangsom alleen betrekking had op het verwijderen van twee loodsen en de fabriek destijds bovendien door de Gemeente werd gedoogd (onder meer randnummers 54 en 75);
nietals een bijzondere omstandigheid beschouwd. A fortiori leidde een dergelijke beëindiging niet tot een verplichting voor het bestuur om van invordering af te zien [11] . Voor deze opvatting kan ook steun worden gevonden in de parlementaire geschiedenis van de Dwangsomwet [12] . In de memorie van toelichting bij deze wet werd opgemerkt [13] :
onder aweergegeven betoog, dat is gericht tegen de wijze waarop de Gemeente in haar (hiervóór onder 1.12 genoemde) brief van 16 april 2004 een verdere opschorting van de begunstigingstermijn van voorwaarden afhankelijk stelde, faalt, reeds omdat nadere beslissingen over de begunstigingstermijn zijn op te vatten als appellabele besluiten, welke besluiten de burgerlijke rechter, zolang zij niet zijn vernietigd, dan wel zijn herroepen op gronden die de onrechtmatigheid van die besluiten impliceren, voor rechtmatig moet houden.
onder bvermelde betoog geldt, dat het hof zich onmiskenbaar rekenschap heeft gegeven van de door de Gemeente in het verleden gevolgde gedragslijn om, in situaties waarin de overtreding na het aflopen van de begunstigingstermijn was beëindigd, veelal van het innen van de daarvoor verbeurde dwangsommen af te zien. Ik verwijs daarvoor allereerst naar het in rov. 3.2 onder b uitvoerig geciteerde ambtelijke advies, dat onder meer vermeldt:
“veelal”, maar slechts
onder bijzondere omstandighedensprake te zijn. Ook hetgeen in de geciteerde passage als ratio voor de kennelijk ruimhartiger gedragslijn wordt aangevoerd, overtuigt niet. Het moge zo zijn dat de bedoelde ruimhartigheid aan het draagvlak voor de gemeentelijke handhaving (met name onder - potentiële - overtreders) bijdraagt, maar daarmee is een grotere effectiviteit van die handhaving niet gegeven. Wat van dit alles ook zij, aan de klacht van BBI ligt de op zichzelf juiste gedachte ten grondslag dat zij aan de bedoelde beleidslijn in beginsel gelijke aanspraken kan ontlenen als andere overtreders. Het hof heeft zulks echter niet miskend. Zich kennelijk bewust zijnde dat de Gemeente goede grond moest hebben om ten aanzien van BBI van de bedoelde gedragslijn af te wijken, heeft het hof in rov. 4.7, vierde volzin, overwogen dat
“(u)it het (…) besluit van 14 oktober 2004 blijkt dat de gemeente in het onderhavige geval van oordeel was dat de omstandigheden van het geval maakten dat de verbeurde dwangsom (ondanks de verwijdering van de loods) geïnd kon worden”, en voorts, in de vijfde volzin, dat:
“(…) niet valt in te zien dat de gemeente met deze (op argumenten gestoelde) handelwijze (…) in strijd met het recht - waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - heeft gehandeld (…)”.
“stok achter de deur”te hanteren. Veeleer valt de betrokken passage op te vatten als kanttekening dat, alhoewel BBI
nietvalt binnen de termen waaronder overeenkomstig het gemeentelijke beleid van invordering van de verbeurde dwangsommen kan worden afgezien (en alhoewel derhalve in beginsel tot inning van de verbeurde dwangsommen moet worden overgegaan), naar aanleiding van de lopende en mogelijk toekomstige besprekingen wellicht alsnog van invordering zou kunnen worden afgezien.
“veelal”niet tot inning van verbeurde dwangsommen over te gaan) minder juist achten, maar het verwijt dat de Gemeente zich, aldus handelende, jegens BBI aan misbruik van recht en strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft schuldig gemaakt, treft geen doel. Daarbij moet onder meer worden bedacht dat, voor zover al kritiek op de gemeentelijke bevoegdheidsuitoefening mogelijk is, als “richtige” bevoegdheidsuitoefening veeleer een onverwijlde inning van de verbeurde dwangsommen dan het - na uitstel - alsnog afzien van die inning aangewezen zou zijn geweest. In dat licht falen ook de hiervóór (in 2.9)
onder c en dweergegeven argumenten dat de invordering afhankelijk is gesteld van verplaatsing van de gehele fabriek en dat de invorderingsbevoegdheid niet mocht worden benut voor beïnvloeding van de lopende besprekingen.
onder eweergegeven betoog dat verplaatsing van de fabriek lange tijd niet mogelijk was omdat door toedoen van de Gemeente geen MER voor De Driehoek gereed was, stuit af op de overweging dat niet valt in te zien
“dat de gemeente redelijkerwijs gehouden was verdere coulance te betrachten”. Of de vertraging van de verplaatsing van het bedrijf (grotendeels) aan de Gemeente kan worden toegeschreven, heeft het hof kennelijk niet van belang geacht; wél dat de weinig constructieve opstelling van [betrokkene 1] bij de ontwikkeling van De Driehoek de Gemeente in elk geval geen aanleiding tot coulance gaf. Het hof overwoog:
onder fweergegeven argument dat pas vier jaar na de verbeurte van de dwangsom tot invordering daarvan is besloten, heeft het hof in rov. 4.7 terecht overwogen dat het de Gemeente in beginsel vrijstond de invordering van verbeurde dwangsommen te stuiten en aan te houden (naar ik aanneem heeft het hof hier bedoeld: de invordering van verbeurde dwangsommen aan te houden en de verjaring van de bevoegdheid tot invordering te stuiten) en voorts geconstateerd dat
“de gemeente in haar stuitingsbrieven telkens heeft herhaald dat de verbeurde dwangsommen dienden te worden betaald”. Dat een verbeurde dwangsom met vertraging wordt ingevorderd, doet overigens niet noodzakelijkerwijs afbreuk aan de door het onderdeel bedoelde werking van een opgelegde dwangsom als prikkel tot herstel van een overtreding. Zoals hiervóór (onder 2.10) reeds aan de orde kwam, is het met het oog op de effectiviteit van de bestuurlijke dwangsom van belang dat zij, als zij is verbeurd, op enig moment (ook al is dat nadat de overtreding reeds ongedaan is gemaakt) daadwerkelijk wordt ingevorderd. Ook in het licht van het onder f genoemde argument vormt de litigieuze invordering derhalve geen misbruik van recht en is zij evenmin in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
onder gweergegeven argument dat de Gemeente op grond van de overeenkomst uit 2005 haar bevoegdheid tot handhaving heeft opgeschort, kan evenmin tot cassatie leiden. De overeenkomst uit 2005 zag slechts op het (vooralsnog) niet handhavend optreden tegen de aanwezigheid van de betonfabriek in de ten tijde van die overeenkomst bestaande omvang, in welk verband de Gemeente zich overigens het recht had voorbehouden om, afgezien van hetgeen overigens in de overeenkomst wordt geregeld, handhavend op te treden indien de omvang van de betonfabriek ten opzichte van de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestaande situatie wordt vergroot. Wel of niet handhavend optreden ten aanzien van de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst uit 2005 bestaande situatie is in de onderhavige procedure niet aan de orde. In de onderhavige procedure is slechts de invordering van een dwangsom aan de orde die is verbeurd vanwege een illegale en in strijd met uitdrukkelijke afspraken (en ondanks een herhaalde waarschuwing) reeds in het verleden gerealiseerde uitbreiding, die ten tijde van de overeenkomst uit 2005 al ongedaan was gemaakt. Het getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is niet onbegrijpelijk dat het hof ter zake in rov. 4.7 reeds beslissend heeft geacht dat in de overeenkomst van 2005 geen afspraken zijn gemaakt over de inning van de dwangsom die betrekking heeft op de grote loods. Ten aanzien van de kleine loods was dat naar het oordeel van het hof anders, omdat die kleine loods ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in 2005 nog aanwezig was en derhalve behoorde tot de in die overeenkomst bedoelde
“huidige omvang”van de betononderneming, die de Gemeente voorshands zou (blijven) gedogen.
onder hweergegeven argument dat met het invorderen van de dwangsom geen redelijk belang is gediend nu op grond van de overeenkomst uit 2005 het belang van de Gemeente bij herstel van de agrarische bestemming reeds afdoende was gewaarborgd, kan evenmin tot cassatie leiden. In de eerste plaats geldt dat de litigieuze dwangsom geen betrekking had op het herstel van de agrarische bestemming waarop de overeenkomst uit 2005 ziet, maar op het ongedaan maken van een eerder illegaal en in strijd met uitdrukkelijke afspraken (en ondanks een herhaalde waarschuwing) gerealiseerde uitbreiding, die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst uit 2005 al ongedaan was gemaakt. In de tweede plaats geldt dat, zoals hiervóór (onder 2.10) reeds aan de orde kwam, het (anders dan bij wijze van uitzondering en onder bijzondere omstandigheden) niet invorderen van een verbeurde dwangsom de effectiviteit van dat handhavingsinstrument zou aantasten en dat zelfs het feit dat de betrokken overtreding (zij het eerst na ommekomst van de begunstigingstermijn) al ongedaan is gemaakt, daarom in beginsel geen grond biedt om van invordering af te zien. Dit laatste geldt a fortiori, indien de betrokken overtreding nog niet is beëindigd, maar er al wel zicht op beëindiging bestaat, zoals in het geval dat de overtreder zich contractueel tot beëindiging heeft verbonden.
(h)oewel de overeenkomst uit 2005, in afwijking van de eerder gesloten overeenkomst uit 2001 (…) betrekking heeft op volledige ontwikkeling van De Driehoek, (…) het scheppen van de planologische mogelijkheid tot verplaatsing van BBI naar De Driehoek voor BBI het primaire doel van de overeenkomst (is) gebleven (…)”.
“Selectieve handhaving”en het besluit van 26 mei 1999 tot verlening van een generaal pardon niet goed heeft begrepen (randnummer 121);
“Selectieve handhaving”, nu immers in rov. 4.8 niet naar deze nota wordt verwezen, terwijl uit die nota blijkt dat vóór 1995 van een formeel handhavingsbeleid geen sprake was en in het buitengebied ad hoc werd gehandhaafd (randnummers 121 en 122);
“Selectieve handhaving”, de geloofwaardigheid van het handhavingsbeleid van de Gemeente ter discussie heeft willen stellen, nu het onderdeel niet vermeldt dat en waar BBI in appel stellingen van die strekking zou hebben geponeerd. In de memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft BBI onder 13 slechts betoogd dat met de genoemde nota in 1995 een formeel handhavingsbeleid werd ingezet,
“waar het in de jaren daarvoor is blijven steken in het ad hoc aanpakken van excessen, veelal op basis van subjectieve overwegingen”; voorts heeft BBI op de aangegeven plaats aangevoerd de genoemde nota te hebben overgelegd
“ter verduidelijking van de reden voor het nemen van een besluit tot het geven van een generaal pardon”. Het bedoelde pardon was, naar in cassatie vaststaat, beperkt tot bouw- en gebruiksovertredingen die vóór 1 januari 1988 waren ontstaan. De litigieuze dwangsommen zijn verbeurd ter zake van loodsen, die, naar het hof in rov. 4.8 heeft vastgesteld, eerst na 1989 zijn gerealiseerd [22] en derhalve buiten het bereik van het bedoelde pardon vielen. Voor zover BBI zou menen dat de Gemeente desondanks op grond van het generaal pardon (en op grond van de ontwikkelingen die tot dat pardon hebben geleid) niet handhavend met betrekking tot die loodsen had mogen optreden, geldt ten slotte dat zij zulks had moeten geldend maken door de haar ten dienste staande bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen de oplegging van de last onder dwangsom aan te wenden en dat, nu zij dat heeft nagelaten en aan die last formele rechtskracht toekomt, zij een en ander niet meer in een geding voor de burgerlijke rechter aan de orde kan stellen.
“Selectieve handhaving”, die bij de in rov. 2.1 genoemde memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, tevens inhoudende akte tot het overleggen van nadere producties en een verzoek tot het gelasten van een comparitie, is overgelegd. Uit de enkele omstandigheid dat het hof die nota niet in rov. 4.8 heeft genoemd, kan niet worden afgeleid dat het hof van de inhoud daarvan geen kennis heeft genomen, zeker niet nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het hof in rov. 4.8 uitdrukkelijk op die nota had moeten ingaan.