Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
€ 1.523,- netto per maandbedraagt [3] . In rov 4.3 van de bestreden beschikking heeft het hof na verwijzing vooropgesteld dat de vrouw een behoefte heeft van
€ 1.523,- netto per maand. Het hof is derhalve uitgegaan van een nettobehoefte van de vrouw, exact gelijk aan die welke tussen partijen reeds in confesso was. In zoverre mist de man belang bij de klacht dat het hof na verwijzing heeft geoordeeld over een punt dat niet aan zijn oordeel was onderworpen.
€ 1.760,93 bruto per maandbedraagt, is onjuist. Het in confesso zijnde nettobedrag van € 1.523,- is als zodanig niet eerder in de onderhavige procedure gebruteerd; het enige bedrag dat door (de rechtbank en) het hof ’s-Gravenhage is gebruteerd, is het (door de rechtbank en dat hof) berekende verschil tussen de maandelijkse nettobehoefte van de vrouw van € 1.523,- en het (door de rechtbank en dat hof - overigens op basis van een salarisspecificatie van april 2004 - in aanmerking genomen) nettosalaris van de vrouw van € 575,- per maand, welk verschil € 948,40 netto [4] (= € 1.104,- bruto) bedraagt. Het hof, dat in de bestreden beschikking het in confesso zijnde bedrag van de nettobehoefte van de vrouw als eerste heeft gebruteerd, kan naar mijn mening in zoverre niet worden verweten te hebben geoordeeld over een punt dat niet aan zijn oordeel was onderworpen, wat overigens ook zij van de wijze waarop het hof die brutering heeft uitgevoerd en het door het middel bedoelde verschil tussen de door het hof berekende uitkomst van die brutering en de kennelijk door de man zelf, uitgaande van het brutosalaris van de vrouw en het brutobedrag van de volgens de rechtbank en het hof ’s-Gravenhage benodigde aanvulling, berekende brutobehoefte. Daarbij teken ik nog aan dat de rechter niet verplicht is alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens hij gebruik heeft gemaakt [5] .
middel 4heeft het hof ten onrechte, althans onjuist c.q. onvoldoende gemotiveerd, een uitspraak gedaan over de terugvorderbaarheid van de destijds onverschuldigd betaalde partneralimentatie, nu die terugvorderbaarheid immers (nog) geen geschilpunt tussen partijen was. Het hof zou in een tussenbeschikking uitspraak hebben kunnen doen over de verschuldigde partneralimentatie en partijen nader hebben kunnen horen over hun visie en argumenten ter zake van de terugvordering of verrekening van de onverschuldigd betaalde partneralimentatie. Door dit na te laten heeft het hof een uitspraak gedaan over een onderwerp dat (nog) geen geschilpunt was.
“van de vrouw (…) in redelijkheid niet (kan) worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.”
“een dergelijke uitkering(waarmee het hof kennelijk heeft bedoeld: een uitkering tot levensonderhoud)
van maand tot maand pleegt te worden verbruikt”.
nabetalen [20] , met welke nabetaling een substantieel hoger bedrag was gemoeid [21] dan met de (naar mag worden aangenomen: van maand tot maand betaalde) termijnen van 22 februari 2006 tot 1 mei 2007 [22] . Voor die nabetaling (die ook méér bedraagt dan hetgeen de man teveel aan de vrouw heeft betaald, indien hij de beschikking van het hof ’s-Gravenhage van 22 februari 2006 tot 1 mei 2007 daadwerkelijk heeft nageleefd [23] ) gaat de kennelijke veronderstelling van het hof dat zij van maand tot maand zal zijn verbruikt, in geen geval op. Tegenover het feit dat de vrouw (als gevolg van de beschikking van het hof Amsterdam) een bedrag zou moeten terugbetalen, staat dat zij (als gevolg van de beschikking van het hof ’s-Gravenhage) over een periode in het verleden een substantiële (en niet van maand tot maand te verbruiken) nabetaling ineens heeft ontvangen, die het te restitueren bedrag zelfs nog overtreft.
zonder meer; de Hoge Raad spreekt daarin van uitgeven in overeenstemming met de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan levensonderhoud; zie bijvoorbeeld HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4757, NJ 2008/27: