Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte bij afwezigheid van de verdachte de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting heeft voortgezet, terwijl uit het dossier voldoende duidelijk bleek dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep niet is betekend op het adres waarop de verdachte ten tijde van de behandeling van het hoger beroep stond ingeschreven in de GBA.
NJ2004/607. Daarin heeft de Hoge Raad de staf gebroken over het kennelijke oordeel van het hof dat er geen reden bestond om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Ook in die zaken was, nadat de appeldagvaarding wegens onbekendheid van het adres van de verdachte aan de griffier was betekend, vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting alsnog een adres van de verdachte bekend geworden waarop hij in de GBA was ingeschreven. In die gevallen had het hof echter blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en zijn arrest zelf vastgesteld dat alsnog een GBA-adres van de verdachte bekend was geworden.
NJ2015/75 was na de terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in het ziekenhuis verbleef en om die reden verhinderd was op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen. Ook in deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien, voor onjuist moest worden gehouden. De Hoge Raad benadrukte in dat verband het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
NJ2006/160. In die zaak was de appeldagvaarding uitgereikt aan de griffier omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Uit het aan de aanzegging in cassatie gehechte GBA-overzicht bleek echter dat na de betekening van de appeldagvaarding doch vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting alsnog een adres van de verdachte bekend was geworden waarop de verdachte in de GBA was ingeschreven. Mijn voormalig ambtgenoot Jörg concludeerde ambtshalve tot vernietiging van het arrest van het hof wegens (kort gezegd) schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte, omdat dit GBA-adres niet door een zogenaamde VIP-controle aan het hof bekend was geworden, terwijl die controle vlak voor de zitting nog had moeten worden uitgevoerd. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand onder verwerping van het cassatiemiddel. Nu het middel slechts klaagde over de betekening van de appeldagvaarding, kunnen aan de afwijking van de conclusie van de advocaat-generaal naar mijn mening geen verstrekkende gevolgtrekkingen worden verbonden. [13]
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte de door de verdachte in zijn “bezwaarschrift” van 21 september 2012 genoemde zienswijze en persoonlijke omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten.