Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
€ 2.100
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
Op de conclusie van de rechtbank valt mijns inzien wel wat af te dingen. De gift met tegenprestatie wordt in deze uitspraak als het ware gesplitst in een koopdeel (voor € 210.000) en een schenkingsdeel (met een WOZ-waarde van € 48.000). Civielrechtelijk is een verkrijging op grond van een tweeledige oorzaak (koop en schenking) achterhaald. Dit dient mijns inziens tevens als vertrekpunt voor zowel de schenk-, als de overdrachtsbelasting te gelden, waarin het civiele recht immers ‘leidend’ is zolang daarvan niet expliciet wordt afgeweken.
Het ‘samenstel van rechtshandelingen’ speelt hier nog op een ander niveau en wel bij de toepassing van art. 24, lid 2, SW 1956: verrekenen van overdrachtsbelasting met schenkbelasting. Ook als er geen sprake is van een schenking van een onroerende zaak, maar van een gedeelte van een koopsom (kwijtschelding), mag – bij voldoende samenhang – de schenkbelasting voor deze verrekenfaciliteit toegerekend worden aan de bakstenen. Hier is het onderscheid koop of schenking derhalve niet zo strikt. Mooier dan collega Stubbé in FBN 2013, nr. 38, kan ik het overigens niet zeggen: ‘Het is ook behoorlijk irritant voor de betrokkenen en dan bedoel ik niet de belastingheffing als zodanig, maar het idee dat een wettelijke anticumulatieregeling als argument wordt gebruikt om méér belasting te kunnen heffen!’.