ECLI:NL:PHR:2015:35

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2015
Publicatiedatum
2 februari 2015
Zaaknummer
14/05047
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a RvArt. 288 lid 2 sub d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad

De rechtbank Noord-Holland wees het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af omdat de regeling minder dan tien jaar eerder was toegepast. Het gerechtshof Amsterdam bevestigde dit vonnis in hoger beroep. Verzoekster kwam vervolgens tijdig in cassatie bij de Hoge Raad, maar het cassatieverzoekschrift was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 426a lid 1 Rv.

De Hoge Raad oordeelt dat dit gebrek in principe leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Wel is herstel mogelijk indien binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift een advocaat bij de Hoge Raad een getekend exemplaar indient. De griffie wees verzoekster hierop, maar herstel bleef uit.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De zaak leent zich voor een verkorte conclusie. De eis van verplichte vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad is niet in strijd met Europees mededingingsrecht, zoals bevestigd in eerdere arresten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad op het verzoekschrift en het uitblijven van herstel.

Conclusie

14/05047
Mr. L. Timmerman
Zitting: 23 januari 2015
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 19 augustus 2014 het verzoek van verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De afwijzing is ex art. 288 lid 2 sub d Fw Pro gebaseerd op de grond dat minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest.
2. [verzoekster] is van voornoemd vonnis bij het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep gekomen.
3. Bij arrest van 30 september 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
4. [verzoekster] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 8 oktober 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
5. Voornoemd verzoekschrift is ondertekend en ingediend door mr. S. Akkas, advocaat te Haarlem. Mr. Akkas is echter geen advocaat bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, ingevolge welke bepaling beroep in cassatie wordt ingesteld bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek brengt in beginsel mee dat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
6. Bij arrest van 10 juli 2009 [1] heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen, kan worden hersteld doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. In dat geval zal als de dag waarop de zaak is aangebracht gelden de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.
7. In casu heeft de griffie van de Hoge Raad bij brieven van 15 oktober 2014 en 24 december 2014 mr. Akkas op voornoemde herstelmogelijkheid gewezen. De termijn van twee weken is echter verstreken zonder dat herstel heeft plaatsgevonden, zodat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
8. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773. Naderhand bevestigd in HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1009; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586; HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9887; HR 7 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6713; HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2239; HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3710; HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:269. In het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2012 is tevens uitgemaakt dat de eis van in cassatie wettelijk verplichte vertegenwoordiging van partijen door een advocaat bij de Hoge Raad ex art. 426a lid 1 Rv niet in strijd is met het Europese mededingingsrecht.