Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van het onderdeel ‘van enig misdrijf afkomstig’.
- geldbedragen en
-personenauto’s, te weten een BMW X5 en een Mini Cooper heeft verworven en voorhanden gehad, althans telkens van genoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.”
- Zij woont samen met medeverdachte en ze hebben samen drie kinderen.
- Zij heeft geen inkomsten. Zij leeft van de inkomsten van medeverdachte. Zij weet dat hij inkomsten heeft uit [A] en onroerend goed.
- Zij heeft in het begin werkzaamheden verricht voor het bedrijf [A] . Zij weet dat het gaat om de verkoop van kweekbenodigdheden. Er is geen bedrijfspand meer en er is geen website.
- Zij weet niet waar de contante bedragen vandaan komen waarmee auto's zijn gefinancierd (€ 38.000 contant voor een BMW X5 in 2005, € 16.000 contant voor een Golf in 2005 en € 20.000 contant voor een Mini Cooper in 2007).
- Zij een contante betaling van € 38.000 niet ongebruikelijk vindt.
- Zij weet dat de Mini Cooper voor een deel contant is betaald.
- Zij maakte gebruik van de BMW.
- Zij weet dat medeverdachte eerder is aangehouden in verband met overtreding van de Opiumwet (uit het dossier blijkt dat dit in 2005 was).
(…)
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.”
(ii) de medeverdachte heeft geen informatie over zijn afnemers willen geven en ook geen verkoopadministratie bijgehouden, waardoor de afnemers niet zijn getraceerd;
(iii) de medeverdachte maakte hoge winsten, omdat hij de spullen naar de kopers toe bracht. Daardoor hoefden de klanten niet zelf naar een ‘growshop’ te gaan, waar zij gezien zouden kunnen worden;
(iv) de medeverdachte ontving contante bedragen voor de verkoop van kweekbenodigdheden, waardoor de afnemers ook niet via de betalingen waren te traceren;
(v) naar aanleiding van een anonieme tip is een hennepplantage aan de [a-straat 1] te Lelystad aangetroffen. Volgens de eigenaar werd in de woning sinds 2004 hennep gekweekt en zou de medeverdachte bij die hennepkwekerij betrokken zijn.
tweede middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Namens de verdachte is op 1 oktober 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 20 juni 2014 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Daarmee is de inzendtermijn overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn in de onderhavige zaak moet leiden tot strafvermindering. [17]