Conclusie
middelwordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard omdat “de beantwoording (in de aanvullende verklaring van Capone) van de door de rechtbank gestelde vragen 1 en 2 […] onvolledig” is. “Daardoor is het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende duidelijkheid is verschaft omtrent de rol van [betrokkene] in deze zaak […] zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet zonder meer begrijpelijk.”
Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar ter zake van de verdenking van de strafbare feiten als omschreven in het verzoek tot uitlevering van 7 augustus 2014.”
risicoop een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 lid 1 EVRM Pro toekomend recht. Met andere woorden: een beroep op een reeds voltooide inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM Pro is niet aan het oordeel van de uitleveringsrechter maar aan de Minister van Veiligheid en Justitie. [2] Aan de inhoudelijke beoordeling van het verweer, dat sprake is van een reeds voltooide en niet te repareren schending van artikel 6 EVRM Pro, had de uitleveringsrechter dus niet mogen toekomen.