Conclusie
eerste middelwordt geklaagd dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 5 en Pro art. 6 EVRM Pro heeft geoordeeld dat de verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon 2] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar is “zonder dat was gewaarborgd dat de opgeëiste persoon zich op behoorlijke wijze tegen de verzochte uitlevering kon verdedigen”. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het gaat om de reeds in de jurisprudentie beantwoorde vraag of het Uitleveringsbesluit voldoet aan een ‘wettelijk voorgeschreven procedure’ zoals bedoeld in art. 5 lid 1 onder Pro f EVRM. Gesteld wordt dat de procedure van het Uitleveringsbesluit te summier is om minimale waarborgen te bieden voor een eerlijk proces en daaruit onvoldoende kenbaar wordt welke rechten de verdediging tijdens de uitleveringsprocedure heeft.
tweede middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat [de opgeëiste persoon 2] het slachtoffer is geworden van een (flagrante) schending van art. 6 EVRM Pro en dat de aanmerkelijke kans bestaat dat hij in de Verenigde Staten geen eerlijk proces krijgt als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM Pro omdat tegen deze inbreuk geen rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM Pro openstaat.
6. Beoordeling
CONCLUSIE EN ADVIES
risicovan flagrante schending van art. 6 EVRM Pro. Ik heb hier het woord risico onderstreept omdat de vraag of er daadwerkelijk en uiteindelijk sprake zal zijn van een schending van art. 6 EVRM Pro zoals hiervoor weergegeven in principe ter beoordeling van de rechter van de aangezochte staat is. Bij de beoordeling of dat risico reëel is, moeten er twee hordes worden genomen. In de eerste plaats moet blijken dat er een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM Pro dreigt en in de tweede plaats moet komen vast te staan dat een effectief rechtsmiddel ontbreekt. [10] Van een risico op een flagrante inbreuk op enig ingevolge artikel 6 EVRM Pro aan de opgeëiste persoon toekomend recht is dus pas sprake als de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel tot zijn beschikking heeft een dergelijke schending af te wenden. [11]
derde middelstelt aan de orde dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek of ambtshalve nader onderzoek te doen naar de door de raadsman van [de opgeëiste persoon 2] gestelde reeds voltooide schending van art. 6 EVRM Pro.