Conclusie
3.Het eerste middel
of omstreeks14 juli 2011 te Rhoon, gemeente Albrandswaard met het oogmerk om zich
en/of (een) ander(en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en
/ofvan een valse hoedanigheid
en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (240 euro),
in elk geval enig goed,hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven— valselijk
en/of listiglijk en/of bedrieglijk en
/ofin strijd met de waarheid op de internetsite Marktplaats.nl heeft voorgedaan als bonafide verkoper van Iphones, en
/ofwaarbij hij, verdachte, zich heeft voorgedaan als
[verdachte] en/of[verdachte]
en/of [verdachte], en/ofwaarbij hij, verdachte
(telkens)met [betrokkene 1] heeft afgesproken dat zij de koopsom moest overmaken naar een door hem, verdachte, opgegeven en aan hem, verdachte, toebehorend rekeningnummer, waarna hij, verdachte, de goederen naar voornoemde [betrokkene 1] zou verzenden, waardoor voornoemde [betrokkene 1] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte;
of omstreeks29 augustus 2011 te Amsterdam met het oogmerk om zich
en/of (een) ander(en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en
/ofvan een vals hoedanigheid
en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[betrokkene 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (449, 50 euro),
in elk geval van enig goed,hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven- valselijk
en/of listiglijk en/of bedrieglijken
/ofin strijd met de waarheid zich op de internetsite Marktplaats.nl heeft voorgedaan als bonafide verkoper van Iphones, en
/ofwaarbij hij, verdachte, zich heeft voorgedaan als [verdachte]
en/of [verdachte]en
/of[verdachte],
en/ofwaarbij hij, verdachte
(telkens)met [betrokkene 2] heeft afgesproken dat hij, [betrokkene 2], de koopsom moest overmaken naar een door hem, verdachte, opgegeven en aan hem, verdachte, toebehorend rekeningnummer, waarna voornoemde [betrokkene 2] het goed kon ophalen
bij GSM&zo, waardoor voornoemde [betrokkene 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”
4.Het tweede middel
Feit 2: Oplichting [betrokkene 2] te Amsterdam
“(…) door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid [betrokkene 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (…)”.De ook in art. 326 lid 1 Sr Pro voorkomende woorden “door” en “heeft bewogen tot” vereisen (inderdaad) een causaal verband tussen het door de verdachte gebruikte oplichtingsmiddel en de daaropvolgende handelingen van de opgelichte persoon. Maar wat houdt dat causale verband in? Het betekent in ieder geval niet dat de handelingen van de opgelichte persoon niet zouden zijn gepleegd als de oplichtingsmiddelen niet waren ingezet. [8] De ’valsheid’ van de naam, of de hoedanigheid in art. 326 Sr Pro moet als zodanig niet als ‘condicio sine qua non’ worden aangemerkt. Als dat wel vereist zou zijn, zou het bewijzen van de causaliteit veelvuldig problemen opleveren wanneer een verdachte bijvoorbeeld het oplichtingsmiddel “valse naam” gebruikt. [9] Of een verkoper zich nu Jan of Piet noemt, is immers voor een potentiële koper (meestal [10] ) niet doorslaggevend bij zijn afweging of hij de verkoper vertrouwt en met hem of haar in zee wil gaan. Een enigszins vergelijkbaar geval deed zich mijns inziens voor in HR 19 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1526, NJ 1992/124. De Hoge Raad oordeelde dat iemand die met gestolen pas en ontfutselde pincode geld uit een automaat haalt, de bank ‘beweegt’ tot afgifte van geld door listige kunstgrepen. Ik meen dat daaruit afgeleid kan worden dat ook de Hoge Raad meent dat de ‘valsheid’ van het oplichtingsmiddel niet als een ‘condicio sine qua non’ moet worden aangemerkt. Niet gezegd kan immers worden dat als de pas niet gestolen was en de pincode niet ontfutseld was, maar gewoon toebehoorden aan de persoon in kwestie die het geld uit de automaat haalde, de bank het geld niet afgegeven zou hebben. Integendeel; dat is de normale gang van zaken bij afgifte van geld uit een geldautomaat.
5.Het derde middel
“Verbalisant: U bekent dus de aangevers doelbewust te hebben opgelicht? Verdachte: dat klopt.”
doelbewusthandelde, dat wil zeggen opzettelijk. De term “oplichting” is daarom mijns inziens niet kwalificatief bedoeld. Van een ongeoorloofde vraag dan wel antwoord is dan ook geen sprake.