Conclusie
3.Het middel en de bestreden uitspraak
4.Détournement de pouvoir?
In dat oordeel ligt besloten dat de betrokken politieambtenaren deze bevoegdheid - in ieder geval mede - hebben uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde voorschriften als bedoeld in het vierde lid van art. 160 WVW Pro 1994.
Ook indien deze stelling juist zou zijn, kan daaruit immers niet worden afgeleid dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel, te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen, dan waarvoor deze is verleend.” [1]
(…)
5.Een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv?
an sich)niet blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk. Het middel klaagt hierover dus onterecht. Maar zelfs als men dat anders zou zien is de boordeling van het (veronderstelde) vormverzuim aan de hand van de in art. 359a Sv besloten liggende factoren niet ‘verkeerd’. Ik merk daartoe op dat de omstandigheid dat het in casu begane verzuim bij de uitoefening van de controlebevoegdheid van art. 160 WVW Pro 1994 niet onder het toepassingsbereik van art. 359a Sv valt, nog niet betekent dat daaraan door de strafrechter geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Ik verwijs in dit verband naar de daarop betrekking hebbende overweging uit het Zwolsman-arrest (NJ 1996/249), alsook naar het meer recente arrest HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2814, NJ 2013/415 [16] , waaruit volgt dat ook verzuimen begaan buiten het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv tot een rechtsgevolg als bewijsuitsluiting kunnen leiden. Daarover zegt Kuiper: