Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Relevante wet- en regelgeving, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur inzake fraus legis en overdrachtsbelasting
BNB1964/180 nog wordt getoetst of belastingverijdeling de ‘enige beweegreden’ is, wordt dit later in HR 27 december 1967,
BNB1967/80 (en ook in later jurisprudentie) afgezwakt door voldoende te achten dat belastingverijdeling de ‘doorslaggevend beweegreden’ is. Hiermee is naar mijn mening bedoeld dat, bij weging van de beweegredenen die hebben geleid tot het samenstel van rechtshandelingen, het verijdelingsmotief in overgrote mate ten grondslag moet hebben gelegen aan het samenstel van rechtshandelingen.
BNB2005/169. In die zaak stond vast dat er om zakelijke redenen een acquisitie was gepleegd bij derden. Volgens de Hoge Raad is er in dat geval altijd sprake van een zakelijke lening. Daaraan doet niet af, zoals in het desbetreffende geval, dat er voldoende vermogen in het concern aanwezig is om de acquisitie uit eigen gelden te financieren of de omstandigheid dat de geldlening bij een concernvennootschap (in het buitenland) is aangegaan. Het betoog van de inspecteur en de Staatssecretaris van Financiën dat de gekozen route uitsluitend fiscaal is geïndiceerd, vond de Hoge Raad dus niet van belang.
fraus legis,stelt bepaalde grenzen aan de mogelijkheid door juridische omgeving (en feitelijk handelen) fiscale verplichtingen te verminderen met een beroep op de (geïnterpreteerde) tekst van de belastingwetgeving. Er is sprake van handelen in
fraudem legis,indien een belastingplichtige zich bedient van een uitsluitend, althans overwegend, met het oog op de fiscale gevolgen gekozen zodanige vormgeving, dat de door de belanghebbende gewenste fiscale gevolgen op grond van de geïnterpreteerde belastingwetgeving moeten intreden, hoewel die vormgeving in strijd is met doel en strekking van de wet. Er gelden dus twee toepassingsvoorwaarden. De eerste voorwaarde is dat sprake moet zijn van strijd met doel en strekking van de wet. De tweede voorwaarde is dat belastingverijdeling de doorslaggevende beweegreden is geweest. De beide toepassingsvoorwaarden, het ontgaansmotief en strijd met doel en strekking van de wet, zijn cumulatief. Pas als aan beide toepassingsvoorwaarden is voldaan, is sprake van
fraus legis.Er is geen ruimte voor toepassing van
fraus legisals feitelijk aannemelijk is dat belanghebbende beschikte over een zakelijk motief van meer dan bijkomstige betekenis. Van
fraus legiskan (uiteraard) evenmin sprake zijn indien rechtens geldt, dat niet is gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet. Aan toepassing van
fraus legiswordt niet toegekomen indien aan het gewraakte ontgaan reeds met behulp van interpretatie een halt kan worden toegeroepen. Als de wetgever zelf al heeft voorzien in bepaalde sancties op het ontgaan van belasting, beperkt dat de mogelijkheid van toepassing van het algemene leerstuk
fraus legis.
fraudem legis, wordt de gekozen vormgeving zodanig geconverteerd (geherkwalificeerd), dat belastingheffing (wel) kan plaatsvinden in overeenstemming met doel en strekking van de desbetreffende wetgeving. Conversie kan mede omvatten het negeren van rechtshandelingen. Fiscale herkwalificatie, ook genaamd: conversie of substitutie, is dus het gevolg van de constatering dat er sprake is van
fraus legis. (…)
fraus legis
fraus legis-regel. Slechts fiscaal gemotiveerde tussenstappen zonder eigen niet-fiscale functie, kunnen een belanghebbende in de risicosfeer van
fraus legisbrengen, ondanks de aanwezigheid van ook een zakelijk niet-fiscaal doel. (…)
fraus legiswordt echter gekeken naar het gehele samenhangende complex van (rechts)handelingen en de daaraan in totaal te ontlenen motieven.
fraus legiskan worden ontkomen.
Relevante wet- en regelgeving, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur inzake bevoegdheidsgebreken in fiscale zaken
6.Inleidende opmerkingen over de toepassing van fraus legis in casu
7.Beoordeling van de middelen
eigenaarwas van 97,22% [84] van de aandelenin [E] B.V. en [F] B.V., [C] B.V. was echter direct na de fusie, middels het gestorte agio, voor 90,3% (aldus naar rato van het gestorte kapitaal) [85] gerechtigd tot het vermogenvan [B] B.V., waaronder zich bevonden alle middellijk door [B] B.V. gehouden onroerende zaken.
aannemelijk isdat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld’.