Conclusie
1.Overzicht
dividend strippingin strijd met doel en strekking van art. 25(2) Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb). Het Hof heeft niet de belanghebbende, maar niet-geïdentificeerde buitenlandse wederpartijen aangemerkt als uiteindelijk gerechtigd tot Nederlands dividend. De belanghebbende heeft daarom volgens het Hof geen recht op verrekening van de ingehouden dividendbelasting. De belang-hebbende bestrijdt dat oordeel, maar ook de Staatssecretaris is niet tevreden, onder meer omdat hij meent dat lid 1 van art. 25 Wet Pro Vpb verrekening al verhindert: het dividend valt zijns inziens niet in belanghebbendes belastbare Vpb-grondslag.
cumdividend gekocht van Amerikaanse zakenbanken en die aandelen op belanghebbendes naam doen registreren. Tegelijk heeft die buitenlandse zuster
futuresop evenveel dezelfde aandelen aan die verkopers terugverkocht voor de waarde
exdividend met een opslag ad 8 à 12% van het brutodividend. De fiscus weigert verrekening van de ingehouden dividendbelasting omdat de belanghebbende zijns inziens niet uiteindelijk gerechtigd is tot het dividend in de zin van art. 25(2) Wet Vpb.
fraus legisworden toegepast?
cum-deel van de prijs die belanghebbendes groep betaalt voor een
longpositie? Of in de ex-prijs van de
futuresdie belanghebbendes groep tegelijk heeft verkocht?
cumdividend verkocht minder verrekeningsgerechtigd was? Rechtvaardigt de kennelijke inprijzing van het verrekeningsrecht in de prijs van de
futures– behoudens tegenbewijs – het oordeel dat de koper van die
futuresin een ongunstiger verrekeningspositie verkeerde?
futures? Moet daarvoor de identiteit van de aandelenverkopers en van de
futureskopers worden vastgesteld?
overkill, moet dan toch verrekening geweigerd worden als in concreto misbruik blijkt, nu de EU-lidstaten verplicht zijn om misbruikelijk beroep op EU-recht af te wijzen?
futuresbetaalt boven de
ex-waarde van de aandelen, maar ook dan is er ‘een tegenprestatie’ omdat ook dan een prestatie tegenover het dividend staat. De omvang ervan doet niet ter zake zolang zij significant is en verband houdt met (de omvang van) het dividend. De vraag is nog wel wie de tegenprestatie levert: de belanghebbende of de buitenlandse groepsvennootschap.
Market maker-arrest HR
BNB2001/196 volgt dat opbrengstgerechtigden in belanghebbendes omstandigheden juist wél verrekenings-gerechtigd zijn. Juist daarom is art. 25(2) Wet Vpb ingevoerd. De stelling is ook onverenigbaar met ’s Hofs vaststelling dat 8 à 12% van het brutodividendbedrag niet naar de wederpartij gaat maar bij de belanghebbende blijft. Ook het gegeven dat het om een dividend
vervangendebetaling gaat, impliceert dat die betaling niet het dividend is. De wetsgeschiedenis leert dat het criterium van grondslagincludering een heel andere strekking heeft, nl. voorkoming van bruto/netto- en per-saldo-discussies. Grondslagincludering heeft mijns inziens in casu dus geen zelfstandige betekenis naast opbrengstrecht.
dividend strippingzouden bestaan, al dan niet met behulp van uiteenlopende derivaten, die hij niet kon voorzien. Hij wilde ook al die vormen van
dividend strippingonder art. 25(2) Wet Vpb begrijpen, maar realiseerde zich dat het door de bewijslastverdeling voor de inspecteur moeilijk zou kunnen zijn (tot 2024) om door die tussenpersonen en derivaten heen te kijken, en dat daardoor de maatregel ‘in zijn praktische toepassing’ (tot 2024) beperkt zou zijn tot ‘evidente gevallen’ van
dividend stripping. Hij stelde dus geen normatieve beperking (alleen ‘evidente’ gevallen), maar constateerde een praktische beperking omdat de Inspecteur alleen in meer evidente gevallen in het bewijs zou slagen. ‘Evident’ is dus geen
vereiste, maar een
gevolg: als de inspecteur slaagt in het bewijs van
dividend stripping, is het daarmee een ‘evident geval’. Nu het Hof de inspecteur in het bewijs geslaagd achtte, gaat het in casu dus om een ‘evident’ geval.
futureserop wijst dat het om dezelfde en minder verrekenings-gerechtigde wederpartijen gaat, acht ik niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft bewijsrechtelijk terecht geoordeeld dat het aan de belanghebbende was om het uit de bewijsmiddelen oprijzende vermoedens van minder verrekeningsrecht en positiebehoud te ontzenuwen.
cumdividend heeft gekocht en de
futeresheeft verkocht, heeft het Hof de belanghebbende aangemerkt als ‘degene die’ de tegenprestatie jegens de wederpartijen heeft verricht, op twee gronden: (i) de aandelenkoop is onlosmakelijk verbonden met een eerdere
longpositie van de belanghebbende die door binnengroepse
hedgingmet een
shortpositie of
nettingdoor de financierende bank geen dividendrecht meer droeg, reden waarom zij opnieuw dividendgerechtigd wilde worden; (ii) het gaat evident om
dividend strippingmet ‘bedrijfsmodelmatige’ speculatie op grammaticale uitleg van art. 25(2) Wet Vpb door een gekunstelde ‘knip’ tussen de buitenlandse groepsvennootschap en de belanghebbende.
longpositie, die géén dividendrecht omvatte, onderdeel was van de
stripping. De
strippingkan alleen in de latere samenhangende aandelenaankoop en
futuresverkoop zitten. Fiscaal lijkt mij dan minder relevant welk verband –
if any- bestaat met die eerdere positie, die geen
strip-gelegenheid bood.
fraus legis-terminologie en hij verwijst naar HR
BNB2024/52, waarin u
frausart. 10a Wet Vpb aannam. Toerekening van de samenhangende aandelenkoop en
futuresverkoop aan de belanghebbende lijkt mij niet mogelijk op basis van uitleg van art. 25(2) Wet Vpb, dat eist dat ‘de belastingplichtige’ (de belanghebbende) de tegenprestatie levert. Dat is niet het geval. Ik zie geen wettelijke basis voor substitutie van rechts-handelingen of personen binnen groepen of vereenzelviging van groepvennoot-schappen die geen fiscale eenheid zijn. Pas sinds 2024 kunnen samenhangende transacties van verbonden partijen worden toegerekend aan de belastingplichtige. Verandering van feiten, personen of rechtshandelingen kan mijns inziens in casu alleen bereikt worden met
fraus legis. Het Hof meent dat uitleg naar doel en strekking al tot weigering van verrekening leidt en baseert zich kennelijk alleen
subsidiairop
frausart. 25(2). Dat
subsidiaireoordeel lijkt mij juist, nu uit ‘s Hofs vaststellingen volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden van
frausart. 25(2) Wet Vpb is voldaan. Het Hof acht immers bewezen dat belanghebbendes groep ‘oogmerkelijk’ opbrengstrecht en tegenprestatie gekunsteld uit elkaar heeft gespeeld om art. 25(2) Wet Vpb te frustreren in strijd met diens doel en strekking, en hij constateert een ‘ontgaansmotief’, ‘gekunsteld inlassen’, ‘zonder dat (…) een ander doel dan het ontgaan van artikel 25[2, 2e volzin] aannemelijk is geworden’ en ‘volstrekt kunstmatige constructies’. Ook zijn beroep op HR
BNB2024/52 (
frausart. 10a Wet Vpb) impliceert
frausart. 25(2) Wet Vpb.
Feitelijkachtte hij bewezen dat de belanghebbende en haar groep het doorslaggevende motief hadden om een kunstmatig gecreëerd verrekeningsrecht te verkopen aan derden die daarop geen recht hadden, door gekunstelde frustratie van één van de criteria in art. 25(2) Wet Vpb;
rechtskundigachtte hij het beoogde resultaat onverenigbaar met doel en strekking van die bepaling. Dat feitelijke oordeel lijkt mij geenszins onbegrijpelijk en de rechtsvraag of het beoogde resultaat in strijd komt met doel en strekking van art. 25(2) Wet Vpb lijkt mij inderdaad bevestigend beantwoord te moeten worden.
Morgan Stanleyoverwoog dat art. 25(2) Wet Vpb uitputtend is in de zin dat de wetgever de rechter geen aanknopingspunten heeft gegeven om de term ‘uiteindelijke gerechtigde’ verder in te vullen. Als het door het Hof vastgestelde misbruik wordt weggedacht, valt belanghebbendes geval duidelijk onder de in de wetsgeschiedenis omschreven situaties en gegeven voorbeelden. Het misbruik bestond volgens het Hof immers juist uit het gekunsteld uit elkaar spelen van de opbrengst-gerechtigde en een groepsvennootschap die de tegenover de dividendontvangst staande tegenprestatie verricht jegens minder verrekeningsgerechtigde wederpartijen.
X BV, volgt dat als een grensoverschrijdende transactie een kunstmatige constructie is om belasting te ontwijken, zoals in casu, het EU-recht juist
afwijzingvan beroep op EU-recht eist en niet in de weg staat aan
volledigeweigering van de misbruikelijk beoogde belastingvoordelen, ook niet als dat kan leiden tot dubbele heffing. Voor zoveel in casu al dubbele belasting zou ontstaan, verzet het EU-recht zich daar dus niet tegen. (iii) Weigering van verrekening is in casu niet ongerechtvaardigd of onevenredig omdat het Hof feitelijk misbruik heeft vastgesteld en (subsidiair)
frausart. 25(2) Wet Vpb heeft toegepast. Hij heeft zich (dus) verdiept in belanghebbendes individuele motieven (die misbruikelijk bleken) en haar specifieke omstandigheden (die kunstmatige
dividend strippinguitwezen, in strijd met doel en strekking van art. 25(2) Wet Vpb). Als belanghebbendes behandeling al ongunstiger zou zijn, wordt dat dus gerechtvaardigd door de noodzaak van misbruikbestrijding en is de evenredigheid van weigering gegeven, nu van mechanische toepassing van (te) algemene criteria bij
fraus legisgeen sprake is en het EU-recht het negeren van het misbruik eist.
Fraus legisimpliceert (i) een volstrekt kunstmatige constructie en (ii) individuele beoordeling. Art. 25(2) Wet Vpb lijkt mij overigens ook
in abstractovoldoende misbruik-
targetedom de evenredigheidstoets van het HvJ te doorstaan. De stelling dat tegenbewijs door de belanghebbende uitgesloten zou zijn, is onjuist. In dit pre-2014-geval ligt de bewijslast bij de inspecteur, en ook de regeling vanaf 2024 belemmert een belastingplichtige geenszins om met elk middel rechtens uiteindelijke gerechtigdheid aannemelijk te maken.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
tradersvan de belanghebbende waren. Zij waren van 2010 t/m 2015 ook belanghebbendes bestuurders.
longposities in aandelen met daartegenover
shortposities [1] om op groepsniveau een
hedgete bewerkstelligen en aldus haar
collateralverplichting jegens de haar financierende bank te beperken. Haar transacties en dier financiering werden uitgevoerd via [F] NV ( [F] ) op basis van een
master clearing agreement(MCA), een
collateral agreement(CA) en een
joint several liability agreement(JSLA). Die overeenkomsten maakten [F] als
custodian bankbevoegd om door de [B] groep ingenomen posities te gebruiken als zekerheid voor andere groepsposities (‘netto’ te maken;
nettingvan posities). Op groepsniveau kon aldus een
hedgebestaan, en daarnaast kon [F] posities
netten. Die
hedgeof
nettingkon ertoe kon leiden dat de belanghebbende niet meer dividendgerechtigd was omdat de aandelen daardoor ‘terug in de markt’ waren, zodat voor dividendgerechtigdheid de desbetreffende aandelen
cumdividend op groepsniveau moesten worden bijgekocht, waarbij tegelijk
futuresin diezelfde aandelen
exdividend werden verkocht.
Long equity portfolio: This portfolio consists of mainly Dutch shares held for a longer period. Given that the yield of the dividend remains relatively high of such a long portfolio, it has economic merit to the extent this position is allowed under the risk framework of [F] (“ [F] ”) as per the agreement between the [B] group and [F] . This risk framework is in principle based on market risk exposure. To allow for the long position held by [A] , the [B] group will build up short positions matching [A] ’s (long) exposure. [F] will measure the market exposure of [A] taking into account all other positions of [B] Group companies. This approach is applied by [F] under the Joint and Several Liability and Guarantee (“JSL Agreement”).
ii. (…).
Hof: Dutch dividend withholding tax] corresponds [A] is looking to credit, which has been subject of your questions.
Uitleg transactie
longpositie in bepaalde aandelen, door het Hof aangeduid als ‘aankoop 1’, die binnengroeps
hedgedwerd met een
shortpositie van een buitenlandse groepsmaatschappij. Deze
longpositie werd ‘formeel’ gekocht door [C] , maar op naam van de belanghebbende geregistreerd in het desbetreffende effecten(verzamel) depot. [4] [F] was bevoegd om die
longpositie te gebruiken voor afdekking van
shortposities van de groep.
hedgeof ofwel door [F] ’s
nettingvan posities geen recht meer had op de dividenden op die
longpositie. [5] Die verklaringen luidden als volgt:
Het Hofvraagt of vanaf het moment van het settelen van de short, [A] geen recht meer heeft op dividend.
[D]:
Hof: de GmbH]. Nothing changes for [A] . [A] just stays put and gets its money anyway. For [I] something changes.”
futures) nodig was om weer dividendgerechtigd te worden.
longpositie
cumdividend (door het Hof ‘aankoop 2’ genoemd) werd met tussenkomst van de
brokers[G] en/of [H] ingenomen door een buitenlandse groepsvennootschap die tegelijk corresponderende
futures exdividend verkocht aan dezelfde wederpartij (veelal een US bank). Ook de nieuwe
longpositie
cumdividend werd, hoewel gekocht door de buitenlandse groepsvennootschap, op belanghebbendes naam geregistreerd in het desbetreffende effecten(verzamel)depot. [6] Deze gelijktijdige en samenhangende transacties, aangeduid als
exchange for physicals(EFP), werden vooraf vastgelegd (
pre-arranged trades). De buitenlandse groepsvennootschap liet de betrokken
brokersweten hier min of meer permanent voor in de markt te zijn, begeleid door [F] . [7]
broker[G] in het Verenigd Koninkrijk (VK) een derdenonderzoek ingesteld. Op verzoek van [G] is de onderzoeksvraag beperkt tot het jaar 2015. [8] Uit dat onderzoek volgde onder meer dat de wederpartijen bij aankoop 2 zonder uitzondering beperkt of niet verrekeningsgerechtigde buitenlandse partijen waren, waaronder Amerikaanse zakenbanken. [9] De prijs die zij voor de
futuresbetaalden was niet de
cum-prijs verminderd met het verwachte bruto dividend, maar de
cum-prijs verminderd met slechts 88% tot 92% van het verwachte dividend. Dat verschil (een opslag van 8 à 12% van het verwachte dividend op de
ex-dividend-prijs) duidt volgens het Hof op betaling, door de
futures-kopers, aan de buitenlandse groepsvennootschap, voor dier – en daarmee belanghebbendes – bereidheid om de waarde van hun verrekening van dividendbelasting deels (3 tot 7% van het brutodividend) te gunnen aan die
futures-kopers. [10] Dat het verrekeningsrecht in de prijs van de
futuresis ingeprijsd, ziet het Hof onder meer bevestigd in een brief van 23 maart 2018 van belanghebbendes toenmalige gemachtigde in antwoord op vragen van de Inspecteur. Die brief vermeldt over haar dividendarbitrage-strategie dat de opslag op de prijs van de
futuresverband zou kunnen houden met de dividendbelastingpositie van de wederpartijen: [11]
Question 53
futuresmede aangeeft dat de belanghebbende en haar zuster [A] (de belanghebbende in de parallelzaak) de dividendbelasting zullen verrekenen: [12]
Het Hofvraagt naar de situatie waarin [A] in de positie komt dat zij dividend krijgt. Zonder dividend is er geen recht op verrekening. In geval van een dividend vervangende betaling is er geen recht op verrekening. Om een recht op verrekening te krijgen, zo begrijpt het Hof, wordt [aankoop 2] in combinatie gedaan met de verkoop van de future. Is in die future een prijs overeengekomen die mede de mogelijkheid voor [A] om de dividendbelasting te verrekenen reflecteert?
[D]: That’s right. The pricing is different. The future is cheaper than the shares. At [I] the expensive share will be replaced by the cheaper future.””.
Question 56
dividend strippingzoals in de
Morgan Stanley-zaak (HR
BNB2024/36; zie 8.1 e.v. hieronder) was toegestaan, en dat hij een probleem oploste van – hem onbekende – [G] -klanten door de verrekening van 15% dividendbelasting te verdelen, waardoor de opvolgende transacties per saldo “een rondje” waren. Het verslag van dat gesprek vermeldt: [14]
longpositie. Zij heeft de ingehouden dividendbelasting verrekend in haar Vpb-aangifte voor dat jaar. Ter zake van 2012 is dividendbelasting ad € 1.863.184 aan haar teruggegeven. De Inspecteur heeft die teruggaaf echter teruggenomen bij navorderingsaanslag van 2 december 2017.
fraudem legiszou hebben gehandeld.
broker[G] , dat zou vermelden dat zijn informatieverzoek vooralsnog beperkt was tot 2015. De Rechtbank achtte echter aannemelijk dat de Inspecteur niet meer beschikte over dat bericht en zij achtte de belanghebbende niet geschaad in haar door art. 8:42 Awb Pro beschermde belangen. De Rechtbank heeft daarom op grond van art. 8:31 Awb Pro geen gevolgen verbonden aan het ontbreken van dat bericht.
face to the marketwas. Dat de belanghebbende de aandelen uitgeleend zou hebben aan een buitenlandse groepsmaatschappij en vervolgens weer als aflossing op de daardoor ontstane schuld terug zou hebben ontvangen van die groepsmaatschappij voordat het dividend werd uitgekeerd, nam volgens de Rechtbank evenmin weg dat zij ten tijde van de dividenduitkering opbrengstgerechtigd was. Dat die buitenlandse groepsmaatschappij
futuresop soortgelijke aandelen verkocht aan een derde, waarbij de verrekende dividendbelasting werd verdeeld tussen de belanghebbende, [C] en die derde, maakte de belanghebbende geen lasthebber of vertegenwoordiger van een ander. De Rechtbank achtte de belanghebbende daarom opbrengstgerechtigde en de dividenden onderdeel van haar winst in de zin van art. 25(1) Wet Vpb.
beneficial owner’) in art. 25(2) Wet Vpb maakte zij op dat de wetgever geen uitputtende omschrijving van die term wilde geven, maar slechts bepaalde situaties wilde aangeven waarin de opbrengstgerechtigde in geen geval uiteindelijk gerechtigd is. De wetgever wilde verdere invulling aan uiteindelijke gerechtigdheid overlaten aan de rechter, die volgens de Rechtbank niet alleen moet beoordelen of de belanghebbende op de dividenddatum juridisch of economisch gerechtigd was tot de opbrengst, maar ook of haar feitelijke omstandigheden, in samenhang met die van andere vennootschappen, aan verrekening in de weg staat. De bewijslast van ontbreken van uiteindelijke gerechtigdheid heeft zij bij de Inspecteur gelegd. Die heeft volgens de Rechtbank bewezen dat een buitenlandse groepsmaatschappij
cumdividend aandelen in Nederlandse vennootschappen heeft gekocht en tegelijk een
future exdividend ter zake van dezelfde aandelen is aangegaan waarbij het verwachte dividend slechts deels werd afgeprijsd in de uitoefenprijs van die
future. De transacties werden met dezelfde minder verrekeningsgerechtigde wederpartijen aangegaan en via dezelfde
broker[G] . Dat het onderzoek bij [G] alleen op 2015 zag, maakte volgens de Rechtbank niet uit, nu zij aannemelijk achtte dat belanghebbendes handelswijze in de jaren 2012 t/m 2015 steeds dezelfde was.
future. De Rechtbank heeft belanghebbendes stelling verworpen dat in die prijs geen ‘tegenprestatie’ als bedoeld in art. 25(2) Wet Vpb besloten lag. Dat de transacties met die wederpartij niet door de belanghebbende zelf, maar door buitenlandse groepsvennootschappen werden aangegaan, maakte dat volgens de Rechtbank niet anders omdat die rechtshandelingen volgens de Rechtbank niet los konden worden gezien van het totale samenstel van transacties.
fraus legisgaat, kwam daardoor niet meer aan snee. De Rechtbank heeft het beroep tegen de navorderingsaanslag ongegrond verklaard.
Morgan Stanley; zie 8.1 e.v. hieronder). Uit die wetsgeschiedenis leidde hij af dat art. 25(2) Wet Vpb is gericht tegen evidente gevallen van
dividend strippingwaarin met een samenstel van transacties de adressaat van het recht op verrekening, teruggaaf of vermindering van dividendbelasting wordt gemanipuleerd. Het Hof heeft de criteria voor toepassing van art. 25(2) Wet Vpb nagelopen, dat als uiteindelijk gerechtigde diskwalificeert (zie 5.1 hieronder) ‘degene die’ in samenhang met het door haar genoten dividend een tegenprestatie verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij (a) het dividend feitelijk (deels) ten goede komt aan een minder verrekeningsgerechtigde, (b) wiens positie in de desbetreffende aandelen niet wezenlijk wijzigt door het samenstel van transacties. Volgens het Hof is de belanghebbende zowel naar de tekst van art. 25(2) Wet Vpb als naar diens doel en strekking ‘degene die (…) een tegenprestatie heeft verricht’ in de zin van die bepaling. Hij realiseerde zich dat dat volgens de tekst niet direct het geval lijkt, omdat niet de belanghebbende, maar de buitenlandse groepsvennootschap de EFP (‘aankoop 2’) aanging, maar het Hof achtte de EFP onlosmakelijk verbonden met belanghebbendes eerdere
longpositie (‘aankoop 1’) en haar wens om (opnieuw) dividendgerechtigd te worden, zodat zij daarom toch beschouwd kan worden als ‘degene die’ een tegenprestatie verricht tegenover het ontvangen dividend.
dividend strippingzoals bedoeld in de wetsgeschiedenis, omdat zij bedrijfsmodelmatig speculeerde op grammaticale uitleg van art. 25(2) Wet Vpb door kunstmatig een ‘knip’ aan te brengen tussen de buitenlandse groepsvennootschap die de EFP aanging en haarzelf als dividendontvangster. Voor zover zij in die omstandigheden al rechtszekerheid zou kunnen ontlenen aan de wettekst, komt die haar in casu niet toe omdat in haar geval van evidente
dividend strippinguitleg naar doel en strekking van de wet prevaleert. Dat wordt volgens het Hof niet anders door uw overweging in HR BNB 2024/36 (
Morgan Stanley; zie 8.1 e.v. hieronder) dat art. 25(2) Wet Vpb een uitputtende regeling is. Die uitputting betekent volgens het Hof slechts dat gevallen buiten de reikwijdte van art. 25(2) Wet Vpb daar niet binnen kunnen worden gebracht, maar sluit niet uit dat volstrekt kunstmatige constructies waarmee de toepassingsvoorwaarden van die uitputtende regeling kunstmatig worden ontgaan, zoals de genoemde ‘knip’, worden gepasseerd met een uitleg naar doel en strekking van de wet. Het Hof zag daarvoor steun in r.o. 4.3.5 van HR BNB 2024/52 (zie 8.14 hieronder) over het kunstmatig ontgaan van een toepassingsvoorwaarde (het verbondenheidscriterium) van de antimisbruikregeling in art. 10a Wet Vpb (tegen winstdrainage).
futureten opzichte van de prijs voor de aandelen
cumdividend. In de prijs van de
futurewas een vergoeding ingeprijsd overeenkomende met het netto dividend verhoogd met slechts een deel van de ingehouden dividendbelasting. Die vergoeding hing samen met het door de belanghebbende genoten dividend omdat de EFP voor de belanghebbende noodzakelijk was en zij de aandelen kreeg toegerekend. Het Hof zag aldus een samenstel van transacties dat het dividend deels en indirect ten goede deed komen aan buitenlandse, minder verrekeningsgerechtigde partijen die via de
futureshun posities in de desbetreffende aandelen behielden. Dat die wederpartijen minder verrekeningsgerechtigd waren dan de belanghebbende blijkt volgens het Hof uit de prijsstelling van de
futures,die aannemelijk maakt dat de betrokken zakenbanken of hun cliënten niet of beperkt verrekeningsgerechtigd waren.
modus operandivan de groep.
fraus legisdan niet meer aan de orde komt en zijn rechtskundige oordeel is ook nogal hybride: het lijkt enerzijds teleologische uitleg van art. 25(2) Wet Vpb, maar roept ook sterk het beeld op van toepassing van
fraus legis, nl.
frausart. 25(2) Wet Vpb, door antificale gekunstelde omzeiling van één van de toepassingsvoorwaarden van die bepaling.
3.Het geding in cassatie
longpositie haar depot nooit verlaten omdat het
matchingalgoritme van de
clearing-omgeving van [F] tot dekking van de
shortpositie van de buitenlandse groepsvennootschap eerder aandelen van andere, willekeurige klanten zou gebruiken dan van de belanghebbende. Zij stelt dat de posities van aankoop 2 niet zijn aangegaan met dezelfde wederpartij, althans dat dat niet is vastgesteld. De buitenlandse groepsvennootschap [I] GmbH heeft de
longpositie verworven via de
executing broker[G] en was niet bekend met de uiteindelijke wederpartij, terwijl de aandelen van het depot van de verkoper naar het depot van [I] GmbH zijn overgeschreven. De verkoop van
futuresverloopt zelfs via zes tussenliggende partijen en volgens de belanghebbende heeft [I] GmbH civielrechtelijk verkocht aan een centrale wederpartij, niet aan de uiteindelijke koper. Uit bijlage 1 bij het controlerapport van 1 februari 2021 blijkt volgens de belanghebbende dat [I] GmbH in een bepaald geval aandelen kocht van [K] terwijl een
futurewerd aangegaan met [L] . Ten slotte wijst de belanghebbende op haar niet-fiscale redenen voor dividendarbitrage. Verkoop van aandelen tegen koop van
futuresis zakelijk als
cashnodig is én kan lucratief zijn als de prijs van een aandeel ver boven de prijs van de
futureligt. Daarnaast kan verkoop van aandelen tegen koop van
futuresuit oogpunt van risicomanagement zakelijk zijn omdat niet gegarandeerd is dat een aangekondigd dividend in de aangekondigde omvang wordt betaald, zoals bijvoorbeeld in 2010 het geval was bij [M] , dat besloot toch geen dividend uit te keren na de olieramp in de Golf van Mexico. [17] Steun voor de zakelijkheid van dividendarbitrage ziet de belanghebbende in een uitspraak van het Hof Amsterdam [18] .
longen
shortposities omdat belanghebbendes initiële
longpositie haar depot nooit zou hebben verlaten, gegeven de gestelde werkwijze van [F] . Ook ’s Hofs oordeel dat aankoop 2 voor de belanghebbende noodzaak zou zijn, acht zij daarom onjuist.
Middel IIstelt verkeerde feitenvaststelling inzake de EFP omdat (i) de
futuresin cash werden afgewikkeld, zodat geen
physicalexchange plaatsvond en (ii) gegeven belanghebbendes werkwijze, niet is aangetoond dat de posities ex aankoop 2 zijn aangegaan met dezelfde wederpartij.
middel IIIniet bestaan uit de korting die de wederpartij krijgt door inprijzing van dividendbelastingverrekening in de prijs die die partij betaalt voor de
future. Het gaat om een transactie tussen onafhankelijke partijen, zodat de prijsstelling per definitie zakelijk is en de belanghebbende per saldo niet ‘te veel’ vergoedt. De belanghebbende verwijst naar r.o. 4.7 van een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 januari 2025 (zie 8.12 hieronder).
de factoop concernniveau beoordeeld of sprake is van het vereiste ‘samenstel van transacties,’ hoewel art. 25 Wet Pro Vpb het pas sinds 1 januari 2024 mogelijk maakt om transacties van verbonden personen toe te rekenen aan de belastingplichtige.
middel Vbestrijdt ’s Hofs uitleg van de term ‘degene die’. Volgens dit middel prevaleert de tekst van art. 25(2) Wet Vpb boven diens mogelijke doel en strekking omdat het om een antimisbruikbepaling gaat. Met verwijzing naar literatuur en rechtspraak betoogt de belanghebbende dat bij een antimisbruikbepaling de tekst van de wet van uitzonderlijk gewicht is en dat alleen als grammaticale interpretatie niet tot een bepaalde uitkomst noopt, andere interpretatiemethoden kunnen worden gehanteerd. Volgens de tekst van art. 25(2) Wet Vpb is ‘degene die’ de tegenprestatie verricht de persoon die niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd. Het Hof heeft zelf overwogen dat niet de belanghebbende, maar een buitenlandse groepsvennootschap de EFP is aangegaan, zodat de belanghebbende volgens de tekst van de wet niet is ‘degene die’ een tegenprestatie heeft verricht jegens derden, zodat zij evenmin gediskwalificeerd kan worden als uiteindelijk gerechtigde. ’s Hofs andersluidende oordeel acht de belanghebbende rechtskundig onjuist.
middel VImoet het bestaan van ‘een samenstel van transacties’ worden bezien vanuit de positie van de (gesteld niet-verrekeningsgerechtigde) verkoper van de aandelen. De Inspecteur heeft niet aangetoond dat de wederpartij van de aandelenkoop en die van de
futuresverkoop dezelfde zijn, waardoor die transacties op zichzelf staan en ’s Hofs oordeel dat zich het vereiste ‘samenstel van transacties’ voordoet onjuist of onbegrijpelijk is.
middel VIIook onjuist of onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat de wederpartij ‘een vergelijkbare positie in de aandelen hebben behouden of verkregen’.
middel VIIIwraakt het ontbreken van de volgens de belanghebbende voor toepassing van art. 25(2) Wet Vpb vereiste identificatie van de kopers van de
futures. Het Hof heeft uit de prijs die de kopers van de
futuresbetalen, afgeleid dat zij in een slechtere verrekenings-positie verkeren dan de belanghebbende en hij heeft daarom in het midden gelaten of de
futureskopende buitenlandse zakenbanken voor zichzelf of voor anderen optraden. Volgens de belanghebbende had het Hof echter de achterliggende partijen moeten identificeren om hun verrekeningspositie te beoordelen. Volgens de wetsgeschiedenis moet vergeleken worden tussen de belastingdruk op een hypothetische dividendbetaling aan die partijen en de belastingdruk op de werkelijke uitkering aan de belastingplichtige. Zonder identificatie van die partijen kan die rechtens vereiste vergelijking niet plaatsvinden, aldus de belanghebbende.
futuresniet zijn geïdentificeerd.
dividend strippingen stelt dat daarvan in casu geen sprake is. Dat volgt volgens de belanghebbende uit het feit dat de zaak die nu aan u wordt voorgelegd, voor de wetgever aanleiding was om art. 25(2) Wet Vpb aan te scherpen. Pas sinds 1 januari 2024 vallen daardoor ook transacties aangegaan door verbonden partijen onder het te beoordelen ‘samenstel van rechtshandelingen’ (zie ook middel IV in 3.7 hierboven). De wetgever heeft die wijziging doorgevoerd omdat daarover in de praktijk discussie bestond. Daaruit volgt dat belanghebbendes geval, waarin een buitenlandse groepsvennootschap is betrokken, geen ‘evident’ geval is. Het Hof heeft bovendien ten onrechte vermeende subjectieve bedoelingen relevant geacht, zoals blijkende uit door hem gebruikte termen als ‘oogmerkelijk’, ‘intentie’ en ‘ontgaansmotief’, hoewel uit de wetsgeschiedenis volgt dat oogmerken irrelevant zijn.
strippingacht de belanghebbende daarentegen wel relevant.
Middel XIstelt dat, gegeven de ratio van art. 25(2) Wet Vpb, die bepaling niet bedoeld is voor belanghebbendes geval omdat (i) de belanghebbende zich niet bewust was van
dividend strippingdoor anderen, (ii) de belanghebbende een koersrisico op haar
longpositie liep, ongeacht eventuele afdekking daarvan op groepsniveau, en (iii) de belanghebbende geen zaken deed met de volgens het Hof uiteindelijk gerechtigde wederpartijen bij de EFP.
frausart. 10a Wet Vpb werd aangenomen; zie 8.14 hieronder) dat u in HR BNB 2012/213 [19] expliciet heeft geoordeeld dat art. 10a Wet Vpb géén uitputtende regeling bevat, terwijl dat bij art. 25(2) Wet Vpb wél het geval is. Ook het gegeven dat de wetgever alleen ‘evidente’ gevallen wilde bestrijden, pleit tegen extensieve uitleg.
Xella Magyarország [20] volgt dat die zich voordoet als een nationale bepaling wordt toegepast op een grensoverschrijdend element in de structuur, zoals in casu doordat art. 25(2) Wet Vpb wordt toegepast mede op de transacties van [I] GmbH (de buitenlandse groepsvennootschap). Hoewel art. 25(2) Wet Vpb geen onderscheid maakt naar nationaliteit of inwonerschap, benadeelt het
de factoalleen grensoverschrijdende situaties. De beweerdelijk
strippendebuitenlandse wederpartijen bij de EFP kunnen door art. 25(1) Wet Vpb geen dividendbelasting verrekenen, terwijl in Nederland gevestigde wederpartijen dat wel kunnen. Ook wordt de belanghebbende dubbel belast als over het door haar ontvangen dividend Vpb wordt geheven en de ingehouden dividendbelasting niet mag worden verrekend. De belanghebbende acht die belemmering niet gerechtvaardigd omdat art. 25(2) Wet Vpb volgens haar niet specifiek is gericht op volstrekt kunstmatige constructies bedoeld om belasting te ontwijken, onder meer omdat geen tegenbewijs mogelijk is. De belanghebbende acht toepassing van art. 25(2) Wet Vpb ook niet evenredig omdat die volgens haar verder gaat dan nodig om
overallhet Nederlandse belastingniveau te realiseren. [21]
Middel XIVmiskent het Hof dat de Inspecteur ook stukken die hem niet meer ter beschikking staan moet inbrengen. Uit HR BNB 2018/164 [22] leidt de belanghebbende af dat ook stukken die hem ter beschikking hebben gestaan zaakbetrekkelijke stukken zijn. Zij wijst ook op HR BNB 2022/58 [23] , waaruit zij afleidt dat het Hof had moeten onderzoeken of de Inspecteur over de stukken beschikte. Zo ja, dan had de Inspecteur die moeten verstrekken.
longpositie toe aan de belanghebbende, terwijl [C] tegelijkertijd eenzelfde pakket aandelen bezitloos verkocht en die
shortpositie toerekende aan haar Duitse groepsvennootschap [I] GmbH. De
custodian bank[F] kwam [I] ’s uit die
shortpositie voortvloeiende leveringsverplichting na met de aan de belanghebbende toegerekende aandelen. Daarna had de belanghebbende een vordering op [F] en GmbH een even grote schuld aan [F] , beide luidend in aandelen. De aandelen waren terug in de markt en als er een dividend op zou worden uitgekeerd, zou [I] GmbH over haar aandelenschuld aan [F] een dividendvervangende betaling aan [F] moeten doen ter grootte van dat (bruto)dividend, terwijl de belanghebbende dezelfde dividendvervangende vergoeding van [F] kon vorderen, aldus de Staatssecretaris. Om te voorkomen dat [I] GmbH moest betalen zonder zelf dividend te ontvangen, moest de groep de desbetreffende aandelen weer in bezit krijgen, zodat [I] GmbH met die aandelen haar schuld aan [F] kon aflossen. Daarom ging [C] vlak voor dividenddatum de EFPs aan met de UK banken (aankoop
longpositie
cumdividend en verkoop
futures exdividend), die zij toerekende aan [I] GmbH. Voor [I] GmbH zou dit voorzienbaar tot een verlies leiden, nl. het verschil tussen de hogere aankoopsom van de
longpositie
cumdividend en de lagere verkoopopbrengst van de
futures
exdividend. Door de EFP kon [I] GmbH wel haar schuld aan [F] voldoen, waardoor [F] weer aandelen kon aanhouden voor de belanghebbende en op dividenddatum een nettodividend met dividendnota kon ontvangen. Daardoor werd uiteindelijk op groepsniveau winst gemaakt op het samenstel van transacties, aldus de Staatssecretaris.
middel III’s Hofs oordeel over de tegenprestatie deugdelijk gemotiveerd. Wel meent hij dat de omvang van de tegenprestatie onjuist is vastgesteld, niet – zoals de belanghebbende meent – doordat er een onzakelijk element in zou zitten, maar omdat belanghebbendes tegenprestatie al in de koopsom van de
longpositie
cumdividend zit; volgens hem volgt dat ook uit de r.o. 5.17.1 en 5.20 van het Hof. Het Hof heeft volgens hem ten overvloede maar onjuist overwogen dat de netto tegenprestatie moet worden bepaald op basis van de aandelenprijs cum dividend
tezamenmet de
futures-prijs ex dividend (r.o. 5.16.3). De Staatssecretaris meent dat de wederpartijen als tegenprestatie het meeverkochte brutodividend vrij van dividendbelasting hebben verkregen en dat zij daarom bereid waren meer te betalen voor de
futuresen dat dat meerdere een vergoeding was voor belanghebbendes belastingbesparende dienstverlening. De Staatssecretaris wijst op HR BNB 2017/164 (exploitatie
Bosal-gat) in welke zaak hij hetzelfde feitenpatroon ziet. [24] Hij ziet geen grond voor het in mindering brengen van de vergoeding voor belanghebbendes fiscale dienstverlening op wat hij ziet als de werkelijke tegenprestatie: de vooruitbetaling van het dividend als onderdeel van de prijs van de
longpositie
cumdividend. De Staatssecretaris wijst erop dat de bepaling van de ‘tegenprestatie’ ook van belang is voor de beoordeling van principaal middel XIII (beroep op EU-recht) en incidenteel middel I over het grondslagvereiste in art. 25(1) Vpb (zie 3.38 hieronder).
middelen IV en Vover de term ‘degene die’, en van zijn verweer daartegen.
nettingvan groepsposities op basis van de contractuele afspraken tussen [F] en de [B] groep. De belanghebbende is dan ‘degene die’ een ‘tegenprestatie’ levert aan [I] GmbH, die minder verrekeningsgerechtigd is en die na toerekening van de nieuwe
longpositie aan de belanghebbende haar belang bij die positie behield doordat [I] GmbH wist dat contractueel de gekochte
longpositie zou worden gebruikt om haar leveringsverplichting uit hoofde van de
futureste voldoen.
middelen VIII en IX) betoogt de Staatssecretaris dat rechtskundig de wederpartijen niet geïdentificeerd hoeven te worden om hun verrekening-positie bij specifieke transacties te beoordelen. Aannemelijk hoeft slechts te worden gemaakt dat die wederpartijen minder verrekeningsgerechtigd zijn; dat heeft de Inspecteur gedaan.
dividend stripping, zodat zijns inziens ook
middel Xstrandt. De strategie van belanghebbendes groep bestaat er volgens hem uit dat aan een evident dividendstrippend samenstel van transacties nog wat economisch betekenisloze transacties worden toegevoegd om daarmee te verdedigen dat er dan geen sprake zou zijn van een evident dividendstrippend samenstel van transacties.
middel XIII) wordt volgens de Staatssecretaris niet belemmerd door weigering van verrekening. Primair heeft de belanghebbende zijns inziens geen toegang tot het EU-recht omdat zij poogt misbruik van recht te maken. Subsidiair bestrijdt hij de gestelde belemmering van grensoverschrijdend kapitaalverkeer omdat art. 25(2) Wet Vpb ook geldt bij transacties met binnenlandse minder verrekeningsgerechtigde wederpartijen en geen verkapt onderscheid maakt tussen interne en grensoverschrijdende situaties. Uit het beslissende belang dat het Hof hecht aan de
futures-prijsstelling volgt dat zijn oordeel hetzelfde was geweest als de banken Nederlands zouden zijn geweest. De belanghebbende wordt ook niet dubbel belast: tegenover het dividend staat een even grote waardedaling van de door haar te leveren aandelen
exdividend; zij wordt slechts (éénmaal) belast voor de
feevoor haar fiscale dienstverlening.
feeen (ii) het onderscheid gerechtvaardigd wordt door de noodzaak misbruik te bestrijden. Art. 25(2) Wet Vpb treft zijns inziens alleen volstrekt kunstmatige constructies zoals bedoeld in HvJ
Nordcurrent group [25] en HR
BNB2025/95, nu het is gericht tegen evidente gevallen van
dividend stripping. [26] Uit punt 118 van HvJ
T Danmark en Y Denmark [27] volgt dat evidente
dividend strippingmisbruik van recht is, ongeacht of de inspecteur aannemelijk weet te maken wie dan wél de uiteindelijk gerechtigde is.
Nordcurrent groupen punt 97 van HvJ
T Danmark en Y Denmark.Het Hof heeft in r.o. 5.20.3, 5.20.4 en 5.15.17 geoordeeld dat (i) het motief voor het samenstel van rechtshandelingen lag in ontwijking van art. 25(2) Wet Vpb, (ii) verrekening evident in strijd zou komen met het doel van die bepaling en (iii) het samenstel van rechtshandelingen gekunsteld was, en zinloos zonder belanghebbendes (verrekenings)betrokkenheid. Als aan de criteria van art. 25(2) Wet Vpb is voldaan, volgt daaruit in elk geval een vermoeden van misbruik, aldus de Staatssecretaris. De belanghebbende heeft dat vermoeden zijns inziens niet ontzenuwd.
middel XIVmeent de Staatssecretaris dat wél alle zaakbetrekkelijke stukken zijn ingebracht.
binnende reikwijdte van de desbetreffende antimisbruikbepaling door extensieve interpretatie ervan, zoals u volgens haar deed in HR BNB 2008/266 [29] , of
naastdie antimisbruikbepaling, ter zake van rechtshandelingen die niet onder haar bereik vallen, zoals u volgens haar deed in HR BNB 2012/213. Zij ziet in ’s Hofs oordeel de bedoelde extensieve interpretatie van art. 25(2) Wet Vpb, die haars inziens echter niet mogelijk is bij een uitputtende bepaling zoals art. 25(2) Wet Vpb. ’s Hofs verwijzing naar HR BNB 2024/52 (zie 8.14 hieronder) over art. 10a Wet Vpb is onzuiver omdat
fraus legisdaar
naastart. 10a Wet Vpb werd toegepast, niet
binnendie bepaling door extensieve interpretatie.
overkillomdat er geen tegenbewijsregeling is voor transacties om commerciële redenen. Het misbruikverbod of de noodzaak tot bestrijding van belastingontwijking kan daarom de belemmering niet rechtvaardigen. HvJ
T Danmark en Y Denmarkmaakt dat niet anders omdat die zaken geen internrechtelijk belastingvoordeel, maar een Unierechtelijk voordeel betroffen. Dat staat althans niet buiten redelijke twijfel, zodat u vragen zou moeten stellen aan het HvJ, aldus de belanghebbende.
X BV, volgt dat beroep op de vrijheid van kapitaalverkeer niet mogelijk is bij misbruik van recht. Dit doet zich hier voor: de belanghebbende poogt zich gekunsteld te onttrekken aan art. 25(2) Wet Vpb, waardoor verrekening in strijd met doel en strekking van die bepaling zou komen. Hij persisteert subsidiair dat die bepaling het kapitaalverkeer niet belemmert omdat niet elke ingezeten wederpartij onbeperkt verrekeningsgerechtigd is. Zelfs als die bepaling het kapitaalverkeer zou belemmeren, is dat gerechtvaardigd met het oog op de noodzaak misbruik en belastingontwijking te voorkomen. Art. 25(2) Wet Vpb treft alleen evidente gevallen van
dividend stripping, dus volstrekt kunstmatige constructies. Die bepaling vestigt op basis van objectieve en geschikte criteria een vermoeden van zo’n constructie, dat vatbaar is voor tegenbewijs, dat de belanghebbende echter niet heeft geleverd. In casu staat misbruik vast, zodat het EU-recht zich in haar geval niet verzet tegen verrekeningsweigering. De Staatssecretaris acht dit buiten redelijke twijfel en prejudiciële vragen dus niet nodig.
fraudem legisheeft gehandeld, zoals ook door de Inspecteur in eerste aanleg gesteld.
Lease-arrest HR
BNB1986/75 [30] , volgt dat vruchten zoals dividenden bestanddeel zijn van de winst van de fiscale eigenaar van de bron ervan. In casu kochten de verkopers van de aandelen
cumdividend tegelijkertijd corresponderende
futures exdividend, waardoor zij het volle economische belang bij die aandelen behielden. Op de dividenddatum waren zij economisch eigenaar van de aandelen en was het dividend dus bestanddeel van hun winst, niet van die van de belanghebbende, die slechts juridisch eigenaar van de aandelen was. Evenmin kon de belanghebbende vrijelijk beschikken over de dividenden omdat groepshoofd [C] had beslist dat zij dienden als aflossing van de
future-gerelateerde schulden van de andere groepsvennootschappen. De Staatssecretaris ziet eenzelfde oordeel in uw recente Belgische-houdsterarresten. [31] De belanghebbende kan volgens de Staatssecretaris ook aangemerkt worden als zaakwaarnemer in de zin van art. 6:198 BW Pro omdat zij bewust, maar niet op basis van een in de wet geregelde rechtsverhouding, de belangen van de [B] -groep diende.
fraudem legishandelde. Voor de argumentatie verwijst hij naar de motivering van dat standpunt bij verweer van de Inspecteur in eerste aanleg. De [B] -groep en diens bestuurders waren bekend met de mogelijkheden tot
dividend strippingen de daaraan verbonden risico’s en hebben bewust gestructureerd om art. 25(2) Wet Vpb te frustreren. Het samenstel van transacties had afgezien van het fiscale voordeel geen economische ratio. Doel en strekking van de Wet Vpb verzetten zich tegen dergelijk willekeurig en voortdurend verijdelen van correcte vennootschapsbelastingheffing, aldus de Staatssecretaris.
exdividend; niet voor het dividend zelf. Zo het economisch belang bij de aandelen al zou zijn achtergebleven bij de verkopers van de aandelen, betekent dat niet dat de belanghebbende het dividend niet kan ontvangen: ook bij
securities lendingblijft het economische belang bij de uitlener, maar ontvangt de inlener (de juridische eigenaar) het dividend. De belanghebbende leidt uit de literatuur af dat ‘bestanddelen van de winst’ ruim moet worden uitgelegd en dat ook met de
longpositie ‘meegekocht dividend’ daartoe behoort. [32] De belanghebbende acht niet van belang of [C] al dan niet aandelen aan haar heeft toegerekend, als zij de aandelen op de dividenddatum maar in bezit had. Dat was het geval en dan is irrelevant hoe zij aan die aandelen is gekomen.
Market maker-arrest HR BNB 1994/217 [34] sloot u aan bij het OESO-commentaar op art. 10 OESO Pro-Modelbelastingverdrag, waaruit de belanghebbende afleidt dat de opbrengstgerechtigde slechts dan geen uiteindelijk gerechtigde is als zij tot doorbetaling
verplichtis, wat in haar geval niet zo is. Dat OESO-commentaar luidt als volgt:
beneficial ownershipverder naar een uitspraak van het Tax Court of Canada in een zaak
Velcro. [35]
fraus legis. Zij leidt uit HR
BNB1985/32 [36] drie cumulatieve voorwaarden af: (1) aanzienlijke belastingbesparing is het enige, althans volstrekt overwegende motief voor de transacties; (2) de transacties hadden voor de belastingplichtige geen reële praktische betekenis buiten het beoogde fiscale voordeel; en (3) doel en strekking van de wet zouden worden miskend als het verlangde rechtsgevolg zou intreden. Aan de eerste tweede voorwaarden is volgens haar niet voldaan omdat de [B] -strategie niet was gericht op verijdeling van dividendbelasting, maar op een transactieresultaat in de prijsstelling van de
futures. Wat betreft doel en strekking van de wet moet volgens de belanghebbende worden nagegaan of de wetgever (i) een bepaalde ontgaansmogelijkheid heeft onderkend en heeft aanvaard, of (ii) geacht moet worden een ontgaansmogelijkheid te hebben aanvaard tijdens de parlementaire behandeling of door langdurig stilzitten bij later blijkende wegen om heffing te ontgaan. [37] De wetgever heeft meer malen aangegeven dat de anti-
dividend strippingmaatregel is beperkt tot evidente gevallen, waaruit de belanghebbende afleidt dat
fraus legisin casu niet kan worden toegepast. Zij wijst op een conclusie van mijn voormalig ambtgenoot IJzerman, die zegt dat als de wetgever al heeft voorzien in sancties op het ontgaan van belasting, de mogelijkheid van toepassing van
fraus legisbeperkt is. [38] De wetgever heeft voor een geval als het onderhavige specifieke en uitputtende wetgeving opgesteld, wat toepassing van
fraus legisvolgens de belanghebbende uitsluit. Dat volgt ook uit een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland [39] (zie 8.7 hieronder) in het volgens haar vergelijkbare geval van
Morgan Stanley(zie 8.1 e.v. hieronder).
securities lendingincorrect. Ook bij
securities lendingis het dividend geen bestanddeel van de winst van de inlener. Voor zover het feitelijke dividend groter is dan het doorbetaalde dividend is ook dat verschil een vergoeding voor dienstverlening. Het ‘vrijelijk kunnen beschikken’ is rechtersrecht, waardoor de betekenis ervan niet afhankelijk is van een wettelijke context. De belanghebbende heeft volgens de Staatssecretaris minder beschikkingsmacht dan de belanghebbenden in de Belgische-houdsterzaken. [40] Anders dan de belanghebbende leidt de Staatssecretaris uit het
Market maker-arrest HR BNB 1994/217 niet af dat een partij vrijelijk over het dividend kan beschikken zolang geen juridische verplichting tot doorbetaling bestaat. Hoe dan ook brengen de concernstrategie en de afspraken met [F] volgens de Staatssecretaris een contractuele constellatie mee die ertoe leidt dat de belanghebbende niet vrijelijk kon beschikken over het ontvangen dividend.
fraus legisdoor uitleg naar doel en strekking van de in art. 25(2) Wet Vpb geformuleerde bewijselementen.
per seook economische eigenaar is van het dividend: het recht daarop kan afgesplitst zijn door vruchtgebruik of doordat het dividendrecht anderszins bij een ander ligt. Ook het economische belang bij de vruchten is relevant bij de lokalisering van de economische eigendom van de aandelen, zodat die economische eigendom niet
per sebij de koper van de
futuresligt: wordt het verwachte dividend geannuleerd, dan gaat dat verlies enkel de belanghebbende aan. De belanghebbende herhaalt dat meegekocht dividend in de heffingsgrondslag van de koper valt. Zij verwijst naar een conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Van den Berge. [41]
4.Aanpak
principale middelen I en II, die het Hof een onjuiste feitenvaststelling verwijten ter zake van de
longen
shortposities en de EFP. In cassatie is geen plaats voor discussie over gestelde feitelijke effecten van een
matchingalgoritme van een
clearingbank. Wel merk ik op dat het mij bij fungibele beursaandelen in een effectendepot niet ter zake lijkt te doen welke aandelen van dezelfde soort de
clearingbank bij aankoop 1 gebruikt om de
shortpositie te dekken, als het maar om hetzelfde aantal en dezelfde waarde gaat als bij de
longpositie van de belanghebbende en als de belanghebbende na die dekking maar niet meer dividendgerechtigd was. Of al dan niet het etiket ‘
exchange for physicals’ geplakt kan worden op de samenhangende transacties bij aankoop 2, lijkt mij evenmin relevant; als ze maar samenhangen.
principaal middel IX, dat bestrijdt dat de onderzoeksbevindingen voor 2015 representatief zijn voor andere jaren, noch op
principaal middel XIV, dat bestrijdt dat alle zaakbetrekkelijke stukken zijn overgelegd. Representativiteit van bewijsmiddelen voor andere jaren is in eerdere conclusies behandeld; [42] hetzelfde geldt voor de reikwijdte van de plicht tot overlegging van zaakbetrekkelijke stukken. [43]
dividend stripping. Deze middelen kunnen deels worden afgedaan op basis van de conclusie en het arrest in de zaak HR BNB 2024/36 (
Morgan Stanley; zie 8.1 e.v. hieronder), maar zij roepen ook nieuwe rechtsvragen op, waarop ik wel inga.
individuelegeval misbruik aan te nemen, gegeven dat lidstaten EU-rechtelijk verplicht zijn om EU-rechtsmisbruik te bestrijden, ook als daarvoor nationaalrechtelijk geval geen wettelijke basis bestaat.
fraus legisvoor het geval belanghebbendes cassatieberoep (deels) slaagt, en komt aan de orde bij de beoordeling van ’s Hofs uitleg van art. 25(2) Wet Vpb.
fraus legisworden toegepast?
cum-deel van de prijs voor de
longpositie? Of in de verkoopprijs van de
futures?
cumdividend werden gekocht niet of beperkt verrekeningsgerechtigd was? Rechtvaardigt de vermoedelijke inprijzing van het verrekeningsrecht in de prijs van de
futures– behoudens tegenbewijs – het oordeel dat de koper van die
futuresin een ongunstiger verrekeningspositie verkeerde?
futures? Moet daarvoor de identiteit van de verkopers van de aandelen en die van de kopers van de
futuresworden vastgesteld?
overkill, moet dan desondanks verrekening geweigerd worden als in concreto misbruik wordt aangenomen, nu de lidstaten EU-rechtelijk verplicht zijn om misbruik van beroep op het EU-kapitaalverkeer te voorkomen?
5.De anti-dividend stripping-maatregel in de Wet Vpb; wettekst en achtergrond
De wet
BNB2001/196 [46] over een
market makeraan de Amsterdamse optiebeurs die daags vóór de dividenddeclaratie aandelen in een beursvennootschap kocht à ƒ 166,50 en tegelijk
deep in the moneyputopties met uitoefenprijs ƒ 175 voor ƒ 13 per stuk kocht. De volgende dag werd het dividend vastgesteld op ƒ 4,85 en werden de putopties uitgeoefend. De
market makergenoot aldus per saldo ƒ 175 – ƒ 166,50 – ƒ 13 + ƒ 4,85 = ƒ 0,35 per aandeel. Zij wenste de ingehouden 25% dividendbelasting (ƒ 1,21 per aandeel) te verrekenen. De inspecteur weigerde omdat hij meende dat de
market makereen instrument was van niet-verrekenings-gerechtigde aandeelhouders die op deze wijze hun dividenden ontdeden van Nederlandse dividendbelasting zonder enig verlies aan belang bij hun aandelen. Die opvatting was vermoedelijk juist, maar de mogelijk misbruikelijke bedoelingen van die aandeelhouders konden niet toegerekend worden aan de
market maker, die geen eigen belastingverijdelings-bedoelingen had, maar een zakelijk eigen (marge-)belang diende. U overwoog:
bedoeldeom mee te werken aan
dividend strippingof zich zelfs maar bewust was van de
strippingsbedoelingen van haar wederpartij. Art. 25(2) bevat alleen objectieve criteria juist
omdat‘de belastingplichtige’ veelal geen eigen antifiscale bedoelingen zal hebben ter zake van de dividendbelasting, maar – op zichzelf zakelijk – iets wil verdienen aan de antifiscale bedoelingen van niet-verrekeningsgerechtigde derden. De Nota naar aanleiding van het Verslag bij de Wet van 13 juli 2002 [47] vermeldt over het ontbreken van een subjectief criterium het volgende: [48]
BNB2001/196 zelfs af dat
dividend strippingnooit met
fraus legiskan worden bestreden:
market makerniet de mogelijke antifiscale motieven van de (eigenlijke) aandeelhouder aangewreven kunnen worden, maar dat het mij wel degelijk mogelijk lijkt dat de financiële dienstverlener
in fraudem legishandelt door gekunsteld – dus met misbruikelijke bedoelingen – de criteria van art. 25(2) Wet Vpb te frustreren om aldus een door de wetgever gewenste diskwalificatie als uiteindelijk gerechtigde oneigenlijk te verijdelen.
dividend strippingmaatregel werd uitgesteld [53] na verzet door het bedrijfsleven, dat zich niet geëquipeerd achtte om de uiteindelijke gerechtigdheid van zijn aandeelhouders te beoordelen. Uiteindelijk (in 2002) is op advies van de Raad van State en van de Commissie Van Rooy [54] de voorwaarde van uiteindelijke gerechtigdheid niet opgenomen in art. 1 Wet Pro Divb, in de bepalingen over vrijstelling, teruggaaf en verrekening van dividendbelasting in de wetten op de dividendbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. [55]
dividend stripping, al acht de regering het kennelijk niet redelijk de maatregel ook in dat geval toe te passen.
Morgan Stanley; zie 8.1 e.v. hieronder) heb ik de wetsgeschiedenis van de vereisten voor opbrengstgerechtigdheid in art. 25(1) Wet Vpb en voor uiteindelijke gerechtigdheid in art. 25(2) Wet Vpb behandeld. Ik onderscheidde drie objectieve vereisten voor het ontbreken van uiteindelijke gerechtigdheid van de opbrengstgerechtigde; de inspecteur moest aannemelijk maken dat:
cum-aandelen minder verrekeningsgerechtigd is dan ‘de belastingplichtige’ en zijn belang bij de door hem aan de belastingplichtige verkochte aandelen heeft behouden, met name of daarvoor voldoende is dat de prijs voor de
futures exdividend significant hoger is dan de ex-prijs van de aandelen.
6.‘Een tegenprestatie’ en behoud van belang; wetsgeschiedenis
dividend strippingaan de Tweede Kamer vermeldt dat de regering studeert op verdere maatregelen tegen (financiële dienstverlening inzake)
dividend stripping, met name door buitenlandse pensioenfondsen die op grond van EU-recht (vrij kapitaalverkeer) ingehouden dividendbelasting terug kunnen vragen, bijvoorbeeld een nettorendementseis en/of een minimumperiode van economische gerechtigdheid tot de aandelen.
curs. PJW):
De belastingplichtige maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst,met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de geheven dividendbelasting in het boekjaar € 1.000 of minder bedraagt.
wordt in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwddegene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij:
dividend strippingnog steeds slechts bestreden te kunnen worden als de belastingplichtige de tegenprestatie verricht. Lid 2 bepaalt immers nog steeds dat niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd ‘de belastingplichtige’ die een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties. Dat tot dat samenstel nu ook transacties behoren die zijn aangegaan door verbonden partijen, betekent niet dat transacties aangegaan door die verbonden partijen zijn aangegaan door de belastingplichtige. De transactie die de tegenprestatie inhoudt, zou dan dus nog steeds door de belastingplichtige moeten zijn aangegaan. Dat het vanaf 1 januari 2024 echter wel degelijk de bedoeling is om ook tegenprestaties verricht door verbonden partijen aan te merken als tegenprestaties verricht door ‘de belastingplichtige’, blijkt uit de MvT. Lid 3(c) is volgens die MvT ingegeven door discussies in de praktijk en dient om belangopsplitsing binnen een concern en grensoverschrijdende verhulling te voorkomen, en om op concern-niveau te beoordelen of zich een ‘samenstel van transacties’ voordoet. Transacties die onderdeel van het samenstel zijn, maar zijn aangegaan door verbonden partijen, worden daarom aan de belastingplichtige ‘toegerekend’, aldus de MvT: [64]
2.4 Versterking aanpak dividendstripping
futureaf met de aandelen C NV als onderliggende waarde. Daarmee is binnen het concern het koersrisico dat door A BV op de aandelen C NV wordt gelopen afgedekt. Met het voorgestelde artikel 25, derde lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969 wordt zeker gesteld dat een dergelijke afdekking op concernniveau in aanmerking wordt genomen als onderdeel van een samenstel van transacties in de zin van artikel 25, tweede lid, Wet Vpb 1969.
8.Rechtspraak en annotaties
futurester zake van die aandelen verkocht. Zij leende de aandelen uit aan [D] (
stock lending), waarvoor zij een
cash collateral($-stortingen als onderpand) en een
stock lending feeontving. Volgens de belanghebbende keerden de aandelen rond hun dividenddata steeds kortstondig terug in haar eigendom door registratie in haar effectendepot bij de Franse
custodianbank op basis van rechtshandelingen verricht tussen haar aandeelhouder [D] en haar, waarbij zij vertegenwoordigd werd door [D]. In geschil was of zij recht had op verrekening van € 39.249.246 aan Nederlandse dividendbelasting ingehouden op de dividenden op de door haar uitgeleende aandelen, met name of zij (i) opbrengstgerechtigde was en zo ja, (ii) of zij ook de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend was. Daarnaast was een informatiebeschikking en daaraan gekoppelde omkering van de bewijslast in geschil.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat met artikel 25, lid 2, tweede volzin, van de Wet Vpb is beoogd een zeer gerichte maatregel te treffen die is beperkt tot evidente gevallen van zogenoemde dividendstripping. [72] Verder kan uit de totstandkomingsgeschiedenis (…) worden afgeleid dat met het hier bedoelde samenstel van transacties het begrip uiteindelijk gerechtigde in zoverre wordt ingevuld dat is vastgelegd “wie in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt” en dat ermee wordt volstaan een bepaalde situatie te omschrijven waarin de opbrengstgerechtigde “in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde kan worden beschouwd”. [73] Die omschreven situatie wordt daarbij geduid als “een invulling van het begrip uiteindelijk gerechtigde waardoor opzetjes gericht worden tegengegaan” en als “een nader gepreciseerde invulling van het begrip uiteindelijk gerechtigde”. In de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling wordt op diverse plaatsen uitdrukkelijk opgemerkt dat het gaat om een “beperkte en zeer gerichte aanscherping van de wetgeving”. [74]
,van de Wet Vpb, een uitputtende regeling bevat van de gevallen waarin de opbrengstgerechtigde die vrijelijk over de opbrengst kan beschikken en bij de ontvangst daarvan niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt, toch niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd. In andere gevallen staat deze bepaling niet eraan in de weg dat de opbrengstgerechtigde de hoedanigheid van uiteindelijk gerechtigde heeft indien hij vrijelijk over de opbrengst kan beschikken en bij de ontvangst daarvan niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt.
6.Slotsom
long stock/short futurestrategie
in fraudem legishad gehandeld.
in fraudem legishandelt. Daarbij laten zich twee vormen van
fraus legisdenken: (i) (specifiek) gekunstelde antifiscale omzeiling van de criteria in art. 25(2) Wet Vpb of (ii) (meer algemeen) voortdurende, want naar willekeur herhaalbare, gekunstelde verijdeling van heffing van vennootschapsbelasting door gekunstelde verrekening van dividendbelasting.
dividend strippingaan de Tweede Kamer vermeldt dat de zaak is ingetrokken, maar niet door wie, noch waarom: [76]
Morgan Stanleyter zake van de mogelijkheid van toepassing van
fraus legiswel een standpunt ingenomen. Zij achtte alsnog beroep op
fraus legisuitgesloten als art. 25(2) Wet Vpb de belastingplichtige niet diskwalificeert als uiteindelijk gerechtigde: [77]
BNB2012/213
a contrariois bedoeld, gegeven dat u in die zaak het cassatieberoep verwierp tegen onder meer het oordeel van het Hof dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 10a Wet Vpb niet kan worden afgeleid dat de wetgever daarmee een limitatieve regeling voor onaanvaardbare grondslagerosie wilde treffen, maar veeleer bestaande jurisprudentie wilde codificeren.
Morgan Stanleytoepassing alsnog van
fraus legisdoor het verwijzingshof uitgesloten:
in fraudem legishandelde en (…) dat zowel in strijd met doel en strekking van art. 25 Wet Pro VPB 1969 als met doel en strekking van de Wet VPB 1969 zou zijn gehandeld [zie r.o. 97-103 van de Rechtbankuitspraak]. De Rechtbank oordeelde dat de inspecteur zich niet op
fraus legiskon beroepen omdat – kort gezegd – de wetgever met art. 25 lid 2 Wet Pro VPB 1969 in samenhang met lid 3 een uitputtende maatregel heeft willen treffen tegen dividendstripping, zodat daarnaast geen ruimte bestaat voor fraus legis. Ook werden volgens de Rechtbank doel en strekking van de wet niet geschonden omdat de transacties juist tot een verhoging van de Nederlandse belastingopbrengst leidden (via de vpb) en zich daarom juist geen onaanvaardbare grondslag-erosie voordeed. Gelet op de door belanghebbende aangevoerde commerciele arbitrage-argumenten was het voor de Rechtbank evenmin aannemelijk dat het behalen van een belastingvoordeel het doorslaggevende motief voor het aangaan van de transacties was. Het Hof kwam, gelet op zijn oordeel, niet toe aan de vraag of fraus legis aan de orde is. Gelet op de karakterisering van art. 25 lid 2 en Pro lid 3 Wet VPB 1969 door de Hoge Raad acht ik het uitgesloten dat bij verwijzing een beroep op strijd met doel en strekking van art. 25 Wet Pro VPB 1969 kans maakt. Er is namelijk geen sprake van een doorslaggevend oogmerk van verijdeling van de specifieke bepaling van art. 25 lid 3 Wet Pro VPB 1969. Dit is anders dan bijvoorbeeld in het twee maanden later verschenen arrest HR 22 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:469, waarin de verijdeling van de verbondenheidseis van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 maakte dat een beroep op fraus legis vanwege strijd met doel en strekking van art. 10a Wet VPB 1969 gehonoreerd werd.”
market maker-arrest HR BNB 1994/217; PJW] gegeven invulling van het begrip uiteindelijk gerechtigde. De invoering van art. 25 lid 2 Wet Pro Vpb 1969 brengt daarin geen verandering, ondanks het feit dat de wetgever nadrukkelijk heeft aangegeven af te zien van een wettelijke definitie van het begrip uiteindelijk gerechtigde in de verwachting dat ‘in de toekomst invulling van het begrip in concrete gevallen door de rechter plaatsvindt’. De HR vindt dat de wetgever onvoldoende duidelijk is geweest over de voorwaarden of vereisten en omstandigheden die een rol zouden moeten spelen bij de invulling van het begrip en mist ook voorbeelden (4.3.3.). Slechts in de in art. 25 lid 2 onderdelen Pro a en b Wet Vpb 1969 beschreven situaties is de Marketmaker-uiteindelijk gerechtigde alsnog geen uiteindelijk gerechtigde voor toepassing van art. 25 lid Pro 2.
Morgan Stanleynog steeds het beoordelingskader is voor zaken van vóór 2014.
Morgan Stanleyaf dat u de mogelijkheid open laat om
dividend strippingtoch ook nog met
fraus legiste bestrijden:
fraus legis. Maar in tegenstelling tot
fraus legisbevatten de zojuist genoemde wettelijke bepalingen uitsluitend objectieve voorwaarden en geen oogmerkvereiste, geen vereiste dat het doorslaggevende motief voor het aangaan van de transacties is gelegen in belasting-verijdeling of het behalen van een belastingvoordeel. Volgens de parlementaire geschiedenis moesten de
long-shorttransacties uit het geen-
fraus legis-arrest uit 2001 [HR
BNB2001/196; PJW] namelijk door de nieuwe wetgeving worden getroffen, en dat zou, zo was uit dit arrest op te maken, niet lukken als het oogmerkvereiste in die wetgeving zou worden opgenomen. [80] Daarmee is overigens nog niet gezegd dat dividendstripping ook tegenwoordig niet met
fraus legiszou kunnen worden bestreden. De Hoge Raad lijkt in het arrest van begin 2024 bij de verwijzingsopdracht die mogelijkheid te hebben opengelaten. [81] ”
dividend strippingrieken, sterk afhangt van de zaakspecifieke feiten en omstandigheden. Twee uitspraken van dezelfde rechtbank illustreren dat:
futuresresp.
price return swapsonvoldoende bewijs voor de stelling dat het om
dividend strippingging. De zaak betrof de inhoudingsvrijstelling in art. 4(7) Wet Divb. De belanghebbende was een Canadese trust die in 2013 is opgericht en in 2014 miljoenen beursgenoteerde Nederlandse aandelen kocht op een moment waarop het dividend al bekend was, maar nog niet gedeclareerd. Ltd. 2, gevestigd in de UK, deed
custodyvoor de trust. De trust sloot op dezelfde dag van aankoop ook
futureresp.
price return swapcontracten af met Ltd. 2, waarvan de gekochte aandelen het object waren. Kort na dividendontvangst verkoopt de belanghebbende de miljoenen aandelen weer. De Rechtbank achtte de inspecteur niet geslaagd in het bewijs van de door art. 4(7) Wet Divb geëiste ‘tegenprestatie’ in verband met het op de aandelen ontvangen dividend:
custodydoet voor de trust; PJW] een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties als bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet DB. De inspecteur voert aan dat hiervan sprake is omdat de koop van de aandelen is gekoppeld aan de gelijktijdige verkoop van futures ([bedrijf 1] aandelen) dan wel de afsluiting van de price return swap ([bedrijf 2] aandelen) met [Ltd. 2]. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat deze derivatenovereenkomsten voor te hoge, niet marktconforme, prijzen zijn afgesloten. In de prijs van de futures respectievelijk de price return swap is volgens de inspecteur een vergoeding begrepen voor het opteren voor de teruggave van dividendbelasting waardoor [Ltd. 2], als beperkt verrekeningsgerechtigde, een deel van de door belanghebbende teruggevraagde dividendbelasting heeft ontvangen. Deze stelling is door belanghebbende ter zitting gemotiveerd betwist. Volgens belanghebbende was in de prijs van de futures respectievelijk de price return swap een vergoeding voor algehele dienstverlening door [Ltd. 2] begrepen. Anders dan de inspecteur betoogt, is er volgens belanghebbende geen onzakelijk element in die vergoeding aanwezig die zou zien op het meedelen van [Ltd. 2] in een teruggaaf van dividendbelasting. Gelet op die betwisting is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de prijsstelling van de futures en de price return swap een vergoeding voor de te verlenen teruggaaf van dividendbelasting is begrepen.
NTFR2025/480) acht dit bewijsoordeel discutabel:
price return swapaf met dezelfde wederpartij, waardoor de (soortgelijke) aandelen na dividenddatum werden teruggeleverd voor de marktwaarde
exdividend, verhoogd met een vergoeding voor ‘de fiscale dienstverlening’. In deze zaak, eveneens over de inhoudingsvrijstelling van art. 4(7) Wet Divb) achtte de Rechtbank de prijsstelling van de
price return swapwél (mede) bewijs van een tegenprestatie en van behoud van belang en beperkte verrekeningsgerechtigdheid van de wederpartij. Zij verwees daarbij naar de Hofuitspraak die u thans moet beoordelen:
private equityovername van een Nederlandse
target, overwoog u dat
fraus legiskan worden toegepast ook als niet aan de toepassingsvoorwaarden van art. 10a Wet Vpb (anti-winstdrainage) is voldaan, maar doel en strekking van die bepaling worden gefrustreerd door een samenstel van rechtshandelingen tussen gelieerde lichamen met als doorslaggevend oogmerk de ontwijking van die toepassingsvoorwaarden:
HunkemöllerHR
BNB2021/137 [90] bleek overigens al dat kunstmatig om de criteria van art. 10a Wet Vpb heen construeren niet beschermt tegen toepassing van
fraus legis.
9.(Overige) literatuur
cumdividend kort voor de dividenddatum. Aldus ook Brandsma, [93] die opmerkt dat de koper van zulke aandelen alle daaraan verbonden rechten koopt, waaronder het recht op dividend.
long/shortarbitrage ziet ook Kors [94] een eventuele tegenprestatie in de
cum-aankoopsom van de aandelen, i.e. in de vooruitbetaling van het verwachte dividend:
2.1.1 Een tegenprestatie in samenhang met het genoten dividend
record datekrijgt geleverd (
cum cumdus). In die situatie vergoedt de koper/opbrengstgerechtigde aan de verkoper het te verwachten, maar nog niet afgescheiden dividend dat in de koopprijs van de aandelen zit besloten. De tegenwaarde van het dividend wordt dan aan de verkoper vooruitbetaald.
long-shortdividendstripping, de situatie die in het (geen) fraus legis-arrest uit 2001 [HR
BNB2001/196; PJW] aan de orde was en die de rechtbank Noord-Holland in 2023 bewezen achtte, worden de aandelen nadat het dividend is aangekondigd
cum cumverkocht. [95] Hierdoor wordt de koper/meer gerechtigde partij de opbrengstgerechtigde en daarmee ook de partij die de dividendbelasting geheel of gedeeltelijk kan verrekenen of terugvragen. Tegelijkertijd wordt een derivaat overeengekomen op grond waarvan de verkopende/minder gerechtigde partij dezelfde (soort) aandelen na de record date zonder dividend (ex) weer terug kan of moet kopen. Na de
record dateworden de (zelfde soort) aandelen op basis van het derivaat zonder dividend aan dezelfde minder gerechtigde partij terugverkocht. Bij deze vorm wordt door de koop van de aandelen
cum cumde tegenwaarde van het te verwachten, maar nog niet afgescheiden dividend door de koper/opbrengstgerechtigde aan de verkoper/minder gerechtigde partij vergoed. In dit geval bestaat de tegenprestatie dus uit een vooruitbetaling van het te verwachten dividend. [96]
dividend strippingen een belangrijk hulpmiddel bij de toetsing aan de objectieve wettelijke criteria voor ontbreken van uiteindelijke gerechtigdheid: [97]
4 De verdeling van de ‘bespaarde’ dividendbelasting
cum cumen een verkoop van een future in verband met zelfde aandelen hadden plaatsgevonden, maar de opbrengstgerechtigde bestreed dat beide transacties met dezelfde partij waren afgesloten. [98] Daarnaast bestreed de opbrengstgerechtigde dat de wederpartij een mindergerechtigde partij was. Het was de inspecteur echter opgevallen dat de future, die was gebaseerd op de verkoopprijs van de aandelen
cum cum, geen zakelijke uitoefenprijs had. Om tot een uitoefenprijs voor de aandelen zonder dividend te komen, was het brutodividend niet voor 100% maar slechts voor 88-89% ingeprijsd. Op grond hiervan zou de oorspronkelijke verkoper van de aandelen 11-12% ‘te veel’ moeten betalen om de aandelen terug te kopen. [99]
BNB2001/196; PJW] was (…) de dividendbelasting verdeeld. [102] (…).
futuresin een samenstel van transacties zoals dat van de belanghebbende wijst op
dividend stripping. Hij ziet een sterk signaal van
dividend strippingals (i) kort voor de ex-datum een significante aandelenpositie wordt gekocht waarbij (ii) het (prijs)risico wordt afgedekt met
futuresen (iii) het verwachte dividend slechts deels (bijv. voor 88%) wordt ingeprijsd in die
futures, omdat dit er zijns inziens op duidt dat het belang bij de gekochte aandelen in wezen blijft bij een partij die de dividendbelasting in mindere mate terug kan krijgen. Een volledig verrekeningsgerechtigde die het dividend vrij van dividendbelasting kan ontvangen zou dat volle verrekeningsrecht namelijk niet inruilen voor een combinatie van transacties die slechts 88% van dat dividend oplevert. Hij gaat ook in op de thans bestreden Hofuitspraak:
6. Expliciete deling van gunstige belastingpositie: de theorie
Exchange for Phyiscals”. Bij dergelijke transacties wordt de “Physical” (het aandeel) tijdelijk omgeruild voor de future. In de regel worden de voorwaarden voor dergelijke transacties – al dan niet via tussenpersonen – bilateraal overeengekomen. Ook al worden de voorwaarden bilateraal overeengekomen, afwikkeling van de transacties (clearing) kan wel via de beurs plaatsvinden.
implied dividends”) in futures: “
One motivation for trading known dividends through an EFP is the different tax treatments of different investors.” [113]
7.Expliciete deling van gunstige belastingpositie: de praktijk
all-in rate” genoemd. [116]
maghandelen. Partij A heeft wel de mogelijkheid om aandelen uit te lenen via
securities lendingovereenkomsten. Partij B heef juist geen toegang tot deze
securities lendingmarkt. Partij A kan daarmee eerst zijn aandelen uitlenen aan Partij C, een grote financiële instelling. Partij C gaat op zijn beurt de EFP-transactie aan met Partij B. Een extra schakel in de keten. Partij C functioneert als tussenschakel tussen (uiteindelijk) Partij A en Partij B.
8.Conclusie
futuresop
dividend strippingwijst omdat er zijns inziens niet-fiscale redenen kunnen zijn voor die prijsstelling en bij beurstransacties de prijsvorming een gemiddelde is; een marge van 2% bij volledig dividendgerechtigden kan staan tegenover een marge van 20% bij volledig niet-verrekeningsgerechtigden, resulterend in een gemiddelde marge van rond de 10% van het dividend, waarbij de arbitrageur (de aandelenkoper/
future-verkoper) niet weet met welke soort wederpartij hij van doen heeft. Volgens hem is voor het oordeel dat het om
dividend strippinggaat daarom identificatie van de wederpartij vereist. Hij schrijft naar aanleiding van de boven geciteerde publicaties van Kors en Tjerkstra en van de thans te beoordelen Hofuitspraak:
kanzijn die de Nederlandse dividendbelasting probeert te ontwijken. Dat is evenwel niet een gegeven, ook niet als het dividend slechts voor een gedeelte (bijv. voor 88% dan wel 89%) in de uitoefenkoers van de betreffende derivaten is ingeprijsd. Dusdanig geprijsde derivaten worden immers door zowel minder als volledig gerechtigde wederpartijen gekocht, hetgeen ik nader zal toelichten in subparagraaf 3.1. Vervolgens zal ik in subparagraaf 3.2 antwoord geven op de in de literatuur opgeworpen vraag waarom een volledig gerechtigde wederpartij genoegen zou nemen met een inprijzing van 89% (in plaats van 100%) van het dividend.
to meet emergency needs.” [124] [onderstreping toegevoegd]
Staff has since liquidated the TIPS portfolio to provide cash for margin and has applied an[long-futures]
overlay to obtain the requisite fixed income allocation.” [125] [onderstreping toegevoegd]
Anecdotal evidence suggests that short sellers tend to avoid cash dividends. (…)
As a result, cash dividend distributions could potentially create short squeezes, making the price of highly shorted stocks excessively sensitive to the news of a cash dividend. (…) This short squeeze will generate short term nonfundamentals-driven buying pressure on the underlying stock, leading to a price overshoot and making the price of the highly shorted stock excessively sensitive to dividend announcements (…).
Second, the price overshoot will be fully reversed over time, as short sellers gradually take back their original short positions after the dividend distribution.” [127] [onderstreping toegevoegd]
Nederlandse dividendbelastingop dividenden te verminderen die feitelijk
binnen de grondslag van de dividendbelastingzouden moeten vallen.” [129] [onderstreping toegevoegd]
het verlagen van de Nederlandse nettodruk van de Nederlandse dividendbelasting, zonder dat (het samenstel van) de transactie(s) aanmerkelijke bedrijfseconomische of andere zakelijke voordelen biedt voor een of meerdere bij de transactie(s) betrokken marktpartijen.” [130] [onderstreping toegevoegd]
Nederlandsedividendbelasting hoger zou zijn geweest in het hypothetische scenario dat deze partij het dividend (zelf) zou hebben ontvangen. Is dat het geval, dan bevindt die partij zich dus in een mindere dividendbelastingpositie dan de opbrengstgerechtigde zoals bedoeld in de anti-dividendstrippingbepalingen. In de feitenrechtspraak is echter ook een andere benadering gehanteerd. Zo betrok de Rechtbank Noord-Holland blijkens een uitspraak uit 2018 bij de beoordeling of met een minder gerechtigde wederpartij was gehandeld, de omstandigheid dat de desbetreffende buitenlandse partij de Nederlandse dividendbelasting mogelijk in haar eigen vestigingsstaat had kunnen verrekenen. [131] De Rechtbank Noord-Holland vond de desbetreffende tegenpartij niet minder gerechtigd dan de opbrengstgerechtigde indien deze wederpartij in Nederland weliswaar tegen een eindheffing zou zijn aangelopen, maar de (Nederlandse) bronheffing in de eigen lidstaat (het Verenigd Koninkrijk) zou hebben kunnen verrekenen met de
corporate tax. Hoe het ook zij, elk van beide benaderingen noopt in mijn optiek tot de conclusie dat dividendstripping alleen aannemelijk kan worden gemaakt wanneer de wederpartij daadwerkelijk wordt geïdentificeerd; een uit de prijsstelling van derivaten ten onrechte afgeleid vermoeden, volstaat niet. Immers, wanneer de (veronderstelde) wederpartij onbekend blijft, is het niet mogelijk om te beoordelen hoe de dividendbelastingpositie van de opbrengstgerechtigde zich verhoudt tot de (fiscale) positie van deze onbekende – niet geïdentificeerde – wederpartij.
fraus legisnaast de anti-
dividend strippingmaatregelen in met name art. 25(2) Wet Vpb en art. 4(7) Wet Divb. Hij wijst op de boven (8.7) geciteerde Rechtbankuitspraak in de zaak
Morgan Stanleyen op de ook door de belanghebbende aangehaalde opvatting van A-G IJzerman [134] dat als de wetgever al heeft voorzien in sancties op het ontgaan van belasting, de mogelijkheid van toepassing van het algemene leerstuk
fraus legisbeperkt is.
fraus legis. De belanghebbende lijkt haar cassatieberoepschrift mede gebaseerd te hebben op die publicatie van Franssen, gezien het gebruik van dezelfde bronnen en argumentatie. [136]
Morgan Stanley; HR BNB 2024/36; PJW] heeft overwogen dat art. 25 lid 2 tweede Pro volzin Wet Vpb 1969 een uitputtende regeling bevat. (…). Naar het oordeel van het hof houdt de genoemde uitputtendheid geenszins in dat volstrekt kunstmatige constructies waarmee een of meer van de toepassingsvoorwaarden van de uitputtende regeling van art. 25 lid 2 tweede Pro volzin en art. 25 lid 3 Wet Pro Vpb 1969 worden ontgaan, niet met een oordeel gebaseerd op doel en strekking van deze regeling kunnen worden gepasseerd. (…).
10.Beoordeling van de rechtsvragen
Een tegenprestatie
cumprijs voor de aandelen bij het aangaan van wat het Hof ‘aankoop 2’ noemt: de vooruitbetaling van het verwachte dividend aan de verkoper van de aandelen. Het Hof lijkt daar in r.o. 5.16.3 van af te trekken het bedrag dat die wederpartij bij haar simultane en samenhangende aankoop van
futuresbetaalt boven de
ex-waarde van de teruggekochte aandelen, maar dat lijkt mij niet relevant voor de vraag of zich ‘een tegenprestatie’ voordoet omdat het niet afdoet aan ’s Hofs vaststelling dat een tegenprestatie is geleverd in samenhang met het dividend. De omvang van die tegenprestatie doet niet ter zake zolang zij significant is en verband houdt met de omvang van het dividend.
cumdividend voor de aandelen betaald door de buitenlandse groepsvennootschap en heeft de groep het bezit van de aandelen toegerekend aan de belanghebbende om haar opbrengstgerechtigd te maken door middel van de depotregistratie op haar naam. Het Hof heeft ook alle andere elementen van ‘aankoop 2’ aan de belanghebbende toegerekend, dus ook de betaling van de prijs
cumdividend en de verkoop van de
futures. Op de vraag of dat kan (vraag 1 in onderdeel 4.6 hierboven), ga ik in onderdeel 11 hieronder in.
nettedwerd met de negatieve liquiditeitspositie van GmbH, waardoor het door de belanghebbende ontvangen dividend ten goede kwam aan GmbH. De belanghebbende leverde aldus een tegenprestatie
jegens GmbHdoor doorbetaling van het dividend aan GmbH, aldus de Staatssecretaris.
Morgan Stanley; zie 8.1 e.v. hierboven). De conclusie [138] in die zaak zegt er slechts over dat grondslagincludering de juiste maatstaf is voor opbrengstgerechtigdheid en u ging niet op de kwestie in, maar verwees te dier zake naar art. 81 Wet Pro RO:
vervangendebetaling aan de wederpartijen, hetgeen impliceert dat die betaling niet het dividend zelf betreft.
BNB1975/213 [144] . Een enig aandeelhouder loste een schuld ad fl 29.000 aan ‘zijn’ BV af door haar in april 1970 dividendbewijzen in betaling te geven. In juli 1970 inde de BV het netto-dividend van circa fl. 30.000. Inspecteur en Hof zagen slechts een winstbestanddeel ad ca fl 1.000, zodat de BV slechts 25% daarvan kon verrekenen. U casseerde dat oordeel omdat u art. 25(1) Wet Vpb aldus uitlegde dat het brutodividend het winstbestanddeel vormde; dat werd dus niet anders doordat het brutodividend bijna geheel was afgeboekt op de vordering op de aandeelhouder; het werd ook niet anders door incassokosten voor het dividend. Aldus ook mijn voormalig ambtgenoot Van den Berge: [145]
Morgan Stanleyarrest (zie 8.1 e.v. hierboven) en de depotregistratie van de aandelen op belanghebbendes naam lijkt mij dat inderdaad een gegeven, nu niet blijkt dat de belanghebbende de dividendbewijzen heeft vervreemd, een recht van vruchtgebruik op heeft gevestigd of het recht op de opbrengst van de aandelen anderszins heeft afgesplitst van de aandelen (zie r.o. 4.2.2 van uw arrest
Morgan Stanley). De stelling van de Inspecteur dat niet de belanghebbende maar de aandelenverkopers/
futureskopers het dividend hebben genoten omdat niet de belanghebbende maar die verkopers economisch eigenaar van de aandelen zouden zijn, lijkt mij daarmee onverenigbaar. Die stelling lijkt mij ook onverenigbaar met het vastgestelde feit dat hoe dan ook 8 à 12% van het brutodividendbedrag juist niet aan de verkopers van de aandelen ten goede is gekomen omdat dat deel bij de belanghebbende bleef – zoals ook de Inspecteur stelde. De Staatssecretaris noemt dat deel van het door de belanghebbende genoten dividendbedrag een ‘
fee’voor haar financiële dienstverlening, maar die benaming kan niet wegnemen dat die 8 à 12% van het brutodividend wel degelijk ook economisch uitsluitend door de belanghebbende genoten dividend was.
futureshadden afgedekt, onderscheidt hen niet van de belanghebbende, die haar koersrisico immers evenzeer had afgedekt. Afdekking van het koersrisico op de
aandelenzegt verder op zichzelf niets over de vraag wie de
vruchtenvan het aandeel (de opbrengst) juridisch of economisch geniet.
Market maker-arrest HR
BNB2001/196 (zie 5.2 hierboven) bleek nu juist duidelijk dat opbrengstgerechtigden in de omstandigheden van de belanghebbende wél verrekeningsgerechtigd zijn en dat juist daarom invoering van art. 25(2) Wet Vpb wel degelijk noodzakelijk was – en is – om verrekening door de opbrengstgerechtigde te kunnen weigeren.
dividend strippingbestaan en zouden ontstaan, al dan niet met behulp van uiteenlopende derivaten, die hij niet kon voorzien, laat staan omschrijven. Duidelijk is dat hij ook die omweggelijke en meer ingewikkelde vormen van dividend stripping wilde bestrijden en onder art. 25(2) Wet Vpb begreep, maar zich realiseerde dat als gevolg van de bewijslastverdeling het voor de inspecteur moeilijk zou kunnen zijn (tot 2024) om door tussenpersonen en derivaten heen te kijken, en dat als gevolg daarvan de maatregel ‘in zijn praktische toepassing’ (tot 2024) beperkt zou zijn tot ‘evidente gevallen’ van
dividend stripping(zie 5.10 hierboven). De wetgever had dus niet het oog op een normatieve beperking (alleen evidente gevallen), maar een praktische: hij realiseerde zich dat de bewijslastverdeling in de praktijk zou meebrengen dat de Inspecteur alleen in het vereiste bewijs zou slagen in de meer evidente gevallen. ‘Evident’ is in dit verband dus geen vereiste of andere norm, maar een gevolg: gevallen waarin de inspecteur slaagt in het bewijs van
dividend stripping, zijn – daarom – ‘evidente gevallen’ van dividend stripping in de zin van de wetsgeschiedenis.
chatsmet de belanghebbende waarin (bijvoorbeeld) de
broker[G] per fonds en per land prijzen opgeeft waartegen long/short-transacties worden aangeboden, met een vergoeding voor de ‘stripper’ van het te incasseren dividend, ter vermijding van een eindheffing ten laste van de (niet of beperkt verrekeningsgerechtigde) verkoper van 15% Nederlandse dividendbelasting (zie r.o. 5.12.9 jo. r.o. 5.7.8);
broker,dat toont dat de via brokers met de buitenlandse groepsvennootschap handelende wederpartijen zonder uitzondering beperkt verrekeningsgerechtigde buitenlandse partijen waren, waaronder grote Amerikaanse zakenbanken, en dat het niet om beurstransacties, maar om OTC-transacties ging;
cumdividend en future-verkoop
exdividend ging om gelijktijdig tot stand gekomen en met elkaar samenhangende, want
pre-arrangedtransacties (onder meer r.o. 5.16.4);
futureeen prijs is overeengekomen die mede de mogelijkheid voor [A] om de dividendbelasting te verrekenen reflecteert:
pre-arranged tradestot stand kwamen. Identificatie van de uiteindelijke wederpartij is niet nodig als ook daarzonder al aannemelijk is dat de wederpartij minder verrekeningsgerechtigd is en een vergelijkbare aandelenpositie heeft behouden of verkregen. Het Hof kon dat mijns inziens op basis van de door de Inspecteur bijgebrachte bewijsmiddelen zonder rechtsschending of motiveringsgebrek aannemelijk achten.
futuresbewijs ziet van minder verrekeningsrecht en positiebehoud van de wederpartij (zie 9.2 en 9.3 hierboven) overtuigender acht dan de literatuur die betoogt dat zulks alleen bewezen zou kunnen worden door de (uiteindelijke) wederpartijen te identificeren en hun specifieke aandelenposities en beweegredenen voor op het oog verlieslatende
tradesvast te stellen (zie 9.4-9.6). Beweegredenen doen volgens de wettekst overigens ook niet ter zake. Ook het Hof van Justitie van de EU heeft geoordeeld dat voor het bewijs van Richtlijn-
shoppingdoor middel van
conduitsniet vereist is dat de uiteindelijk gerechtigde wordt geïdentificeerd, als het kunstmatige
conduit-karakter van het arrangement maar aannemelijk is. [147]
custodianbank als intermediair is zakelijk. Omdat de EFPs zijn aangegaan door de buitenlandse groepsvennootschap is civielrechtelijk die vennootschap ‘degene die’ in samenhang met de later door de belanghebbende genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht, namelijk de betaling aan de derde van een bedrag overeenkomend met het verwachte dividend.
longpositie (‘aankoop 1’) en haar wens om via ‘aankoop 2’ opnieuw dividendgerechtigd te worden; (ii) het gaat evident om
dividend strippingdoor bedrijfsmodelmatige speculatie op grammaticale uitleg van art. 25(2) Wet Vpb door middel van een gekunstelde ‘knip’ tussen de
futuresverkopende groepsvennootschap en de aandelen kopende (althans toegerekend krijgende) belanghebbende.
hedgingof
nettingeffectief niet meer opbrengstgerechtigd was op de
longpositie van ‘aankoop 1’ en daarom opnieuw aandelen kocht (liet kopen) om opnieuw opbrengstgerechtigd te worden, zie ik geen grond voor toerekening, aan de belanghebbende, van de dividendvervangende betaling door de buitenlandse groepsvennootschap en dier simultane en samenhangende
futures-verkoop Uit de vastgestelde feiten volgt niet dat ‘aankoop 1’ onderdeel is van
strippingin ‘aankoop 2’. ‘Aankoop 1’ bood juist géén gelegenheid tot verrekening omdat er juist géén opbrengstrecht aan vast zat. De
strippingkan alleen in ‘aankoop 2’ zitten, waarbij fiscaal minder relevant lijkt of en zo ja, welk verband bestaat met ‘aankoop 1’, tenzij het Hof bedoelt dat ‘aankoop 1’ slechts diende om een commercieel ogende verklaring te leveren voor ‘aankoop 2’ om het eigenlijke
stripping-karakter van ‘aankoop 2’ te verhullen. Dat lees ik echter niet in ’s Hofs uitspraak.
fraus legis-terminologie en verwijst naar HR
BNB2024/52 (zie 8.14 hierboven) waarin u
frausart. 10a Wet Vpb aannam en dus verder ging dan wetsuitleg, gegeven dat
fraus legispas aan de orde kan komen als het door de wetgever beoogde resultaat niet bereikt kan worden met de gewone uitlegmethoden zoals de teleologische.
futuresverkoop door de buitenlandse groeps-vennootschap aan de belanghebbende kan mijns inziens niet gebaseerd worden op uitleg van art. 25(2) Wet Vpb, al dan niet naar doel en strekking. De wettekst eist dat ‘de belastingplichtige’ de tegenprestatie verricht. Ik zie in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten voor substitutie van rechtshandelingen of personen binnen groepen of voor vereenzelviging van groepsvennootschappen die geen fiscale eenheid zijn. Pas sinds 2024 bepaalt de wet (althans de desbetreffende wetsgeschiedenis; zie 8.3 hierboven) dat samenhangende transacties aangegaan door verbonden partijen kunnen worden toegerekend aan de belastingplichtige. Dat voordien in de praktijk al discussie bestond over dergelijke toerekening, maakt mijns inziens niet dat de wettekst toen al kon worden uitgelegd zoals de MvT bij de 2024-wijziging zegt dat de 2024-wijziging is bedoeld. Dat zou mijns inziens in wezen verandering van feiten, personen of rechtshandelingen inhouden, wat mijns inziens alleen bereikt kan worden met het
ultimum remediumvan
fraus legis, dat substitutie of eliminatie van rechtshandelingen en van feiten toelaat.
futuresverkocht, nl. fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten of
fraus legis. Ik zou me overigens ook kunnen voorstellen dat de belanghebbende via een van die wegen reeds
als opbrengstgerechtigdegediskwalificeerd wordt, maar die weg lijkt afgesloten door het boven (8.1 e.v.) geciteerde arrest in de zaak
Morgan Stanley, denkelijk omdat de wetgever in verband met de uitvoerbaarheid van de dividendbelasting voor de inhoudingsplichtige de juridische gerechtigdheid tot de (opbrengst van de) aandelen beslissend achtte voor opbrengstgerechtigdheid. Zoals u overwoog:
fraus legis. Nogal impliciet staat in r.o. 5.17.3 dat het Hof
subsidiairuitgaat van
frausart. 25(2) Wet Vpb:
fraus legisnaar hetzelfde resultaat leidt.
frausart. 25(2) Wet Vpb, zodat ik meen dat het Hof terecht tot dat subsidiaire oordeel is gekomen.
fraus legisleest, meen ik dat ’s Hofs eindoordeel juist is omdat – wat er zij van zijn rechtsvindingsmethode – uit zijn oordeel onmiskenbaar volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden van
frausart. 25(2) Wet Vpb is voldaan. Het Hof heeft immers bewezen geacht – en kon dat op basis van het bewijsmateriaal ook bewezen achten – dat de belanghebbende en de groep waartoe zij behoorde ‘oogmerkelijk’ het opbrengstrecht en de tegenprestatie uit elkaar hebben gespeeld (het eerste bij de belanghebbende en de tweede bij de buitenlandse groepsvennootschap) met het doel toepasselijkheid van art. 25(2) Wet Vpb te frustreren, door het Hof gekarakteriseerd als bedrijfsmodelmatige speculatie op grammaticale uitleg van artikel 25(2) Wet Vpb in strijd met doel en strekking van die bepaling (r.o. 5.17.3). Gezien zijn gebruik van de termen ‘oogmerkelijk’, ‘in strijd met doel en strekking van artikel 25[2, 2e volzin]’, ‘ontgaansmotief’, ‘op gekunstelde wijze inlassen’, ‘zonder dat daarvoor een ander doel dan het ontgaan van artikel 25[2, 2e volzin] aannemelijk is geworden’, ‘volstrekt kunstmatige constructies’, en ‘bedrijfsmodelmatig speculeren’ en zijn beroep op HR
BNB2024/52 (over
frausart. 10a Wet Vpb; zie 8.14 hierboven) impliceert ‘s Hofs oordeel dat zich
frausart. 25(2) Wet Vpb voordeed.
Feitelijkachtte hij aannemelijk dat de belanghebbende en haar groep als – enige, dus zeker doorslaggevend – oogmerk hadden om kunstmatig gecreëerde verrekening van dividendbelasting aan derden te verkopen waarop die derden juridisch noch economisch recht hadden, door commercieel gekunstelde frustratie van één van de toepassingsvoorwaarden van art. 25(2) Wet Vpb en
rechtskundigachtte hij het beoogde resultaat onverenigbaar met doel en strekking van die bepaling, die immers juist gericht is tégen kunstmatig gecreëerde en aan niet-verrekeningsgerechtigden verkochte verrekeningsrechten.
fraus legistoepast. Hij gaat niet zichtbaar in op het subsidiaire
fraus legis-standpunt van de inspecteur en lijkt de zaak af te doen op diens primaire standpunt, maar hij zegt ook niet – anders dan de rechtbank – dat hij daardoor niet meer toekomt aan diens subsidiaire
fraus legis-standpunt. Het is mij niet duidelijk waarom het Hof er zo vaag over is, maar wat daar van zij, zijn oordeel is volstrekt helder ter zake van het doorslaggevende – enige – motief van de belanghebbende voor de litigieuze transacties: dat motief is volgens het Hof gekunstelde ontwijking van art. 25(2) Wet Vpb. Dat (bewijs)oordeel lijkt mij, zoals bleek, geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarmee is het feitelijke element van
fraus legis(oogmerk van oneigenlijk belastingvoordeel) gegeven. Het rechtskundige element is de vraag of het beoogde resultaat in strijd komt met doel en strekking van art. 25(2) Wet Vpb. Dat is een rechtsvraag, die dus geheel zelfstandig door u beantwoord kan worden. Het lijkt mij duidelijk dat het door de belanghebbende beoogde resultaat doel en strekking van art. 25(2) Wet Vpb) schendt. Ook het Hof heeft met zoveel woorden aldus geoordeeld.
frausart. 25(2) Wet Vpb) is mijns inziens dus het juiste, omdat verrekening in casu alleen met toepassing van
fraus legisgeweigerd kan worden wegens ontbreken van uiteindelijke gerechtigdheid in de zin van art. 25(2) Wet Vpb. Met teleologische interpretatie kunnen mijns inziens feiten, personen en rechtshandelingen niet genegeerd of gesubstitueerd worden, en dat is mijns inziens wel nodig om de belanghebbende de door haar gewenste verrekening van dividendbelasting te weigeren. Dat lukt mijns inziens alleen met
fraus legis.
Morgan Stanley(zie 8.1 e.v. hierboven) overwoog dat de in de wetsgeschiedenis gegeven voorbeelden alleen zien op gevallen waarin zich het in art. 25(2) jo. (3) Wet Vpb omschreven samenstel van transacties voordoet en de opbrengstgerechtigde dus juist
nietuiteindelijk gerechtigd is en dat de regeling van art. 25(2) Wet Vpb in zoverre uitputtend is dat de wetgever de rechter aldus geen aanknopingspunten heeft gegeven om de term ‘uiteindelijke gerechtigde’ verder in te vullen, hetgeen de rechter dan ook niet op eigen gezag gaat doen. Als het door het Hof vastgestelde oogmerk en de door hem geconstateerde gekunsteldheid (dus het misbruik) worden weggedacht, valt belanghebbendes geval wel degelijk onder de in de wetsgeschiedenis omschreven situaties en gegeven voorbeelden waarin de opbrengst-gerechtigde in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties omschreven in art. 25(2) Wet Vpb. Het misbruik bestond volgens het Hof immers juist uit het gekunsteld uit elkaar spelen van de opbrengstgerechtigde en de groepsvennootschap die de tegenover de dividendontvangst staande tegenprestatie verricht jegens de niet of minder verrekeningsgerechtigden.
12.De EU-vrijheid van kapitaalverkeer
Van Schijndel en Van Veen [150] volgt, brengt de vereiste effectiviteit van het EU-recht niet mee dat een cassatierechter op een dergelijk beroep moet ingaan als voor de beoordeling ervan feitelijk onderzoek vereist is dat in beroep en hoger beroep niet is geschied omdat de partijen het EU-rechtelijke punt waarop zij zich in cassatie beroepen, niet hebben opgebracht in die feitelijke instanties. Het is mij bijvoorbeeld niet duidelijk met welke binnenlandse situatie vergeleken moet worden, gegeven dat in binnenlandse verhoudingen de opbrengstgerechtigde en de tegenpresteerder denkelijk niet antifiscaal gekunsteld uit elkaar gespeeld worden, als dergelijke discongruentie zich überhaupt al voordoet in interne gevallen. Dat zou feitelijk uitgezocht moeten worden
X BV, [152] volgt dat als een grensoverschrijdende transactie een kunstmatige constructie is om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd zou zijn (zoals in casu), het EU-recht niet alleen afwijzing van een misbruikelijk beroep op het kapitaalverkeer
toestaat, maar zulks
eist. Uit dat arrest blijkt ook dat het EU-recht niet in de weg staat aan
volledigeweigering van misbruikelijk beoogde belastingvoordelen (in dat geval renteaftrek), ook niet als dat kan leiden tot dubbele heffing omdat over die rente ook (enigszins) geheven wordt bij de gelieerde buitenlandse renteontvanger. Voor zoveel in belanghebbendes geval al dubbele belasting zou ontstaan, zoals de belanghebbende stelt (de Staatssecretaris bestrijdt dat en het is in feitelijke instanties niet vastgesteld, terwijl ook dat in cassatie niet onderzocht kan worden), verzet het EU-recht zich daar dus niet tegen. Ik merk daarbij op dat de belanghebbende de strekking van art. 25(2) Wet Vpb ten onrechte omschrijft als voorkoming van dubbele belasting. Die bepaling heeft immers juist specifiek bestrijding van volstrekt kunstmatige constructies ten doel, nl. antifiscale gekunstelde
dividend stripping. Het HvJ overwoog in het genoemde arrest onder meer:
frausart. 25(2) Wet Vpb heeft toegepast en zich daarom uitgebreid verdiept heeft in de individuele beweegredenen van deze belanghebbende (die misbruikelijk bleken) en de specifieke feiten en omstandigheden van haar geval (die evidente
dividend strippinguitwezen, in strijd met doel en strekking van art. 25(2) Wet Vpb). Zelfs als sprake zou zijn van ongelijke behandeling van grensoverschrijdende en interne gevallen, is de rechtvaardiging daarvoor daarmee gegeven – nl. noodzakelijke misbruikbestrijding – en ook de evenredigheid van de belemmering, want van mechanische toepassing van (te) algemene criteria is bij
fraus legisper definitie geen sprake. Toepassing van
fraus legisimpliceert immers constatering van een volstrekt kunstmatige constructie in de zin van de misbruikrechtspraak van het HvJ en impliceert evenzeer individuele beoordeling, dus afwezigheid van (te) vage
one size fits allconfectiecriteria met
over-of
underkill.
in abstractovoldoende misbruik-
targetedom de evenredigheidstoets van het HvJ te doorstaan. Die bepaling lijkt mij nl. specifieker en rechtszekerder dan art. 10a Wet Vpb, waartegen het HvJ geen bezwaar had in de genoemde zaak C-585/22,
X BV(zie met name punten 91 en 92):
beneficial ownership-zaken; PJW] en aldaar aangehaalde rechtspraak).