Conclusie
brief van 26 januari 2016, later toegelicht in de
brieven van 6 en 13 februari 2016, omvat, naast een klacht als bedoeld in art. 13a RO, een aantal grieven tegen de beslissingen van het gerechtshof Amsterdam van 22 december 2015 en de daaraan voorafgaande beslissingen in de tuchtrechtelijke procedure tegen de deurwaarder.
brief van 22 februari 2016heeft hoofdzakelijk betrekking op de klachtprocedures die verzoeker heeft gevoerd bij het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Groningen en in hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidzorg. Verzoekers klachten waren gericht tegen de huisarts, de arts-ouderengeneeskundige en de betrokken verpleegkundige. Bij drie beslissingen van 12 januari 2016 heeft het Centraal Tuchtcollege in elk van deze zaken het hoger beroep van verzoeker verworpen [9] .
brief van 29 februari 2016heeft hoofdzakelijk betrekking op het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 november 2015 dat hiervoor al ter sprake kwam. Verzoeker heeft getracht bij brief van 2 februari 2016 (niet ondertekend door een advocaat) hoger beroep in te stellen, waarna de griffier van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hem op 3 februari 2016 heeft laten weten dat het hof geen kennis neemt van stukken die zonder tussenkomst van een advocaat worden ingediend. De griffier heeft hem geattendeerd op het verstrijken van de appeltermijn op 10 februari 2016. Het verzoek aan de Hoge Raad behelst bezwaren tegen het vonnis van 10 november 2015 en tegen de genoemde brief van 3 februari 2016.
brief van 2 februari 2016heeft betrekking op een klacht van verzoeker tegen de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel. In de klachtprocedure bij de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden heeft verzoeker leden van de Raad gewraakt en vervolgens leden van de wrakingskamer. Over de kwadraatwraking is door de Raad beslist op 1 mei 2015 (nr. 87/14); over de wraking op 7 december 2015 (nr. 66/14). Bij fax van 16 december 2015 heeft verzoeker zich gewend tot de voorzitter van het Hof van Discipline met diverse verzoeken en een aantal bezwaren tegen de genoemde beslissingen van de Raad. Bij e-mail van 16 december 2015 heeft de griffier van het Hof van Discipline namens dat Hof aan verzoeker laten weten dat het hof niet zal voldoen aan die verzoeken, omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Bij e-mail van 17 december 2015 heeft de griffier van het Hof van Discipline daarbij volhard.
brief van 7 maart 2016heeft betrekking op het verzoek van verzoeker aan de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel om een advocaat aan te wijzen om verzoeker bij te staan ten aanzien van, kort gezegd, een door hem in te dienen schadeclaim (zie art. 13 lid 1 Advocatenwet Pro). Verzoeker stelt verscheidene advocaten vergeefs hiertoe te hebben benaderd. Na correspondentie hierover heeft de Deken bij brief van 19 februari 2015 aan verzoeker bericht het verzoek om aanwijzing buiten behandeling te laten, om de in die brief aangegeven redenen. Hierover heeft verzoeker beklag gedaan bij het Hof van Discipline (op grond van art. 13 lid 3 Advocatenwet Pro). Bij beslissing van 18 mei 2015 (nr. 7463) heeft het Hof van Discipline het beklag ongegrond verklaard. De brief van 7 maart 2016 omvat een aantal bezwaren tegen deze beslissing van het Hof van Discipline.
brief van 9 maart 2016reageert verzoeker op correspondentie betreffende kwesties die in de voorgaande alinea’s al zijn behandeld. Ik lees in deze brief geen beroep in cassatie tegen een bepaalde rechterlijke beslissing.
brief van 29 maart 2016heeft betrekking op het schrijven van 26 januari 2016 waarin de griffier van het Hof van Discipline, namens dat Hof, aan verzoeker te kennen heeft gegeven dat het Hof diverse verzoeken van verzoeker niet kan inwilligen. Het gaat om (i) een verzoek om de Deken op te dragen een advocaat aan te wijzen; (ii) een aantal stellingen van eiser voor recht te verklaren; (iii) aangifte te doen op grond van art. 162 Sv Pro en (iv) verzoekers tuchtklacht ten aanzien van de griffier van de Raad voor Discipline ter kennis van die raad te brengen. De brief van 29 maart 2016 omvat een aantal bezwaren die kennelijk gericht zijn tegen deze beslissing van het Hof van Discipline.
brief van 9 april 2016heeft betrekking op een verzoek van verzoeker aan de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland om een advocaat aan te wijzen om hem bij te staan (art. 13 lid 1 Advocatenwet Pro). Na correspondentie hierover heeft de Deken op 12 juni 2015 het verzoek afgewezen. Over deze beslissing van de Deken heeft verzoeker beklag gedaan bij het Hof van Discipline (zie art. 13 lid 3 Advocatenwet Pro). Ter zitting van het Hof van Discipline heeft verzoeker de leden van het hof gewraakt. Bij beslissing van 14 maart 2016 (nr. 7577) [13] heeft het Hof van Discipline het wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld en het beklag ongegrond verklaard. De brief van 9 april 2016 omvat een aantal bezwaren tegen deze beslissing van het Hof.
mutatis mutandis, voor de
brief van 31 mei 2016, waarin verzoeker bezwaar maakt tegen een beslissing van het Hof van Discipline van 25 april 2016 (nr. 16-376) op een door verzoeker ingediend wrakingsverzoek.