Conclusie
1.Inleiding
Doel van de vordering tot cassatie in het belang der wet
: ‘(…) Zie dementieverklaring. (…)’
) verwacht en wenst (…) gesprek met echtpaar uitleg over positie ha, de veklaring aangenomen en uitgelegd hoe het gaat als het zo ver zou komen’
10/2013, de rechtbank begrijpt: 17/
1/2013) januari 2013 heeft patiënte in bijzijn van haar echtgenoot met haar geriater gesproken. De geriater schrijft hierover in een brief van 22 januari 2013 aan de huisarts, voor zover thans van belang:
) bij verergering van conditie zegt zij ok mischien dan’
) kon inschatten of zij wist wat zij had opgesteld. Ja absoluut, zij wist volledig wat zij had opgesteld. U vraagt of zij het helder kon verwoorden. Ja, zeker. Zij heeft tijdens het spreekuur alles zelf verteld. Dat zij niet net als haar moeder jarenlang in een verpleeghuis zou worden opgenomen. Dat was voor haar het allerbelangrijkste van alle punten. (Patiënte) kwam vervolgens regelmatig voor haar bloeddrukcontroles bij mij, ongeveer elke drie maanden. (..) U vraagt of er toen ook werd gesproken over euthanasie. Ja, kort en haar antwoord was: ‘ik wil absoluut niet opgenomen worden. U vraagt of ik het idee had dat zij nog steeds wist wat dit betekende, als ze dit vertelde. Ja. (…)’
3.Rechtsvergelijkende notitie over euthanasie
4.Mensenrechtelijk kader
5.De procedure toetsing van euthanasie
Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake actieve levensbeëindiging op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding)opgesteld die inzicht geeft in de wijze waarop de beslissingen van het College van PG’s tot stand komen ten aanzien van artsen die euthanasie hebben toegepast op patiënten. [106] Ik meen dat de Aanwijzing als recht in de zin van art. 79 RO Pro moet worden aangemerkt. [107] De Aanwijzing heeft de status van een op de wet gebaseerde regeling die in de Staatscourant is bekendgemaakt. Volgens de Minister van V&J behelst de nieuwe OM Aanwijzing geen veranderd beleid. [108] Maar Ploem en Legemaate constateren niet zonder reden dat het college van PG’s de accenten toch anders lijkt te willen plaatsen [109] :
6.De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
7.Het delict en de tenlastelegging van levensbeëindiging op verzoek
fysiekewilsuiting in staat is.
te doen heeft met een jong kind of met een geesteszieke kan het verzoek, hoewel subjectief wellicht als ernstig beleefd, van het standpunt van het recht niet als ernstig gelden. Uiteindelijk zal de rechter moeten vaststellen of er sprake was van een uitdrukkelijk en ernstig verlangen. Als verdachte dat naar het oordeel van de rechter ten onrechte heeft aangenomen, zelfs verschoonbaar, komt toepassing van art. 293 Sr Pro niet in aanmerking. Anderzijds geldt mijns inziens dat de rechter art. 293 Sr Pro ook zal moeten toepassen in het geval dat er in werkelijkheid wel een uitdrukkelijk en ernstig verlangen bestond en ook is geuit, waarmee de verdachte lichtvaardig heeft ingestemd. Of verdachte een gewetensvol en zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd naar de aard van het verlangen is in zo’n geval niet relevant. (…)
‘(…)De eigen verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie voor de vervolgingsbeslissing brengt met zich mee dat het, mede aan de hand van het uitgebrachte oordeel in het concrete geval, het handelen van de arts toetst aan de geldende wettelijke norm en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie. Het oordeel of het handelen van de arts valt binnen de bijzondere strafuitsluitingsgrond dan wel binnen de delictsomschrijving van artikel 293, eerste lid of 294, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, komt uiteindelijk toe aan het Openbaar Ministerie en aan de rechter aan wie de zaak in voorkomende geval wordt voorgelegd. (…)x ’
op het moment van levensbeëindigingniet in alle gevallen nodig is om te komen tot toepassing van art. 293 Sr Pro. [141]
8.Uitleg van de schriftelijke wilsverklaring
9.Van overeenkomstige toepassing. Wat wordt daarmee bedoeld?
10.Een vrijwillig en weloverwogen verzoek
nietde plicht rustte te informeren naar een actuele levens- of stervenswens van de patiënte. Daarmee wordt een eis gesteld die de wet niet kent. De specifieke positie van de wilsonbekwame patiënt brengt met zich dat mondelinge verificatie van zijn wens en zijn lijden niet mogelijk is.xii Met die eis zou afbreuk worden gedaan aan de wilsverklaring, die nu juist bedoeld is voor de situatie dat degene die de wilsverklaring heeft afgegeven in een situatie van ondraaglijk en uitzichtloos lijden zal geraken en niet langer in staat is zijn wil te uiten. xiii
(…) Een schriftelijke wilsverklaring kan echter ook een mondeling verzoek vervangen, volgend uit artikel 2, lid 2, van de Euthanasiewet. Hierin wordt bepaald dat in het geval dat een patiënt niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke wilsverklaring inhoudende een verzoek om levensbeëindiging heeft afgelegd, de arts aan dit verzoek gevolg kan geven. Dit artikel is van belang bijvoorbeeld indien een patiënt met een euthanasieverzoek inmiddels wilsonbekwaam is geworden. Om bij een patiënt met een dergelijke problematiek te kunnen beoordelen of er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek is een schriftelijke wilsverklaring essentieel. Daarbij kan het de arts in zijn overtuiging steunen als er eerder gezamenlijk – toen de patiënt nog in staat was zijn of haar wil te uiten – meermalen en uitgebreid bij de verklaring is stilgestaan en de patiënt de verklaring met regelmaat heeft geactualiseerd en ondertekend. (…)’xiv
‘(…) De concrete gevolgen van de schriftelijke wilsverklaring, bedoeld in artikel 2, tweede lid, zijn deze, dat de arts zodanige verklaring kan beschouwen als overeenstemmend met de wil van de patiënt. De verklaring heeft (…) dezelfde status als een concreet verzoek om levensbeëindiging. De aanwezigheid van één van beide legitimeert de arts, met inachtneming van de overigens in het wetsvoorstel genoemde zorgvuldigheidseisen, om aan de wens van de patiënt gevolg te geven. (…)’xv
‘ (…) De wil die in de schriftelijke wilsverklaring wordt vastgelegd, kan op het moment dat de beschreven situatie zich voordoet, worden beschouwd als de actuele wil. Dat wil zeggen dat indien de patiënt zijn of haar wil niet meer kan uiten, de schriftelijke wilsverklaring als actuele uiting van de wil kan worden gezien. De vraag is welke waarde moet worden toegekend aan gedrag dat niet in lijn is met hetgeen beschreven is in de wilsverklaring en hoe dit dan moet worden geïnterpreteerd. De in de oordelen van de toetsingscommissies gevonden benadering ten aanzien van later gedrag, lijkt aan te sluiten bij de bewoordingen van de oorspronkelijk voorgestelde wettelijke bepaling over de schriftelijke wilsverklaring: de arts kan op de schriftelijke wilsverklaring afgaan,<
‘(…) Onze reactie op het aangehaalde standpunt, dat meer waarde moet worden gehecht aan hetgeen de dementie patiënt op het moment zelf wil dan aan hetgeen hij eerder op papier heeft gezet, luidt, dat er voor de arts geen aanleiding zal bestaan het verzoek in te willigen, indien een demente patiënt die zijn wil nog kenbaar kan maken, aangeeft dat niet te willen. De wilsverklaring zal, zo hebben wij duidelijk gemaakt, vooral richtsnoer kunnen zijn voor de arts indien het gaat om een patiënt die reeds zo dement is, dat van het coherent kenbaar maken van een wil geen sprake meer is.(…)’
‘(…) Inderdaad is nimmer met zekerheid te zeggen of de patiënt, wanneer de situatie zoals omschreven in de wilsverklaring zich voordoet, nog steeds dezelfde wens, te weten levensbeëindiging, zou koesteren. Deze rekenschap dient te patiënt zich te geven bij het opstellen van de verklaring, en de arts, met wie de patiënt deze verklaring bespreekt, kan dit de patiënt ook voorhouden. Wij benadrukken in dit verband nog eens dat een wilsverklaring, zolang de patiënt daartoe in staat is, te allen tijde door hem kan worden herroepen. Indien evenwel de wilsverklaring aan duidelijkheid niet te wensen overlaat over de omstandigheden waarin de patiënt wenst dat, indien hij wilsonbekwaam is geworden, zijn leven wordt beëindigd, dan is de inwilliging van dat verzoek overeenkomstig de in dit wetsvoorstel gestelde voorwaarden, naar ons oordeel te beschouwen als levensbeëindiging op uitdrukkelijk verzoek. (…)xviii
die zijn wil nog kenbaar kan maken (curs. JS), aangeeft dat niet te willen, b. de patiënt zijn wens tot levensbeëindiging uitdrukkelijk mondeling moet bevestigen zolang dit nog mogelijk is, c. de regeling van de wilsverklaring vooral bedoeld is voor de situatie waarin de patiënt fysiek niet meer in staat is zijn wil te uiten, waardoor een mondelinge bevestiging van het verzoek niet mogelijk is en d. de wilsverklaring vooral richtsnoer zal kunnen zijn voor de arts indien het gaat om een patiënt die reeds zo dement is, dat van het coherent kenbaar maken van een wil geen sprake meer is. [176]
in het kader van de zorgvuldigheid van de uitvoeringvan euthanasie in beginsel niet achterwege mag blijven. Daar gaat het niet om de bepaling van de weloverwogenheid of vrijwilligheid van het verzoek. Het Regionaal Tuchtcollege leest in de Euthanasiecode 2018 dat ondanks een toereikende wilsverklaring, levensbeëindiging niet kan plaatsvinden wanneer de gedragingen/uitingen van patiënt nadat hij wilsonbekwaam is geworden niet in lijn zijn met deze wilsverklaring.
11.Uitzichtloos en ondraaglijk lijden
Artikel 2, eerste lid, sub b, Wtl: uitzichtloos en ondraaglijk lijden
uitzichtloosheidvan het lijden is – uiteindelijk – het medisch oordeel bepalend. Naar medisch vakkundig oordeel moet vaststaan dat de situatie van de patiënt niet te verbeteren is. Aldus wordt de uitzichtloosheid geobjectiveerd. Als de vraag of het lijden kan worden opgeheven, door de behandelend arts ontkennend wordt beantwoord, ontbreekt een reëel behandelingsperspectief. Of zodanig perspectief bestaat, kan volgens geobjectiveerde medische maatstaven worden nagegaan. Volgens de Commissie Aanvaardbaarheid Levensbeëindigend handelen van de KNMG spelen de volgende drie elementen hier een rol. Een behandelingsperspectief is reëel als (a) er naar huidig medisch inzicht bij adequate behandeling zicht op verbetering is, (b) binnen afzienbare termijn, (c) met een redelijke verhouding tussen de te verwachten resultaten en de belasting van de behandeling voor de patiënt. Uitgaande van bovenstaande elementen is bijvoorbeeld opname in een verpleeghuis uitsluitend ter verdere verzorging niet aan te merken als een reëel behandelingsperspectief. Het is van belang om aan te geven wanneer er sprake is van een reëel behandelingsperspectief, omdat de Hoge Raad in zijn arrest van 21 juni 1994, NJ 1994, NJ 1994, 656 (in rechtsoverweging.6.3.3.) heeft overwogen dat bij de beoordeling of sprake is van zó uitzichtloos en ondraaglijk lijden dat daardoor het verlenen van hulp bij zelfdoding als een in noodtoestand gerechtvaardigde keuze is aan te merken, immers van belang is dat van zodanige uitzichtloosheid in beginsel geen sprake kan zijn indien een reëel alternatief om dat lijden te verlichten door de patiënt in volle vrijheid is afgewezen.
ondraaglijkheidvan het lijden dient voor de vraag of euthanasie mag worden toegepast evenzeer te worden vastgesteld, maar is, in tegenstelling tot de uitzichtloosheid van het lijden, een in hoge mate subjectieve, en moeilijk te objectiveren factor. Niettemin zal de arts, indien het lijden niet ook voor hemzelf, naasten en hulpverleners evident is, het lijden moeten kunnen invoelen en – afgaande op zijn ervaringen als arts met de gevolgen van een bepaalde gezondheidstoestand in verschillende vormen en gradaties – tot op zekere hoogte moeten kunnen objectiveren. Naarmate het lijden een meer psychische component bevat is de ondraaglijkheid ervan moeilijker vast te stellen en zal een zorgvuldiger toetsing van de arts moeten worden verlangd. Daarnaast zal tijdsverloop bij de besluitvorming enige objectiverende werking kunnen hebben op de vaststelling dat sprake is van ondraaglijk lijden. De vaststelling dat sprake was van ondraaglijkheid van het lijden achteraf komt, zo beantwoorden wij de vraag daarover van de SP-fractie, neer op een marginale toetsing of de behandelend arts in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat sprake was van ondraaglijk lijden.” [196]
uitzichtloosheidvan het lijden moet worden beoordeeld aan de hand van
geobjectiveerdemedische maatstaven. Naar medisch vakkundig oordeel moet vaststaan dat de situatie van de patiënt niet te verbeteren is. Een behandelingsperspectief is reëel als a) er naar huidig medisch inzicht bij adequate behandeling zicht op verbetering is, b) binnen afzienbare termijn, c) met een redelijke verhouding tussen de te verwachten resultaten en de belasting van de behandeling voor de patiënt. De
ondraaglijkheidvan het lijden moet worden beoordeeld aan de hand van
subjectievemaatstaven; het gaat om het lijden van de desbetreffende patiënt. Indien het lijden niet evident is, zal de arts het lijden moeten kunnen invoelen en tot op zekere hoogte moeten kunnen objectiveren. Tot de inwilliging zal eerder aanleiding zijn indien uit concrete feiten en omstandigheden binnen de situatie waarin de patiënt verkeert, is af te leiden dat deze lijdt onder uiterst onaangename gevolgen van zijn dementie of van andere bijkomende aandoeningen. Ingeval een dementiepatiënt een geldige schriftelijke wilsverklaring heeft zal de arts de vraag of een inmiddels wilsonbekwame patiënt ondraaglijk lijdt, moeten beantwoorden aan de hand van de omschrijving in de wilsverklaring van de situatie waarin de patiënt levensbeëindiging wenst en voorts afgaande op zijn ervaringen als arts met de gevolgen van een bepaalde gezondheidstoestand in verschillende vormen en gradaties. De door de patiënt gegeven omschrijving in de wilsverklaring alleen is niet voldoende, de arts moet tevens zelf de overtuiging hebben dat de patiënt lijdt. De vaststelling dat feitelijk sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden is een medisch-professioneel oordeel dat is voorbehouden aan de arts en kan achteraf slechts marginaal worden getoetst.
12.De medisch zorgvuldige uitvoering
13.Samenvatting
op het moment van levensbeëindigingniet in alle gevallen nodig is om te komen tot toepassing van art. 293 Sr Pro. (Zie paragraaf 7.17 t/m 7.28)
geobjectiveerdemedische maatstaven. Naar medisch vakkundig oordeel moet vaststaan dat de situatie van de patiënt niet te verbeteren is. Een behandelingsperspectief is reëel als a) er naar huidig medisch inzicht bij adequate behandeling zicht op verbetering is, b) binnen afzienbare termijn, c) met een redelijke verhouding tussen de te verwachten resultaten en de belasting van de behandeling voor de patiënt. De ondraaglijkheid van het lijden moet worden beoordeeld aan de hand van
subjectievemaatstaven; het gaat om het lijden van de desbetreffende patiënt. Indien het lijden niet evident is, zal de arts het lijden moeten kunnen invoelen en tot op zekere hoogte moeten kunnen objectiveren. Het is aan de arts om te bepalen welke aspecten hij mee laat wegen bij de beantwoording van de vraag of er in het geval van gevorderde dementie bij de patiënt sprake is van ondraaglijk lijden. Hij dient dit wel te beoordelen mede aan de hand van subjectieve maatstaven. Derhalve zal de inhoud van de schriftelijke wilsverklaring een belangrijke rol spelen. Juridisch gezien heeft de arts mijns inziens in principe de ruimte om de - blijkens de schriftelijke wilsverklaring - onaanvaardbare levensstaat waarin de dementiepatiënt verkeert, mede gelet op de geschiedenis, de (vroegere) persoonlijkheid en het (vroegere) waardepatroon van de patiënt, aan te merken als actueel ondraaglijk lijden. Dit tenzij er aanwijzingen zijn dat er geen sprake is van actueel lijden. In de praktijk wordt echter vaak aangenomen dat de schriftelijke wilsverklaring niet voldoende is en dat er daarnaast sprake moet zijn van feiten of omstandigheden waaruit actueel lijden blijkt. Bij gevorderde dementiepatiënten kan dit bijvoorbeeld blijken uit non-verbale uitingen. De vaststelling dat sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden is een medisch-professioneel oordeel, dat achteraf slechts marginaal kan worden getoetst (getoetst moet worden of de arts in redelijkheid tot de overtuiging kon komen dat sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden). (Zie H11)