Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Aanvang verjaringstermijn
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Kern van de zaak en het geding in feitelijke instanties”) en onder 2 een vijftal onderdelen (2.1-2.5).
heefteen procedure bij de civiele rechter geëntameerd. Op 30 maart 2004 heeft de voorzieningenrechter de door [eiser] gevraagde voorzieningen afgewezen (productie 9 bij dagvaarding) [8] .
Saelman/AZVU [19] ). De omstandigheid dat [eiser] later, als gevolg van een uitspraak van de voorzieningenrechter, de kans op succes in een civiele bodemprocedure tegen de Gemeente (overigens ten onrechte) slechter is gaan inschatten, kon (uiteraard) niet ongedaan maken dat de verjaring van zijn rechtsvordering reeds liep en kon evenmin tot stuiting van de verjaring leiden. Een reeds lopende verjaring wordt niet ongedaan gemaakt en wordt niet gestuit door wisselende inschattingen door de crediteur van zijn kans op succes in een civiele schadevergoedingsactie.
nietblijkt uit de conclusie die in de laatste alinea van het onderdeel aan de onder a-l weergegeven stellingen wordt verbonden), geldt dat, gelet op de vaststaande feiten, onmiskenbaar is dat [eiser] vóór de kortgedinguitspraak van 30 maart 2004 in zodanige mate zekerheid had verkregen dat hij door tekortschietend of foutief handelen van de Gemeente was en zou worden geschaad, dat hij niet slechts in staat was om een rechtsvordering in te stellen, maar (na bij brief van 4 december 2003 de verjaring te hebben gestuit; zie rov. 4.13) een zodanige rechtsvordering (zij het niet gericht op schadevergoeding maar op een rechterlijk gebod) ook daadwerkelijk heeft ingesteld. Aan het gegeven dat daarmee de verjaringstermijn is gaan lopen, doet niet af dat [eiser] in dat stadium nog geen absolute zekerheid had, in het bijzonder omdat nog onzeker was hoe de rechter zou oordelen. Voor het ingaan van de korte verjaringstermijn is absolute zekerheid echter niet vereist, terwijl - zoals het hof in rov. 4.8 terecht heeft overwogen - art. 3:310 lid 1 BW Pro voor het ingaan van de verjaringstermijn naast daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met de feiten en omstandigheden die op zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon betrekking hebben, niet óók daadwerkelijke bekendheid met de - juiste - juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden, of, anders gezegd, met de aan die feiten en omstandigheden te verbinden rechtsgevolgen verlangt [21] . Dat (zoals de onder f, g, i en l weergegeven stellingen lijken te impliceren) eerst van bekendheid van de benadeelde met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon sprake zou kunnen zijn nadat de betrokken aansprakelijkheid bij (een in kracht van gewijsde gegane) rechterlijke uitspraak is vastgesteld, kan (uiteraard) al helemaal niet worden aanvaard [22] . Een dergelijke opvatting zou tot de ongerijmde consequentie leiden dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro nimmer zou kunnen verstrijken voordat de rechter over de betrokken rechtsvordering heeft beslist, waarmee de korte verjaringstermijn haar betekenis praktisch zou verliezen.
ASR/Achmea [23] handelt - voor zover hier van belang - over de aanvang van de verjaringstermijn in geval van nog niet opeisbare vorderingen. In het onderhavige geval kan echter niet worden gezegd - zoals de stelling onder l doet - dat de vordering tot vergoeding van schade eerst opeisbaar werd nadat de rechtbank Arnhem op 31 januari 2008 uitspraak had gedaan. Ook het hof heeft in rov. 4.9 overwogen dat een situatie als bedoeld in dat arrest zich niet voordoet, nu daarin voor het ontstaan van de vordering, en daarmee de opeisbaarheid ervan, anders dan in het onderhavige geval, immers nog voldoening van de schuld door de hoofdelijk verbonden schuldenaar voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat nodig was. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en ook niet onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 2.1al gronden voor cassatie beoogt aan te voeren, zijn deze tevergeefs voorgesteld.
Saelman/AZVUde korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW Pro in de sleutel van de billijkheid heeft geplaatst en dat de Hoge Raad in dat kader heeft beslist [26] dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn niet beslissend is hetgeen de benadeelde bekend had
kunnenzijn, maar datgene wat hem
daadwerkelijk bekend is. Daarnaast is het zo, aldus het onderdeel, dat het volgens de Hoge Raad [27] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaaris dat de schuldenaar zich beroept op verjaring indien het feit dat de benadeelde zijn vordering niet kan instellen juist het gevolg is van omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend. De verjaringstermijn gaat pas lopen vanaf het moment dat de benadeelde
daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. De bekendheid met de schade moet, nog steeds volgens het onderdeel, naar vaste rechtspraak zo worden opgevat dat het (eveneens) gaat om daadwerkelijke bekendheid: het enkele
vermoedenvan het bestaan van schade is niet genoeg [28] .
verwachtendat hij die als gevolg van het onrechtmatig handelen van de aansprakelijke partij zou kunnen gaan lijden. Ook heeft het hof, nog steeds volgens het onderdeel, geoordeeld dat de door [eiser] aangehaalde arresten waarin is beslist dat de verjaring niet gaat lopen voordat de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is geworden, zien op een ander geval. Zoals in onderdeel 2.1 is uitgewerkt, beroept [eiser] zich erop dat hij - naar blijkt uit de uitkomst van het door hem gevoerde kort geding - in de periode 28 november 2003-31 januari 2008 (nog) geen rechtsvordering ten aanzien van zijn schade aanhangig kon maken, omdat hij uit dat kort geding-vonnis kon en mocht afleiden dat een claim tegen de Gemeente op dat moment geen succes zou hebben gehad en hij ook niet naar de bestuursrechter kon om deze situatie te veranderen. Dat veranderde eerst toen de
bestuursrechter(onherroepelijk) had bepaald dat de Gemeente wel degelijk onrechtmatig handelde door in dit geval het bestemmingsplan te handhaven.
met enige kans op succes, een rechtsvordering ter zake van de door hem geleden schade kan instellen. Dat betekent dat een partij die van de burgerlijke kortgedingrechter te horen krijgt dat zijn civiele zaak in de bodemprocedure tot opheffing van een bepaalde situatie waarschijnlijk niet wordt toegewezen, erop mag vertrouwen dat er nog geen verjaringstermijn ex art. 3:310 BW Pro loopt ten aanzien van de (on)rechtmatigheid van de situatie en de daaruit voortvloeiende schadeclaim, zeker in het geval als het onderhavige waar de Gemeente zich in beginsel gewoon beriep op het bestemmingsplan en het op 28 november 2003 of 4 december 2003 geenszins vaststond dat de Gemeente onrechtmatig handelde met het verbod tot verhuur aan derden. Het enige dat vaststond was dat op het kantoor van [eiser] een agrarische bestemming rustte en het “Bestemmingsplan Buitengebied” geen kantoorfunctie toestond. Voor zoveel leek de Gemeente met het verbod op verhuur aan derden in haar recht te staan.
zelfschorsende werking heeft. Het gaat echter om de vraag of kan worden gezegd dat [eiser] gelet op de
uitkomstvan dat kort geding in die periode met (reële kans op) succes een civiele (bodem)procedure had kunnen en moeten starten. Onder verwijzing naar de stellingen zoals geciteerd in onderdeel 2.1 onder a-l stelt het onderdeel dat dit laatste niet het geval was.
andersdan dat nog niet de
schadein volle omvang bekend is.
enige kans van slagen had moeten hebben. Het moet niet gaan om een theoretische mogelijkheid die in de praktijk, naar verwachting, een zinloze en kansloze exercitie blijkt. Wanneer, zoals in casu, een partij daadwerkelijk ageert en in kort geding te horen krijgt dat de civiele rechter in de bodemzaak zijn vordering tot het opheffen van de onrechtmatige toestand niet zal gaan toewijzen (omdat die toestand niet als onrechtmatig wordt gezien), staat niet, althans niet kenbaar, een reële mogelijkheid open voor een rechtsvordering tot vergoeding van de schade als gevolg van die onrechtmatige toestand en kan dus, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet worden gezegd dat er dan op dat moment (al) een verjaringstermijn loopt.
welsprake was van een overheidsbeschikking waartegen een administratieve rechtsgang openstond die de burgerlijke rechter, gelet op de in de rechtspraak ontwikkelde taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter, eerst kan toewijzen indien en nadat die rechtsgang is gevolgd en daarbij is beslist dat de beschikking onrechtmatig is. Volgens het onderdeel heeft het hof in rov. 4.10, eerste volzin, miskend dat [eiser] in het geheel niet heeft gesteld dat hij eerst na het uitputten van de bestuursrechtelijke weg naar de burgerlijke rechter kan en dat dit wordt geblokkeerd door het feit dat er tegen het intrekken van het gedoogbesluit geen administratiefrechtelijke route openstaat. Zoals blijkt uit de stellingen uit de memorie van grieven van [eiser], zoals in onderdeel 2.1 weergegeven, heeft [eiser] gesteld dat de burgerlijke rechter in kort geding heeft geoordeeld dat hij op basis van de op dat moment bekende gegevens (lees: de bestuursrechtelijke status quo) geen zaak heeft tegen de Gemeente, terwijl voor hem (zelf) ook geen administratiefrechtelijke weg openstond om daarin verandering te brengen. Dat is volgens het onderdeel iets heel anders. Dat heeft te maken met het feit dat tot de beslissing van 31 januari 2008 zoals door het hof in rov. 4.10 vermeld, alles erop wees dat de Gemeente in haar recht stond zodat [eiser] tot dat moment niet met vrucht zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig kon maken (zie onderdeel 2.1, de stellingen c, g-i en 1 laatste volzin). Het hof heeft dit in de eerste volzin en ook overigens in rov. 4.10 miskend, zodat in dit verband niet relevant is wat exact de grondslag is van zijn vordering jegens de Gemeente is geweest. Dit oordeel - dat zijn vordering is gegrond op ‘onjuiste overheidsinformatie’ - is overigens op zichzelf onbegrijpelijk. Volgens [eiser] is die grondslag primair en vooral dat de Gemeente hem ten onrechte heeft verboden om te verhuren. Zie inleidende dagvaarding punt 18. Ook de tweede helft van rov. 4.10 miskent dat de verjaring pas gaat lopen op het moment dat [eiser] met (kans op) succes een rechtsvordering tegen de Gemeente kon instellen en dat dit was na de beslissing van de bestuursrechter van 31 januari 2008.
Talma/Friesland [33] (op grond waarvan de verjaringstermijn met betrekking tot een vordering tot schadevergoeding wegens een vernietigd en daarom voor onrechtmatig te houden besluit eerst met die vernietiging ingaat [34] ) hier naar analogie moet worden toegepast. Kennelijk (en naar mijn mening terecht) heeft het hof die analogie afgewezen, op de grond dat het aan de Gemeente verweten gedrag (het innemen van een onjuist standpunt met betrekking tot de toelaatbaarheid van verhuur van de kantoorruimte aan derden) meer verwantschap met het verstrekken van onjuiste informatie dan met een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit vertoont. In elk geval was er in de onderhavige zaak, anders dan in de zaak
Talma/Friesland, vóór de uitspraak van de bestuursrechter voor de burgerlijke rechter geen enkel beletsel om zelfstandig te oordelen over de vraag of verhuur van de kantoorruimte aan derden al dan niet was toegestaan en of de Gemeente onrechtmatig handelde door zich op het standpunt te stellen dat zodanige verhuur was verboden. Overigens strekt het onderdeel niet ertoe de in hoger beroep bepleite analogie met besluitaansprakelijkheid alsnog ingang te doen vinden, maar betoogt het slechts dat [eiser] eerst na de uitspraak van de bestuursrechter met (voor ingang van de verjaringstermijn voldoende) kans op succes een rechtsvordering bij de burgerlijke rechter kon instellen. Dat betoog faalt reeds hierom, omdat voor het moment waarop de verjaringstermijn gaat lopen niet bepalend is hoe groot de benadeelde de kans van slagen van een door hem bij de burgerlijke rechter in te stellen vordering inschat.
nietinhoudt dat daartoe is vereist dat de benadeelde niet alleen daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, maar ook met de - juiste - juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (rov. 4.8). Die aldus begrensde regel vormt immers de uitwerking van de in art. 3:310 lid 1 BW Pro vervatte regeling van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn, bij welke uitwerking de aan die bepaling ten grondslag liggende pijlers, zowel die van rechtszekerheid als die van redelijkheid en billijkheid, reeds zijn betrokken.
“het er niet bij heeft laten zitten”, werkt het onderdeel niet uit welke consequenties het hof aan dat laatste had moeten verbinden. Het betoog dat [eiser] in de periode 2005-2008
“het er niet bij heeft laten zitten”, is overigens evident in strijd met de eerdere klachten waaraan [eiser] nu juist ten grondslag heeft gelegd dat hij na het kortgedingvonnis van 30 maart 2004 en tot de uitspraak van de bestuursrechter van 31 januari 2008 van het juridisch gelijk van de Gemeente is uitgegaan en dat hij dáárom geen rechtsvordering tegen de Gemeente kon (althans meende te kunnen) instellen. De omstandigheid dat [eiser] in werkelijkheid ook in de tussenliggende periode
“het er niet bij heeft laten zitten”, evenwel zonder een rechtsvordering in te stellen en zonder een toereikende stuitingshandeling te verrichten, bevestigt eerder het oordeel van het hof dat de verjaring van de rechtsvordering van [eiser] reeds vanaf 29 november 2003 (althans vanaf 5 december 2003 als gevolg van de door het hof in rov. 4.13 als stuitingshandeling gekwalificeerde brief van [eiser] van 4 december 2003) liep, dan dat zij aan dat oordeel afdoet.
“inderdaad niet in alle gevallen zonder meer van een stuitingshandeling kan worden gesproken (omdat daaromtrent onvoldoende is komen vast te staan vgl. rov. 4.12 en 4.13)”. Het onderdeel stelt daar slechts tegenover dat
“het in elk geval duidelijk (was), althans (…) het voor de gemeente duidelijk (had) moeten zijn dat [eiser] zich bij het door de gemeente opgelegde verbod om aan derden te verhuren niet had neergelegd.”Nog daargelaten dat de houding van [eiser] om
“het er niet bij te laten zitten”, mede gelet op de uiteenlopende handelingen van [eiser] waaruit het onderdeel die houding afleidt (waaronder het negeren door [eiser] van het gebruiksverbod uit de bestemmingsplanvoorschriften), niet zonder meer wees op het voornemen in rechte schadevergoeding te vorderen, is de door het onderdeel bedoelde houding zonder betekenis, nu zij niet tot een tijdige en aan de wettelijke eisen beantwoordende stuitingshandeling heeft geleid.
onderdeel 2.5vitieert het welslagen van één of meer van de voorgaande klachten ook de rov. 4.12-6, die daarop voortbouwen,