Conclusie
middelkeert zich met enkele klachten tegen de door het hof vastgestelde duur van de proeftijd. De eerste klacht houdt bezien in samenhang met de toelichting in dat het oordeel van het hof dat de maximale proeftijd voor de feiten gepleegd na 1 april 2012 drie jaren bedraagt nu er geen sprake is van de in art. 14b, tweede lid, Sr bedoelde uitzondering (wederom een misdrijf begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen) van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel van het hof in het licht van diens overwegingen omtrent de norm die art. 240b Sr tracht te beschermen niet zonder meer begrijpelijk is. De tweede klacht luidt dat het hof verzuimd heeft bij zijn oordeel omtrent de duur van de proeftijd het bepaalde in art. 14b, derde lid, Sr te betrekken, dan wel, indien het hof dit wel heeft gedaan, nagelaten heeft zich daarvan in zijn arrest rekenschap te geven.
I Beoordeling van het middel
NJ2013/161 m.nt. Van Kempen [2] kom ik in randnummer 36 nader terug.
Stb. 2009/544)
Stb. 1998/35)
Stb. 2006/11)
Stb. 2009/525).
Stb. 2011/545)
Stb. 2012/392)
NJ1996/503 oordeelde de Hoge Raad dat onder “verandering in de wetgeving” een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit dient te worden verstaan, een maatstaf die de Hoge Raad nadien ook aanlegde in gevallen waarin na het begaan van het feit de toepasselijke regels van het sanctierecht waren gewijzigd in voor de verdachte – mogelijk – gunstige zin. [3] In de uitspraak van EHRM 17 september 2009, ECLI:NL:XX:2009:BK6009 (Scoppola tegen Italië) heeft de Hoge Raad aanleiding gezien om in zijn zogenoemde post-Scoppola arrest zijn rechtspraak ten aanzien van veranderingen in regels van sanctierecht aan te scherpen: “Voor die regels, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, heeft voortaan te gelden dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt”. [4] Een dergelijke verandering van het sanctierecht hoeft dan niet te worden getoetst aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten.
II Beschouwingen ten overvloede
Stb. 2015, 460), waarvan het artikel een onderdeel vormt. Voor terbeschikkinggestelden en tot gevangenisstraf veroordeelde gewelds- en zedendelinquenten is een nieuwe strafrechtelijke sanctie ontworpen, te weten de langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Het eerste lid van art. 38z Sr luidt:
Ernstige misdrijven als het bezit van kinderporno, waarvoor dit niet het geval is, zouden daarmee buiten de reikwijdte van de maatregel vallen(cursivering van mij, AG). Dat acht ik niet wenselijk.” [29]
3. Tegenstrijdige uitspraken
Verdachte moet medeverantwoordelijk worden gehouden voor dit seksueel misbruik van kinderen, omdat hij, door kinderporno te bezitten, heeft bijgedragen aan de vraag ernaar” (cursivering door mij, AG). In nagenoeg gelijkluidende bewoordingen, ook wat het door mij gecursiveerde zinsdeel betreft, onderbouwde de rechtbank Midden-Nederland haar oordeel dat de door de verdachte gepleegde misdrijven waren gericht tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van kinderen. De overweging dat de verdachte medeverantwoordelijk moet worden gehouden voor het seksueel misbruik, lijkt het geweldselement van de daadwerkelijk fysieke seksuele gedraging van de volwassene met het kind (het grondfeit of, zoals minister Hirsch Ballin het noemde, het originaire delict) binnen de delictsomschrijving van art. 240b Sr te willen trekken.
NJ2013/161 m.nt. Van Kempen aan, waarvan de voor ons onderwerp interessante overwegingen als volgt luiden:
NJ2015/8:
§ 184b StGB
Artikel 2
nachdemder abgebildete sexuelle Missbrauch
längst beendetist. Nur das Verbot der Herstellung dient auch dem Schutz der für die konkrete pornographische Schrift missbrauchten Kinder – wobei unter diesem Aspekt allerdings eine eigenständige Norm nicht unbedingt erforderlich wäre, da der Produzent regelmäβig schon wegen sexuellen Missbrauch oder wegen Anstiftung zum sexuellen Missbrauch (begangen durch erwachsene „darsteller“) strafbar ist.“ Niet alle gedragingen van kinderpornografische aard zijn met elkaar gelijk te stellen. [49] Hörnle wijst daarbij op het onderscheid tussen vervaardigen enerzijds en het blote bezit anderzijds. Volgens haar is vanuit het beschermingsperspectief bestraffing voor puur bezit moeilijk te wettigen, indien iemand niet ook zelf heeft verworven. Zelfs binnen eenzelfde gedraging is nuancering op haar plaats, aldus deze auteur, die dan de verspreiding naar meer personen als voorbeeld geeft en meteen opmerkt dat dit ook in strafrechtelijk opzicht verwerpelijker is dan het één op één uitwisselen van het materiaal. [50] Maar uiteindelijk is toch ook Hörnle van mening dat – ik zeg het even in eigen woorden – (toch) ook bezit de kans op toekomstig seksueel misbruik schept en dat de productie, de verspreiding en het bezit van pornografisch materiaal de (commerciële) markt van vraag en aanbod in stand houdt (als gezegd de markttheorie). De verbodsnormen trachten de markt te treffen, en wel zodanig dat daarmee seksueel misbruik in de toekomst wordt voorkomen. Tegen deze achtergrond noemt Hörnle § 184b een abstract gevaarzettingsdelict. [51]
rt. 383bis Sb
§ 2. Hij die wetens en wederrechtelijk kinderpornografisch materiaal verwerft, bezit of zich, met kennis van zaken, door middel van informatie- en communicatietechnologie, de toegang daartoe verschaft, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van honderd euro tot duizend euro.
§ 3. Het in § 1 bedoelde misdrijf wordt gestraft met (opsluiting) van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd [euro] tot vijftigduizend [euro] indien het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
1° elk materiaal dat de visuele weergave op welke wijze dan ook behelst van een minderjarige die deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele gedragingen, of dat de weergave behelst van de geslachtsorganen van een minderjarige voor primair seksuele doeleinden;
2° elk materiaal dat de visuele weergave op welke wijze dan ook behelst van een persoon die er als een minderjarige uitziet en die deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele gedragingen, of dat de weergave behelst van de geslachtsorganen van deze persoon voor primair seksuele doeleinden;
3° realistische afbeeldingen die de weergave behelzen van een niet-bestaande minderjarige die deelneemt aan expliciete seksuele gedragingen, of die de weergave behelzen van de geslachtsorganen van deze minderjarige voor primair seksuele doeleinden.
§ 5. De artikelen 382, 382ter, 382quater, 382quinquies en 389 zijn van toepassing op de in paragrafen 1 tot 3 bedoelde misdrijven.”
Art. 22bis Grondwet
Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen.
Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen.
Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde Pro regel waarborgen deze rechten van het kind.”
Section 1 van de Protection of Children Act (PCA)
Regina (R.) v. Land(1997 [1999] Q.B. 65):
R. v. Knightswordt omtrent de markttheorie overwogen: ‘This approach may be criticised on the basis that it ignores the fact that the material on the internet was already there and that the appellant, without payment or solicitation, merely downloaded the images already provided by others.” [62] In de zaak
R. v. Toomer and othersluidt de overweging echter dat “even the young inexperienced amateur who downloads one image for his or her personal gratification does a significant criminal act which adds to the scale of human misery because, if there was no market for these images children would not be degraded producing them”. [63] In de zaak
R. v. Koellerzegt de voor ons relevante overweging dat de downloaders en bezitters van kinderporno weliswaar niet “directly” verantwoordelijk zijn “for corrupting childeren so as to obtain pictures of this kind”, maar dat ze daaraan wel een bijdrage leveren. [64] Daarnaast wordt er op gewezen dat de plegers van dit soort delicten bijdragen aan het risico van psychologische (en fysieke [65] ) schade bij het kind; het kind is dan namelijk het subject van die gedragingen, nu de afbeelding de weergave van het misbruik is. [66] In
R. v. Monumenthoudt de dragende overweging in: “We observe that in Beaney two reasons were given for the conclusion that a person who downloads child pornography from the internet contributes to the harm of the children involved. One was that such persons provide a market for such images which encourages their production and dissemination and without which the trade would not flourish. The other was that the serious psychological injury to which the children would be at risk also arises from their knowledge that what they were to do would be viewed by others and their awareness that there were people getting a perverted thrill from watching them forced to pose and behave in this way.” [67]
Trb. 2002/18, 2004/290, 2007/10) het volgende voor:
straftoemetingverschillend dienen te worden beoordeeld, blijkt ook uit de Richtlijn voor strafvordering Kinderpornografie en de LOVS-oriëntatiepunten. Ik citeer uit de Richtlijn voor strafvordering kinderpornografie van 1 november 2013 (
Stcrt. 2013, nr. 29674):
in bezit hebbenvan strafbaar materiaal, het
verwervenervan of zich
toegang verschaffen, kunnen in beginsel tot de ‘minder zware’ activiteiten gerekend worden. Het zelf
vervaardigenof voor eigen gewin
verspreidenof
aanbieden(waarbij het gewin ook kan bestaan uit het zich door de verspreiding/aanbieding een bepaalde positie, privileges of status verwerven), zijn uiteraard strafverzwarende factoren.”
Stcrt. 2016, nr. 48810), waarin overigens (onder “II Uitgangspunten bij het bepalen van de straf”), en naar mijn mening ten onrechte, met enige stelligheid en veralgemenisering te lezen valt dat de proeftijd die in geval van kinderpornografie aan het voorwaardelijk deel verbonden kan worden maximaal 10 jaren bedraagt. De LOVS-oriëntatiepunten (geen recht in de zin van art. 79 RO Pro) laten een significant verschil zien in de op te leggen straf voor bijvoorbeeld het vervaardigen van kinderporno (2 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf) ten opzichte van het bezit/verwerven (240 uur taakstraf + 6 maanden gevangenisstraf waarvan een kort gedeelte onvoorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden).
voor de feiten gepleegd na 1 april 2012” (cursivering van mij, EH) drie jaren bedraagt (nu er geen sprake is van de in art. 14b, tweede lid, Sr bedoelde uitzondering). Vervolgens heeft het hof de proeftijd ook op drie jaren vastgesteld. Dusdoende lijkt het hof de bewezenverklaarde periode te hebben opgesplitst in verschillende perioden, zulks om op grond van het tweede lid een proeftijd van drie jaar op te (kunnen) leggen, met de voor die duur aan kinderpornografie gerelateerde bijzondere voorwaarden. Met het oog op het wettelijk systeem van sanctietoepassing, zoals onder meer tot uitdrukking komt in art. 57 Sr Pro, ben ik van mening dat een dergelijke splitsing niet toelaatbaar is. Uitgangspunt is namelijk dat er één totaalstraf wordt opgelegd, hetgeen gezien de overkoepelende pleegperiode in de zaak van de verdachte van belang is, aangezien tot 1 april 2012 art. 14b, tweede lid, eerste volzin, (oud) Sr bepaalde dat in de gevallen bedoeld in art. 14c, eerste lid en tweede lid onder 3° en 5° (oud), Sr de proeftijd ten hoogste twee jaren bedroeg. [80] Dat zou hier betekenen dat het hof het wettelijk toegestane maximum van de proeftijd met een jaar te buiten is gegaan. Tot ambtshalve cassatie zal dit punt, denk ik, niet leiden. Het is mij bekend dat de Hoge Raad op dat vlak zich terughoudend pleegt op te stellen, zeker indien het Openbaar Ministerie het cassatieberoep heeft ingesteld. Voorts acht de Hoge Raad binnen de beperkte bewegingsruimte die hij in dit verband heeft, het onder meer nog van belang of het middel over strijd met het (in randnummer 13 reeds genoemde) lex-mitior beginsel klaagt. [81] Gelet hierop en de omstandigheid dat de verdachte geen gebruikgemaakt heeft van de mogelijkheid om (incidenteel) cassatieberoep in te stellen, behoeft mijns inziens de geconstateerde overschrijding van de maximale proeftijd niet tot ambtshalve cassatie te leiden. [82]