12. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de voorwerpen die de verdachte voorhanden heeft gehad – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van die voorwerpen, is in het licht van het bovenstaande niet onbegrijpelijk. De verdachte heeft daarover niet meer verklaard dan dat hij de sieraden en munten in een koffiehuis van twee personen heeft gekregen van wie hij geen nadere gegevens over hun identiteit heeft overgelegd, terwijl hij daarover ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris voorts verschillende verklaringen heeft afgelegd die met de voornoemde verklaring niet corresponderen en waarvan hij later heeft verklaard dat hij had gelogen. Tegen deze achtergrond heeft het hof kennelijk en, in het licht van zijn overige vaststellingen zoals weergegeven onder 7 niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat de lezing van de verdachte ten aanzien van de herkomst van de voorwerpen niet aannemelijk is geworden.
13. Gelet op het voorgaande kan, anders dan het middel aanvoert, genoegzaam uit de bewijsvoering worden afgeleid dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de door de verdachte bij de juwelier ingewisselde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wist. De bewezenverklaring van feit 1 is naar de eis der wet met redenen omkleed.
14. Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 1 mede gestoeld op de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij een ‘klein vermoeden’ had dat het niet in orde was (bewijsmiddel 1). Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat uit deze verklaring, in combinatie met het niet doen van navraag naar de herkomst, nog niet is af te leiden dat de verdachte wist dat de voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. De steller van het middel verliest echter uit het oog dat de bewijsvoering meer inhoudt. Zo heeft het hof vastgesteld dat de verdachte daarnaast aan de juwelier valse adressen opgaf om te voorkomen dat hij zou kunnen worden gevonden wanneer hij werd gezocht (bewijsmiddel 10). Het hof heeft het desbetreffende onderdeel van de verklaring van de verdachte (“klein vermoeden”) kennelijk redengevend geacht voor de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de criminele herkomst en niet zozeer van de aanmerkelijke kans daarop. Dat oordeel is in het licht van de bewijsvoering niet onbegrijpelijk.
15. Het eerste en het tweede middel falen.
16. Het
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
17. Namens de verdachte is op 9 september 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 24 februari 2017 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. De Hoge Raad zal voorts uitspraak doen op een moment waarop sinds het instellen van het cassatieberoep meer dan twee jaar zijn verstreken.
18. Het voorafgaande brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
19. Het middel is terecht voorgesteld.
20. Het derde middel slaagt. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.