Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de begindatum van de periode waarover wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend, heeft gesteld op 1 oktober 2001 in plaats van op 1 mei 2003, althans dat het oordeel van het hof om de periode op 1 oktober 2001 te doen starten, onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
aannemelijkmoet zijn geworden dat andere strafbare feiten dan de bewezen verklaarde feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof op onjuiste, althans onbegrijpelijke gronden de op 19 februari 2002 behaalde gokwinst van € 120.000,- als vervolgprofijt heeft aangemerkt.
omvangvan het primaire profijt moet komen vast te staan, laat hij in het midden. Naar mijn mening staat de enkele omstandigheid dat de omvang van het primaire voordeel niet kan worden vastgesteld er niet aan in de weg dat vervolgprofijt wordt ontnomen. Gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Dat betekent naar mijn mening dat ontneming mogelijk is als kan worden vastgesteld dat sprake is van een bepaald bedrag aan wederrechtelijk verkregen vervolgprofijt, ook al is de omvang van het primaire voordeel niet bekend.
derde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte de door [betrokkene 2] afgelegde verklaring als bewijsmiddel heeft gebezigd, dan wel ten onrechte niet heeft gereageerd op een dienaangaande in hoger beroep ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
vierde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.