Conclusie
De bewijsmiddelen
het hof begrijpt: [A] Advocaten) heeft door middel van intimidatie en onder dreiging van een schade van € 100.000 de redactie van ‘kleintje muurkrant’ gedwongen zichzelf te muilkorven en de historische feiten van de website te verwijderen, ik heb hierover ruime correspondentie met de redactie gevoerd.
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak aan het klachtvereiste is voldaan van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onbegrijpelijk is, en dat aldus het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd door het hof is verworpen.
Aanvullende aangifte:
9 augustus 2006waarin advocaat mr. M. Wladimiroff namens de weduwe van [betrokkene 8] en met instemming van haar kinderen de hoofdofficier van justitie vraagt te bevorderen dat een halt wordt toegeroepen aan de lasterlijke mededelingen die door ene [verdachte] over haar overleden echtgenoot worden verspreid. Zij doet tegen [verdachte] aangifte van smaad(schrift) en belediging, zoals bedoeld in de artikelen 261 jo 262, 266 en 270 Sr, en tevens klacht zoals bedoeld in de artikelen 270 resp. 269 Sr;
10 oktober 2006van [betrokkene 1] betreffende aangifte tegen [verdachte] ter zake van smaad, laster en afpersing vanwege het verspreiden van onware verhalen over de vader van de aangever in brieven die [verdachte] aan een aantal hoogleraren heeft geschreven en waarin tevens de volgende zin voorkomt: “I strongly feel, that until Senator [betrokkene 1] and his brother accept to see the correlation of their public and professional career and their status in society on the one hand and the actions of their father (warprofitering and collaboration) on the other, excommunication, in the most literal way, should be imposed on them, wherever possible”;
22 februari 2007, waarin klacht wordt gedaan ter zake van smaad(schrift), laster, belediging en smaad(schrift) “jegens overleden persoon” en dienaangaande verzocht wordt een strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen [verdachte] . De klagers zijn [betrokkene 15] , [betrokkene 14] , [betrokkene 1] en [betrokkene 17] .
11 juli 2007van de hoofdofficier van justitie waarin aan mr. M. Wladimiroff wordt medegedeeld dat het strafrecht geen mogelijkheden biedt om [verdachte] succesvol te vervolgen omdat het beledigen van een overleden persoon niet strafbaar is gesteld en “het beschuldigen van collaboratie en, sterker nog, oorlogsprofiteurschap, onvoldoende concreet is om als smaad in strafrechtelijke zin te kunnen worden aangemerkt”.
10 oktober 2007bij het Gerechtshof te Amsterdam binnengekomen schrijven van [betrokkene 12] , met als aanhef “Beklag op de voet van artikel 12 Sv Pro”. Het klaagschrift betreft “eenvoudige belediging, smaad, smaad(schrift), laster en smaad(schrift) door [verdachte] tegen een overledene”, de oprichter van het kantoor [betrokkene 8] , alsmede het misdrijf van afdreiging (art. 318 Sr Pro). De strekking van het klaagschrift is in de kern dat de beschuldigingen dermate ernstig zijn dat deze ook zonder nadere precisering voor [betrokkene 8] , diens weduwe, diens zoons en de maatschap [A] Advocaten het beschadigende effect sorteren waartegen de artikelen 261 en 270 Sr beogen hen te beschermen. Betoogd wordt dat de klagers een rechtstreeks belang hebben bij vervolging van de verdachte, omdat hij de overleden [betrokkene 8] , [betrokkene 1] en de maatschap [A] Advocaten ernstige schade berokkent. In het klaagschrift wordt een brief van [verdachte] d.d. 25 maart 2006 aangehaald waarin hij aanspraak maakt op vergoeding van beweerd geleden schade ten bedrage van € 635.250,- en voorts (onder meer) het volgende schrijft:
28 oktober 2009waarin [betrokkene 12] aan de officier van justitie het verzoek doet om de brief die de verdachte aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten Hillary Clinton heeft gericht, te voegen bij de stukken die ad informandum aan het rechtsbankdossier zullen worden gevoegd. Uit de stukken van het geding blijkt dat te dezen aanvankelijk werd gedacht aan een voeging ad informandum, maar dat bij gebreke van een gave bekentenis van de verdachte er uiteindelijk voor is gekozen de brief als punt 4 in de tenlastelegging op te nemen.
14 januari 2011van [betrokkene 16] , waarin deze namens [betrokkene 15] , [betrokkene 17] , [betrokkene 1] en [betrokkene 14] aanvullende aangifte doet van smaadschrift en laster in de periode 12 november 2006 tot de dagtekening van de brief. De brief is medeondertekend door de genoemde personen van de familie [betrokkene 1] . Namens de medeondertekenaars verzoekt [betrokkene 16] het Openbaar Ministerie ter gelegenheid van de strafzaak een zodanige eis te formuleren dat het gedrag van [verdachte] wordt beëindigd. De brief vermeldt verder: “De passages in de geciteerde teksten die de aangifte feitelijk onderbouwen zijn onderstreept”. De aanvullende aangifte doelt onder meer op de brief d.d. 1 september 2009 van de verdachte aan de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Nederland, de brief die bij punt 3 in de tenlastelegging wordt genoemd. Voor zover het in de brief van [betrokkene 16] gaat om
bijlage 23, ziet de aangifte echter op een andere dan de tenlastegelegde tekst gelet op de onderstreping daarvan. Ik citeer, voor zover hier relevant (de onderstrepingen zijn dus telkens van de hand van [betrokkene 16] ):
clear the name of the father of senator [betrokkene 1]. The
collaboratingfather continued on with his carreer … [A] lawyers by accepting the request from and to offer their services to Khan
makes them in facto aid to terrorism(…).”
after he was convicted of smuggling a painting by Rembrandt(as appointed Senator) from the USA through Switzerland into the Netherlands. The collaborating father continued on with his career (lawfirm [A] Advocaten) after the war where
he was highly indemanded lawyer for defending Dutch Collaborators, and had also shockingly became a senator (like his son) and even more pervers the spokesman for his party on the subject of law (justice) and Culture in the Sentence (Eerste Kamer).
Thus, he enjoyed fully the fruits of his conduct during and after the war..…The firm has a
tendency and a tradition to work with entirely undemocrated individualsand States, by prefence enemys of the USA. Just like their father and patriarg of the company collaborated with the nazi’s.
After WWII, he had no problem to continue working with nazi’s.””
“A - Klacht door klachtgerechtigde?
Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2015 gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
NJ1994/278). [2] Aldus kan – anders dan de steller van het middel meent – in een situatie waarin een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen expliciet verzoek tot vervolging inhoudt, het bestaan van een klacht toch nog worden aangenomen nadat de vervolging reeds een aanvang heeft genomen. [3] Uit art. 164, eerste lid, Sv valt dan ook niet af te leiden dat het ontbreken van een expliciet verzoek tot vervolging bij de aangifte niet kan worden hersteld nadat de vervolging is aangevangen. [4]
NJ1986/827 m.nt. ’t Hart heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen rechtsregel bepaalt dat bij uitsluitend op klacht vervolgbare misdrijven de klacht een strafrechtelijke kwalificatie moet behelzen en dat, voor zover de klacht wel een kwalificatie inhoudt, klachtmisdrijven die buiten deze kwalificatie vallen doch begrepen kunnen worden in het in de klacht omschreven materiële gebeuren, niet vervolgd zouden mogen worden.
anderefeiten of, anders gezegd, op een
anderfeitencomplex, te weten de lasterlijke uitlatingen van de verdachte over het vermeende oorlogsverleden van [betrokkene 8] en de afdreiging. De in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feiten zien daarentegen op smaad en laster met betrekking tot de ‘kunstsmokkel’ die door de verdachte aan [betrokkene 1] wordt toegeschreven en de aantijging dat de familie [...] door middel van intimidatie en onder dreiging van een schade van € 100.000,- de redactie van 'kleintje muurkrant' heeft gedwongen zichzelf te muilkorven en de historische feiten van de website te verwijderen. De uit de beklagprocedure af te leiden klacht kan mijns inziens daarom in het onderhavige geval niet als grondslag dienen voor een vervolging van de feiten (smaad en laster) waarvan de verdachte in de onderhavige zaak wordt beschuldigd. [6]
nietin de brief van [betrokkene 16] genoemde passages zien op de Rembrandt-perikelen van [betrokkene 1] . De tenlastelegging en de bewezenverklaring omvatten echter een ander complex van feiten, namelijk de brief van de verdachte van 16 juli 2010 aan de Stichting Persvrijheidsfonds en de aantijging dat de familie [...] door middel van intimidatie en onder dreiging van een schade van € 100.000,- de redactie van “kleintje muurkrant” monddood wilde maken.
ex-senator) is daarvoor niet voldoende, waarbij komt – niet minder belangrijk – dat de brief van 1 september 2009, en overigens zo ook de brief van 17 oktober 2009, is geschreven en verzonden in de periode waarin het Eerste Kamerlidmaatschap van [betrokkene 1] (tijdelijk) was onderbroken.
tweede middelkeert zich met een viertal motiveringsklachten tegen de ad 3. bewezenverklaarde laster (de brief van 1 september 2009 aan de Amerikaanse ambassadeur [betrokkene 3] ).
Laster of smaad
I emphasize the word ex, because [betrokkene 1] decided only a few months ago to resign as a senator, after he was convicted of smuggling a painting by Rembrandt (as appointed Senator) from the USA through Switzerland into the Netherlands"
derde middelklaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld met het kennelijke doel aan die feiten ruchtbaarheid te geven als bedoeld in de artikelen 261 en 262 Sr.
Laster of smaad
NJ2017/6 [20] tot de volgende beschouwingen te komen: [21]
NJ2011/325 betreft het uitlatingen op de toenmalige sociale netwerksite (profielensite) Hyves. De verdachte heeft daarop zichtbaar voor 20 à 25 andere personen de tekst geplaatst “ik moet mijn kind meegeven aan een pedo”, waarmee zij haar ex-partner bedoelt. Het hof neemt in aanmerking dat deze uitlating niet te vergelijken valt met informatie die in de beslotenheid van de huiskamer aan een beperkte kring geadresseerden wordt toevertrouwd en dat het in het onderhavige geval, waarin de tekst op de Hyves-pagina van de verdachte zichtbaar is voor personen die kennelijk naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlating mogen beschikken, voor de verdachte voorzienbaar en op voorhand feitelijk te verwachten was dat de geplaatste tekst verder zou worden verspreid. Dat oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad komt tot een vergelijkbaar oordeel in zijn arrest van 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7947,
NJ2012/382. De verdachte weet dat de journalist K. met wie hij contact heeft, geïnteresseerd is in de informatie die de verdachte hem heeft gegeven – de seksuele escapades van een zekere S. – en dat daarover al eerder is gepubliceerd. Gelet daarop acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte door mededeling van de in de bewezenverklaring omschreven feiten aan K. handelde met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
NJ2001/183. De verdachte heeft verschillende faxen, waarin hij de curator in het faillissement van de verdachte beschuldigt van oplichting, toegezonden aan het kantoor van deze curator en aan de rechter-commissaris die klaarblijkelijk als zodanig in het faillissement optreedt. Volgens de Hoge Raad kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Dat geldt ook voor de feiten in HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8770,
NJ2004/691. De verdachte heeft een brief over de seksmartelkamer of darkroom van een zekere S. geschreven en verzonden naar de toenmalige burgemeester van Amsterdam. Uit die enkele omstandigheid kan naar het oordeel van de Hoge Raad niet volgen dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Dat de burgemeester een persoon is met een openbare functie, maakt dat oordeel niet anders.
NJ2014/337. De verdachte heeft een e-mailbericht aan het slachtoffer, zijn ex-partner, ook verzonden aan het kinderdagverblijf waar hun dochter opvang geniet, dat wil zeggen aan het algemene e-mailadres dat wordt gebruikt door mensen die werkzaam zijn bij het kinderdagverblijf. De kwestie gaat om hun beider aanwezigheid op de Sinterklaasviering 2009. De tekst in het e-mailbericht luidt: “Als jij net als vorig jaar een scène gaat schoppen dan zal ik mij niet schromen daar aangifte van te doen. Je bent al veroordeeld voor je gedrag en je zit in je proeftijd.” De Hoge Raad gaat er in cassatie van uit dat het de bedoeling van de verdachte was om het kinderdagverblijf te informeren over wat zich in de voorbereiding op de Sinterklaasviering tussen hem en zijn ex-partner had afgespeeld, dit naar aanleiding van een incident tussen hen beiden tijdens de vorige Sinterklaasviering, en dat de verdachte op aanraden van een leidinggevende van het kinderdagverblijf het mailbericht heeft verstuurd naar het algemene e-mailadres. Deze omstandigheden zijn volgens de Hoge Raad niet voldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de mededeling is gedaan met het kennelijke doel deze ter kennis te brengen van een kring van betrekkelijk willekeurige derden.
NJ2017/6 heeft gewezen, laat hij het bestreden oordeel van het hof in stand, daarbij in aanmerking nemend dat het Hof heeft vastgesteld dat de uitlatingen zijn gedaan tegenover meer personen en dat uit de aan een getuige gestelde vraag kan worden afgeleid dat is beoogd dat de aantijgingen bekend zouden worden respectievelijk onder een breder publiek besproken zouden worden.
NJ2004/691 betekent zulks dat de enkele overweging van het hof dat “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verwacht kan worden dat ook anderen dan de geadresseerden kennis zullen nemen van de inhoud van die brieven” niet voldoende redengevend is voor het oordeel dat is gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven. Natuurlijk – maar dat geldt ook voor de burgemeester van Amsterdam – zullen de geadresseerden de brieven wel niet zelf (direct) onder ogen krijgen, daar hebben ze ongetwijfeld administratief personeel, kabinet-medewerkers of eigen secretarissen voor. Maar ook voor deze personen geldt, althans daar ga ik gelet op de regelgeving voor diplomaten en ambtenaren van uit, dat dit personeel, die medewerkers en/of die secretarissen (ook en vooral) in dat kader een (afgeleide) geheimhoudingsplicht hebben en dus met discretie handelen. In dat licht bezien is het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende om daaruit te kunnen afleiden dat de brief aan de Amerikaanse ambassadeur en de brief aan de minister van Buitenlandse Zaken van de VS zijn geschreven en verstuurd met het kennelijke doel die mededeling ter kennis te brengen van een kring van betrekkelijk willekeurige derden. [30] In zoverre treft het middel doel.
vierde middelklaagt erover dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.