Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de grieven VI en VII in principaal appel, die met elkaar samenhangen en door het hof tezamen behandeld zullen worden, komen [eisers] op tegen de verwerping van dit betoog door de voorzieningenrechter.
grieven III tot en met V in het principaal appelhangen met elkaar samen. Het hof zal deze grieven dan ook tezamen behandelen en daarbij ook betrekken hetgeen [eisers] aan het slot van hun toelichting op grief II hebben aangevoerd. Met de grieven betogen [eisers] dat zij niet (kunnen) beschikken over de door de Staat gevorderde informatie en om die reden niet kunnen voldoen aan een eventuele veroordeling, waardoor deze niet toewijsbaar is. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de Staat dan ook ten onrechte toegewezen, aldus [eisers]
mogelijkbij (andere) buitenlandse banken rekeningen hebben aangehouden, omdat het geregeld voorkomt dat personen die bij een bepaalde buitenlandse bank (buiten het zicht van de belastingdienst) rekening hebben aangehouden ook rekeningen bij andere banken (zijn gaan) aanhouden, zou zo kunnen zijn, maar rechtvaardigt nog niet dat [eisers] op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld om ten aanzien van alle mogelijke buitenlandse banken informatie te verstrekken aan de Staat. Voor een dergelijke veroordeling is vereist dat concrete aanwijzingen bestaan dat [eisers] dergelijke bankrekeningen hebben gehad. Evenmin is, in het licht van de toelichting van [eisers] en de hiervoor in rechtsoverweging 3.1.8 aangehaalde uitspraak van het hof Amsterdam, aannemelijk geworden dat [eisers] bij de Gotthard Bank een rekening hebben gehad waarop vermogen is ondergebracht dat relevant is voor de belastingheffing.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“(u)it hetgeen hiervoor(in rov. 3.23; LK)
is overwogen, volgt dat aan het eerste vereiste voor (geclausuleerde) toewijzing van de vordering van de Staat, te weten dat het gevorderde materiaal bestaat, is voldaan.”Het onderdeel klaagt dat het hof de in spoedappel door [eisers] overlegde brief van 24 juni 2015 van KB-Lux [9] ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken. In deze brief wordt, in de woorden van onderdeel 1, uiteengezet waarom KB-Lux de gegevens met betrekking tot het rekeningnummer van [eisers] niet meer heeft en waarom dat in andere zaken van andere rekeninghouders mogelijk anders kan liggen, ook na een periode van tien jaar. Het hof had volgens het onderdeel niet ongemotiveerd aan deze brief mogen voorbijgaan. Het onderdeel betoogt dat het hiervoor geciteerde oordeel in rov. 3.24 in het licht van de brief van 24 juni 2015 onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
“het gevorderde materiaal bestaat”, mede gebaseerd op zijn feitelijke waardering van de brief van KB-Lux van 14 augustus 2014. In deze brief zet KB-Lux, kort samengevat [10] , uiteen dat de Luxemburgse wettelijke bepalingen inzake de archivering van documenten een minimale bewaartermijn van tien jaar voorschrijven en dat het informaticasysteem van KB-Lux derhalve, behoudens een speciale beslissing of fout, regelmatig tot vernietiging van gegevens overgaat. Volgens die brief (die kennelijk een standaardbrief is [11] ) is uit grondig onderzoek in de systemen gebleken dat een dergelijke vernietiging van de gegevens van rekening nummer [001] heeft plaatsgevonden. Het hof heeft in rov. 3.23 hiertegenover gesteld dat de Staat aannemelijk heeft gemaakt dat KB-Lux
“vaker een brief met die inhoud en strekking heeft gestuurd aan een gewezen rekeninghouder, terwijl achteraf bleek dat KB-Luxbank niettemin beschikte over relevante informatie en deze informatie ook beschikbaar stelde”. Volgens het hof [12] kan er op grond van enkel de brief van 14 augustus 2014
“dan ook niet (zonder meer) van worden uitgegaan dat KB-Luxbank niet meer beschikt over voor de belastingheffing relevante informatie(…)
”(rov. 3.23) [13] .
“derhalve in de praktijk best mogelijk (is) dat informatie uit vergelijkbare periodes, maar betrekking hebbende op verschillende rekeningen, op verschillende wijze is behandeld”, maar dat
“(d)it (…) evenwel niet het geval (was) voor rekening nr. [001] ”. Dat vernietiging van oude gegevens als gevolg van
“een speciale beslissing of fout”achterwege kon blijven, volgde ook reeds uit de brief van 14 augustus 2014, evenals de opvatting van KB-Lux dat daarvan met betrekking tot de rekening van [eisers] geen sprake was: stelliger nog dan in de brief van 24 juni 2015 wordt in de eerdere brief van 14 augustus 2014 gesteld dat
“grondig onderzoek in onze systemen heeft aangetoond dat dit(vernietiging; LK)
het geval was bij bovengenoemde Rekening en dat alle Gegevens zijn vernietigd”. Bij die stand van zaken is niet onbegrijpelijk dat het hof zich door de brief van 24 juni 2015, die ten opzichte van de brief van 14 augustus 2014 geen wezenlijk nieuwe elementen omvatte, niet heeft laten weerhouden van zijn oordeel dat, tegen de achtergrond van de door de Staat aannemelijk gemaakte omstandigheid dat
“KB-Luxbank vaker een brief met die inhoud en strekking(als die van 14 augustus 2014)
heeft gestuurd aan een gewezen rekeninghouder, terwijl achteraf bleek dat KB-Luxbank niettemin beschikte over relevante informatie en die informatie ook beschikbaar stelde”, op grond van de brief van 14 augustus 2014
“niet (zonder meer) (er)van (kan) worden uitgegaan dat KB-Luxbank niet meer beschikte over voor de belastingheffing relevante informatie”.
“dat het materiaal bestaat”(rov. 3.24) niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het feit dat het hof, zoals onderdeel 1 benadrukt, in rov. 3.23 de woorden
“enkel deze brief”heeft gebezigd, maakt het voorgaande niet anders; in rov. 3.23 ligt besloten dat het hof voor een ander dan het bestreden oordeel méér verlangde dan dat KB Lux het standpunt zoals ingenomen in de brief van 14 augustus 2014 eenvoudig zou herhalen.
in finedat aannemelijk is dat de verlangde gegevens (deels) nog bij Mees Pierson aanwezig zijn en dat [eisers] die gegevens (deels) mede van Mees Pierson zouden kunnen verkrijgen (zie ook rov. 3.25, slotzin). [eisers] hebben slechts een voldoende belang bij de klacht van het onderdeel als ook dit laatste oordeel geen stand houdt.
“desgevraagd”in art. 47 lid 1 AWR Pro. Volgens het subonderdeel volgt duidelijk uit de tekst van de bepaling dat uitsluitend gegevens die zijn
gevraagd, door de belastingplichtige aan de Belastingdienst dienen te worden verstrekt. Het opvragen van informatie bij Mees Pierson is echter nooit aan de orde geweest: [eisers] zijn door de Belastingdienst nooit gevraagd om (concrete) gegevens met betrekking tot Mees Pierson, aldus nog steeds het subonderdeel [15] . [eisers] hebben slechts informeel contact gehad met Mees Pierson met als doel hun bewijspositie te versterken, maar Mees Pierson heeft volgens het onderdeel steeds aangegeven over de desbetreffende periode (1994) geen stukken meer te kunnen verstrekken. Het subonderdeel voegt hieraan toe dat een en ander te meer klemt nu de Belastingdienst de desbetreffende informatie op de voet van art. 53 AWR Pro zelf in Nederland bij Mees Pierson kan opvragen of had kunnen opvragen. Volgens het onderdeel heeft te gelden dat een dwangsom slechts kan worden opgelegd als aan de navolgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:
“de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn”. Hierbij rust op de (mogelijke) belastingplichtige een zekere inspanningsverplichting: de informatieplicht van art. 47 AWR Pro ziet op de informatie waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken [18] . De Staat heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [eisers] niet aan hun informatieplicht (ex art. 47 lid 1 AWR Pro) hebben voldaan: volgens de Belastingdienst hebben zij erkend een rekening bij KB-Lux te hebben (gehad), maar hebben zij de gevraagde gegevens niet (naar behoren) verstrekt [19] . De Staat heeft daarbij ook in de processtukken aangegeven dat geen genoegen kon worden genomen met de door [eisers] verstrekte informatie [20] . De Staat heeft, in reactie op het betoog van [eisers] dat zij niet in staat zouden zijn de gevraagde informatie te verstrekken, benadrukt dat KB-Lux in dit verband niet de enige relevante bron is [21] :
“uitdrukkelijk niet de enige relevante bron is”, zij het dat hij die stelling heeft toegespitst op de mogelijkheid dat [eisers] de relevante bankbescheiden in de spreekwoordelijke
“schoenendoos op zolder”hebben staan [22] :
“derden”en op de wens om na opheffing van een buitenlandse rekening te kunnen volgen wat er met de saldi is gebeurd en waar die vervolgens zijn terechtgekomen, omdat ook die gegevens voor de belastingheffing van belang kunnen zijn:
De voorzittermerkt op dat aan de zijde van [eiser 1] een bedrag is teruggestort op een Nederlandse bankrekening en vraagt aan [betrokkene 2] (gemachtigde van [eisers] ; LK) of er bankafschriften bij de Nederlandse bank zijn te verkrijgen.
“feitelijk-juridische stellingen die onontbeerlijk zijn om het gevorderde te kunnen toewijzen” [29] . De rechter mag deze essentiële stellingen (rechtsfeiten) niet aanvullen: de desbetreffende partij zelf zal dergelijke stellingen aan haar vordering of verweer ten grondslag dienen te leggen. Als zij dat niet doet, mag de rechter zijn beslissing niet op deze stellingen baseren [30] . Een en ander neemt echter niet weg dat de rechter binnen de grenzen van art. 149 Rv Pro de feitelijke grondslag mag
stavenmet niet-gestelde feiten, mits hij die feiten niet tot dragende grond van zijn beslissing maakt c.q. deze feiten tot de feitelijke grondslag zouden moeten behoren [31] . In de woorden van de Hoge Raad [32] :
“desgevraagd”in het eerste lid van art. 47 AWR Pro:
“desgevraagd”. In de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing van administratieve verplichtingen wordt de betekenis van dit woord als volgt omschreven [39] :
“desgevraagd”breng dus tot uitdrukking dat eerst na een formeel
verzoekom informatie van de inspecteur op voet van art. 47 lid 1 AWR Pro een informatieverplichting (alsmede een medewerkingsplicht) voor de belastingplichtige ontstaat. Dit brengt met zich dat de belastingplichtige alleen die gegevens behoeft te verstrekken waarom de inspecteur heeft gevraagd, waarbij geldt dat het verzoek om informatie voldoende duidelijk en concreet dient te zijn [40] . Dit laatste gaat, getuige het woord
“voldoende”, naar ik meen echter niet zo ver dat, zoals subonderdeel 2.2 kennelijk voorstaat, de inspecteur gehouden is om aan te geven bij wie de gevorderde informatie dient te worden opgevraagd en op welke wijze dit dient te geschieden. De eis dat het verzoek voldoende duidelijk en concreet dient te zijn (in de woorden van de hiervoor geciteerde passage uit de memorie van toelichting: “
individuele vragen die een individueel antwoord vragen”), betekent mijns inziens dat voldoende duidelijk en concreet dient te zijn
datinformatie wordt verlangd,
waaromtrentinformatie wordt verlangd en
welkeinformatie in dat kader dient te worden verstrekt [41] . Dit heeft de Belastingdienst, blijkens het gestelde in de inleidende dagvaarding, ook gedaan, waarbij met name de vordering tot het verstrekken van
“schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing”als een voldoende concrete vraag kan worden beschouwd.
kanzijn voor de belastingheffing; niet is vereist dat de informatie daadwerkelijk van belang is of dat de informatie noodzakelijk is voor de inspecteur [42] . Dit betekent volgens de Hoge Raad dat er ook sprake is van een belang als bedoeld in art. 47 lid 1 AWR Pro wanneer
“de inspecteur ook zonder kennisneming van de door hem ter inzage gevraagde bescheiden tot de juiste vaststelling van de feiten kan komen” [43] . De belastingplichtige mag in dergelijk geval dus niet weigeren de gevraagde informatie te verstrekken. In de literatuur wordt in dit verband tevens erop gewezen dat de belastingplichtige zich niet aan een verzoek om informatie kan onttrekken door te stellen dat de inspecteur ook langs andere wegen aan de gevraagde informatie kan komen of de informatie reeds langs een andere weg zou hebben verkregen. Ook in die gevallen mag de inspecteur op grond van art. 47 lid 1 AWR Pro informatie bij de (mogelijk) belastingplichtige vorderen [44] . De inspecteur heeft dus, anders dan [eisers] betogen, wel degelijk de bevoegdheid heeft om informatie te “double-checken” [45] . Het feit dat de Belastingdienst op voet van art. 53 AWR Pro zelf informatie bij Mees Pierson kan opvragen, staat dus niet in de weg aan een informatieverzoek op grond van art 47 lid 1 AWR Pro.
Subonderdeel 3.1stelt onder verwijzing naar rov. 3.21 - waarin het hof heeft aangegeven dat de veroordeling door de voorzieningenrechter tot het invullen van de desbetreffende formulieren niet ziet op het invullen van de formulieren als zodanig, maar op het correct (en volledig) invullen daarvan - dat het hof, alvorens tot deze veroordeling te komen, had moeten vaststellen dat [eisers] de formulieren niet correct (en volledig) hebben ingevuld. Het hof heeft dit niet gedaan, waardoor zijn oordeel onbegrijpelijk is, aldus het subonderdeel. Voorts stelt
subonderdeel 3.2, kort samengevat, dat, als het hof in rov. 3.21 zou hebben vastgesteld dat de formulieren niet correct (en volledig) zijn ingevuld, het hof de regels inzake stelplicht en bewijslast heeft miskend, nu de Belastingdienst niet aan de ter zake op hem rustende stelplicht en bewijslast heeft voldaan. Hieraan voegt
subonderdeel 3.3toe dat het hof in dit kader tevens heeft miskend dat de exacte datum van opheffing van de rekening van [eisers] bij KB-Lux in 1994 voor de inkomstenbelastingheffing bij [eisers] vanaf 2003 irrelevant is.
aannemelijk te achten dat de betrokkene die gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kan verstrekken. Vorderingen tot het verstrekken van dergelijke gegevens en inlichtingen zijn niet toewijsbaar voor zover zij onvoldoende zijn onderbouwd of een zogenoemde ‘fishing expedition’ inhouden. Dat is niet anders indien die vorderingen alleen voor heffingsdoeleinden zijn ingesteld.
De Staat zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.” (onderstrepingen toegevoegd; LK).
“dat het gevorderde materiaal bestaat”en
“dat [eisers] meer informatie kunnen verkrijgen indien zij zich daartoe de inspanningen getroosten die in redelijkheid van hen kunnen worden gevergd” [49] . Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd.
nietheeft vastgesteld dat de formulieren niet correct (en volledig) zijn ingevuld; het hof heeft in rov. 3.21 slechts geoordeeld dat de
veroordeling door de voorzieningenrechterhet alsnog correct (en volledig) invullen van de formulieren betreft. Sterker nog: het hof heeft in rov. 3.21 geen enkel standpunt over het alsnog invullen van de formulieren ingenomen; ik wijs in dit verband op de laatste zin van rov. 3.21:
“Het hof merkt daarbij wel op dat [eisers] ,indien zij al gehouden zijn de formulieren nogmaals in te vullen, zich kunnen beperken tot de informatie betreffende (de afwikkeling van het saldo bij) de KB-Luxbank” (onderstreping toegevoegd; LK).
subonderdeel 3.3, dat klaagt dat het hof - in het kader van het niet volledig invullen van de formulieren - heeft miskend dat de exacte datum van de opheffing van de door [eisers] bij KB-Lux aangehouden bankrekening irrelevant is, is tevergeefs voorgesteld. Voor zover de onvolledigheid van de eerder ingevulde formulieren al een rol zou spelen, betreft die onvolledigheid niet zozeer de exacte datum in 1994 waarop de rekening bij KB-Lux is opgeheven, als wel de afwikkeling van het saldo (de saldi) en de bestemming van het saldo (de saldi) bij opheffing.
bewarenvan gegevens, terwijl [eisers] een beroep hebben gedaan op het
niet-opvragenvan gegevens (de onderstrepingen zijn ontleend aan het onderdeel).
Subonderdeel 4.1stelt het beroep van [eisers] (bij de voorzieningenrechter en in spoedappel) op de hiervóór genoemde besluiten van de Staatsecretaris van Financiën aan de orde. Het subonderdeel verwijst daarbij tevens naar het besluit van 3 april 2000, nr. AFZ2000/956M, waarin - ter wijziging van het besluit van 19 juli 1996 - ten aanzien van administratieplichtigen expliciet wordt aangegeven dat
“(d)e Belastingdienst (…) deze gegevensdragers na afloop van de termijn van zeven jaar niet meer op(vraagt)”. In de conclusie van repliek (onder 4.1) wordt in aanvulling daarop gewezen op het feit dat deze zinsnede is komen te vervallen in het nieuwe besluit van 4 april 2011, nr. BLKB2011/1087M, Stcrt. 2011, 6414. Omdat een toelichting op het wegvallen van de zinsnede ontbreekt, lijkt de interpretatie te moeten zijn dat de zinsnede “per ongeluk” is wegvallen, aldus de conclusie van repliek. Dit is volgens de conclusie van repliek echter niet van belang, nu een en ander wel uitdrukkelijk is opgenomen in het beleid waarop [eisers] zich hebben beroepen en er op 4 april 2011 sprake was van
“verworven rechten”waarop de Belastingdienst mede in het licht van de beginselen van behoorlijk bestuur niet meer mocht terugkomen.
subonderdelen 4.2 en 4.3richten zich tegen de volgende, door het hof in rov. 3.14 geciteerde en overgenomen overweging uit zijn arrest van 25 augustus 2015:
subonderdelen 4.4 en 4.5over de volgende, door het hof in rov. 3.14 geciteerde en overgenomen overweging uit zijn arrest van 27 januari 2015 [55] :
informatie over een onderwerp” wenst en geen “
afgifte van of inzage in de administratie”. Volgens het subonderdeel is het opvragen van bescheiden (bepaalde bankbescheiden) door de Staat in casu - anders dan het hof heeft geoordeeld - in essentie hetzelfde is als het vragen om afgifte van of inzage in de administratie.
“(…)
geldt voor administratieplichtigen een bewaarplicht van zeven jaren en zal de inspecteur na deze zeven jaren geen gegevens meeropvragen. De vordering tot het tochverstrekkenvan gegevens over buitenlandse bankrekeningen is in strijd met dit besluit, aldus [eisers]” (onderstrepingen toegevoegd; LK). Het hof heeft het door [eisers] ingeroepen beleid van de Belastingdienst derhalve niet slechts betrokken op het bewaren van gegevens. De klacht faalt.
iedere(vermoedelijke) belastingplichtige om desgevraagd informatie te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kan zijn. Deze verplichting valt uiteen in een actieve informatieplicht (lid 1 sub a), inhoudende de plicht tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen, en een passieve informatieplicht (lid 1 sub b), welke ziet op het ter raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan [57] . De informatieplicht van art. 47 AWR Pro ziet op de informatie waarover de belastingplichtige beschikt of kan beschikken, waarbij als ondergrens geldt dat de informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing (zie hiervóór onder 2.12). Op de belastingplichtige rust - binnen door de redelijkheid bepaalde grenzen, welke afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval - een zekere inspanningsverplichting om de gevraagde informatie te verkrijgen [58] , hetgeen met zich kan brengen dat de belastingplichtige informatie dient op de vragen bij derden [59] . De informatieplicht van art. 47 AWR Pro is niet aan termijnen gebonden.
basisgegevensdragersna zeven jaar niet meer zal opvragen [63] :
basisgegevenszijn zeker voor de Belastingdienst gedurende langere tijd van belang en moeten daarom voor zeven jaar bewaard blijven.
De Belastingdienst zal deze gegevensdragers na zeven jaar niet meer opvragen. Het betreft de volgende onderdelen van de administratie:
“De basisgegevens moeten 7 jaar bewaard blijven. Na deze termijn vragen wij deze gegevens niet meer bij u op.”) [67] .
Alsde bescheiden er (nog) zijn, moeten zij verstrekt worden. Het middel gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat administratieplichtigen na verloop van de bewaartermijn niet verplicht zouden zijn tot verstrekking van gegevens die zij desondanks bewaard hebben. Hetzelfde geldt voor particulieren: die hoeven weliswaar
überhauptniet te administreren of te bewaren, maar als zij dat wél doen, zijn zij verplicht de te hunnen aanzien fiscaal relevante bescheiden waarover zij (kunnen) beschikken te verstrekken, hoe oud ook, zolang navordering mogelijk is of de gegevens van belang kunnen zijn voor nog navorderbare jaren, zulks slechts beperkt door de beginselen van behoorlijk bestuur.
gebaseerd opart. 47 lid 1 AWR Pro, redengevend achtte voor de verwerping van het beroep van de administratieplichtige betrokkene op de wettelijke bewaartermijn van art. 52 AWR Pro [73] :
primairdat zij als administratieplichtigen zijn te beschouwen, dat voor hen een bewaarplicht van zeven jaar gold en dat de Belastingdienst na die zeven jaar geen gegevens meer van hen mocht vragen, en,
subsidiair, dat als zij
nietals administratieplichtigen zijn te beschouwen, het in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou zijn als de Belastingdienst na zeven jaren nog het verstrekken van gegevens over buitenlandse bankrekeningen zou kunnen vorderen, heeft het hof in rov. 3.14 die grieven verworpen.
niettot gevolg heeft dat na ommekomst daarvan administratieplichtigen niet langer op de voet van art. 47 (respectievelijk art. 53) AWR zouden zijn gehouden gegevens en inlichtingen waarover zij (kunnen) beschikken te verstrekken, (iv) het opvragen van informatie over jaren in een ver verleden onder omstandigheden wel met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in strijd kan zijn, (v) de informatieplicht niet (slechts) ziet op de door administratieplichtigen gedurende zeven jaar te bewaren administratie maar op gegevens en administratie die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, (vi) de Staat geen afgifte of inzage in de administratie vordert, maar gegevens en informatie over een onderwerp dat voor de belastingheffing van belang is, te weten het banksaldo bij een buitenlandse bank en afgifte van bescheiden betreffende dat onderwerp, en (vii) [eisers] vanaf 2002 ermee rekening dienden te houden dat aan hen informatie over het betrokken saldo zou worden gevraagd. Volgens het hof kan bij die stand van zaken in het midden blijven of [eisers] al dan niet administratieplichtig zijn en, zo niet, of zij zich op het gelijkheidsbeginsel kunnen beroepen.
“De Belastingdienst zal deze gegevensdragers na zeven jaar niet meer opvragen”) had geen betrekking op
“gegevens en inlichtingen”als bedoeld in art. 47 lid 1 onder Pro a AWR, maar op
“gegevensdragers”, en wel dragers van
“basisgegevens”, dat wil zeggen welomschreven delen van de door de administratieplichtige te voeren administratie, te weten het grootboek, de debiteuren- en crediteurenadministratie, de in- en verkoopadministratie, de voorraadadministratie, de loonadministratie en, voor zover van belang voor onderzoeken ten aanzien van de belastingheffing van
derden, de kredietdossiers bij banken en de cliëntendossiers bij openbare accountants en belastingadviseurs. Bescheiden met betrekking tot het verloop van het saldo van de door [eisers] bij KB Lux aangehouden bankrekening en de aanwending van dat saldo na de opheffing daarvan zijn naar mijn mening niet zonder meer als basisgegevens zoals bedoeld in de beleidsregel te kwalificeren. Bovendien maakt het, zoals kennelijk ook het hof van oordeel was, verschil of de Belastingdienst inzage vraagt in een administratie dan wel (op basis van art. 47 lid 1 onder Pro b) gegevens of inlichtingen vraagt met het verzoek die gegevens of inlichtingen met bescheiden te staven (zie het hiervóór onder 2.24 sub vi weergegeven argument van het hof). De beleidsregel lijkt slechts op het eerste geval betrekking te hebben.
“een wat merkwaardig verschil tussen administratieplichtigen en ‘gewone’ belastingplichtigen”als wordt aangenomen dat, anders dan aan de administratieplichtige, van de niet-administratieplichtige tot in lengte van jaren verstrekking van stukken en inlichtingen door de Belastingdienst kan worden gevergd. Ik ben het geheel met hem eens, maar meen dat het bedoelde verschil juist ontstaat door de door mij verworpen opvatting dat het einde van de bewaarplicht ook het einde van de informatieplicht zou (moeten) impliceren. In mijn opvatting is er, na ommekomst van de bewaartermijn, in het geheel geen verschil tussen de wél en niet-administratieplichtige, voor wie nimmer een bewaarplicht heeft gegolden. Beiden zijn en blijven verplicht inlichtingen en bescheiden te verstrekken waarover zij redelijkerwijze (kunnen) beschikken. En ten aanzien van beiden zal zich kunnen voordoen dat bescheiden niet meer beschikbaar zijn (zonder dat zij zich van die bescheiden hebben ontdaan om bepaalde feiten en omstandigheden voor de Belastingdienst te verhullen).
“de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen”. Als de rechtbank de beschikking onverenigbaar met de beleidsregel had gevonden, zou dat tot een ander oordeel (vernietiging van de beslissing op bezwaar en wellicht ook van de informatiebeschikking) hebben geleid. Overigens is de beleidsregel bij de rechtbank daadwerkelijk aan de orde geweest, althans in die zin dat [eiser 1] (die zich in die procedure kennelijk als niet-administratieplichtige had gepresenteerd) daarin strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft verdedigd, maar daarin uitdrukkelijk niet door de rechtbank is gevolgd (
“18. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat geen sprake is van gelijke gevallen.”). Zolang de informatiebeschikking niet is vernietigd, ingetrokken of vervallen (zie voor dat laatste art. 52a lid 3 AWR), moet in de onderhavige procedure worden aangenomen dat deze beschikking, waarin is vastgesteld dat [eiser 1] zijn informatieplicht niet nagekomen, in overeenstemming is met het recht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, hetgeen naar mijn mening impliceert dat ook de (uitdrukkelijk door art. 52a lid 4 AWR toegelaten) civiele vordering tot nakoming van de informatieplicht bezwaarlijk met de beleidsregel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in strijd kan worden geacht [80] .
nietadministratieplichtig is [81] . Begrijpelijk is de huidige stellingname wel, nu, zoals reeds eerder (onder 2.21
in fine) aan de orde kwam, de Hoge Raad het beroep van niet-administratieplichtigen op strijd met het gelijkheidsbeginsel met toepassing van art. 81 RO Pro heeft verworpen.
“belanghebbende geloofwaardig heeft gesteld dat zij(de desbetreffende zichtrekeningen; LK)
dienen voor het zo nodig doen van betalingen vanwege zakelijke transacties”. Dat naar de bedoeling van betrokkene gelden op een bepaalde rekening
“dienen voor het zo nodig doen van betalingen vanwege zakelijke transacties”maakt die rekening niet zonder meer tot een zakelijke rekening en de rekeninghouder niet zonder meer tot een administratieplichtige in de zin van de AWR. Voor de beoordeling van laatstbedoelde status is nadere informatie, onder meer over het gebruik van de desbetreffende rekening(en), nodig; het is juist die informatie die ontbreekt en door de Belastingdienst wordt verlangd.
subonderdelen 4.2 en 4.3verdient het opmerking dat subonderdeel 4.2 (het citaat in) de bestreden rov. 3.14 niet volledig weergeeft. In de door het hof uit zijn eerdere arrest geciteerde overweging wordt niet slechts gereleveerd dat er opzettelijk informatie over de tegoeden bij KB-Lux zijn achtergehouden, maar ook dat de betrokken belastingplichtige
“bovendien reeds vanaf 2003 geconfronteerd is met expliciete vragen naar tegoeden bij de KB-Luxbank”. Die laatste omstandigheid doet zich ook voor ten aanzien van [eisers] , die reeds vanaf 2002 met expliciete vragen naar de tegoeden bij KB-Lux zijn geconfronteerd.
nietmet het beleid van de Belastingdienst in strijd is. Ook als het hof zich géén rekenschap ervan heeft gegeven of de Belastingdienst in het onderhavige geval (hetzij rechtstreeks, hetzij over de band van het gelijkheidsbeginsel) in strijd met de beleidsregel ten aanzien van de door administratieplichtigen in acht te nemen bewaarplicht heeft gehandeld, treft de klacht geen doel. Van zodanige strijd is hoe dan ook geen sprake, zodat het hof rechtens juist heeft geoordeeld door te beslissen dat de in rov. 3.13 bedoelde grieven van [eisers] falen, overigens zonder dat ter zake doet of zij administratieplichtig zijn, en zo niet, of zij zich op het gelijkheidsbeginsel kunnen beroepen.
subonderdeel 4.4is tevergeefs voorgesteld. Het subonderdeel bouwt met een rechtsklacht voort op de onjuiste opvatting dat de door [eisers] ingeroepen beleidsregel zou impliceren dat de Belastingdienst na ommekomst van de voor administratieplichtigen geldende bewaartermijn niet meer zou mogen vragen naar met bescheiden te staven gegevens (andere dan de zogenaamde basisgegevens), indien de in aanmerking komende bescheiden tot de te bewaren administratie behoorden. Ik verwijs naar hetgeen hiervóór (onder 2.25-2.29) reeds aan de orde kwam.
“over een onderwerp dat voor de belastingheffing van belang is”, welke gegevens (ook) uit een naar behoren gevoerde administratie hadden kunnen worden afgeleid. Overigens is er geen enkele reden om aan te nemen dat het hof het oog zou hebben gehad op rekeningafschriften die mogelijk ooit fysiek onderdeel hebben gevormd van een door [eisers] als administratieplichtigen gevoerde administratie. Uit rov. 3.24 blijkt dat het hof ervan is uitgegaan dat [eisers] niet meer over hun in het verleden gezonden (en mogelijk ooit tot hun administratie behorende) rekeningafschriften beschikken. De bescheiden die het hof kennelijk op het oog heeft, zijn actuele door de betrokken banken (KB-Lux en Mees Pierson) te verstrekken verklaringen over het verloop van het saldo op de betrokken rekening(en) en de aanwending van dat saldo na de beëindiging van die rekening(en), voor de afgifte van welke verklaringen [eisers] zich naar het oordeel van het hof (veel) meer moeten inzetten en die nimmer tot enige administratie van [eisers] hebben behoord.
subonderdeel 5.1, richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.24
“dat [eisers] er al vanaf 2002 mee bekend zijn dat de belastingdienst informatie van hen wenst te ontvangen over het verloop en de saldi van (in elk geval) de rekening bij KB-Luxbank.”Gesteld wordt dat dit oordeel - het onderdeel spreekt van een feitelijke vaststelling - voor wat betreft [eiseres 2] onbegrijpelijk is, omdat uit de overlegde stukken blijkt dat zij eerst in januari 2011 is geconfronteerd met een vragenbrief van de Belastingdienst [82] . De eerste vragenbrief uit 2002 was gericht aan [eiser 1] (en is ook door hem beantwoord). [eiseres 2] , aldus nog steeds het onderdeel, behoefde geen rekening te houden met een niet aan haar gerichte brief uit 2002.
en[eiseres 2] , reeds in 2002 door de Belastingdienst zijn benaderd:
redelijkerwijste verwachten inspanning, kan verkrijgen. Conform het door het Hoge Raad geformuleerde kader oordeelt het hof eerst dat aannemelijk is dat het gevorderde materiaal bestaat, doch dat niet aannemelijk is dat [eisers] op dit moment de beschikking over dit materiaal hebben (rov. 3.24). Vervolgens staat in rov. 3.24, opnieuw geheel in lijn met de maatstaf van de Hoge Raad, de nog resterende vraag centraal “
of [eisers] het materiaal waarvan aannemelijk is dat het beschikbaar is, met de van henredelijkerwijste verwachten inspanning kunnen verkrijgen” (onderstreping toegevoegd; LK). De norm
“redelijkerwijs”behoeft daarbij nadere invulling aan de hand van de omstandigheden van het geval. Naar mijn mening getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting (en is het evenmin onbegrijpelijk) dat het hof blijkens rov. 3.24 van oordeel was dat van [eisers]
“redelijkerwijs”een forse inspanning kan worden gevergd, gelet op het feit dat [eisers] , alhoewel zij al vanaf 2002 ermee bekend zijn dat en welke informatie de Belastingdienst van hen verlangt, hebben nagelaten aanstonds voortvarend naar die informatie op zoek te gaan, terwijl aannemelijk is dat zulk onderzoek méér informatie zou hebben opgeleverd dan waarover [eisers] thans kennelijk beschikken.
“in elk geval middels een sommatiebrief van hun advocaat”meer druk uitoefenen op KB-Lux.
fair playbeginsel), nu uit de gedingstukken blijkt dat de wijze waarop KB-Lux bij brief van 25 juni 2014 door [eisers] is benaderd exact conform de instructies van de Belastingdienst was. In dit licht is het volgens het onderdeel niet goed denkbaar, althans is een nadere motivering nodig, dat een dwangsom ten gunste van de Staat wordt toegekend omdat KB-Lux niet op de juiste wijze, dat wil zeggen via een advocatenbrief, zou zijn benaderd.
“forse inspanning”nader uitgewerkt. Daarbij staat voor het hof voorop dat [eisers] meer druk op KB-Lux dienen uit te oefenen dan zij tot dusverre hebben gedaan (
“Van [eisers] mag naar het oordeel van het hof gevergd worden dat zij meer druk uitoefenen op KB-Luxbank (…)”). Dat het hof daarbij in elk geval heeft gedacht aan het (tot dusverre kennelijk onbeproefde middel van) een sommatiebrief van een advocaat, is niet onbegrijpelijk en lag ook zozeer voor de hand dat niet kan worden gezegd dat [eisers] het oordeel dat zij wat betreft KB-Lux een ten opzichte van hun eerdere inspanningen sterker drukmiddel dienden aan te wenden niet behoefden te verwachten en derhalve niet op een dergelijk oordeel behoefden te anticiperen.
fair playbeginsel). Als de klacht ten betoge strekt dat (ook) de rechter aan deze beginselen is gebonden (zie cassatiedagvaarding p. 22:
“(…) is deze rechtsoverweging ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (…)”, vindt zij geen steun in recht.
“gedingstukken”, maar vermeldt geen vindplaatsen), volgt niet meer dan [89] :
“instructies”van de Belastingdienst (die [eisers] exact zouden hebben opgevolgd), blijkt uit het geciteerde verslag (of anderszins) niet dat, zoals relevant is in het kader van het vertrouwensbeginsel dan wel het
fair playbeginsel, de Belastingdienst op enig moment heeft gesteld dat buiten het versturen van de bedoelde brief geen
verdereinspanningen van [eisers] zouden worden gevergd. Uit de navolgende passage uit een brief van 8 september 2014 van de Belastingdienst aan (de gemachtigde van) [eisers] , naar aanleiding van de reactie van KB-Lux op de door de Belastingdienst aan [eisers] verstrekte brief [90] , laat zich veeleer het tegendeel afleiden:
“dat het gevorderde materiaal bestaat”en
“dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen” [91] . Deze maatstaf is in casu ook door het hof gehanteerd [92] . Een dergelijke inspanningsverplichting, binnen de grenzen van de redelijkheid, ligt ook besloten in art. 47 lid 1 AWR Pro (zie hiervóór onder 2.20). Het begrip
“desgevraagd”in art. 47 lid 1 AWR Pro brengt daarbij met zich dat deze informatie eerst behoeft te worden verstrekt na een voldoende concreet informatieverzoek van de inspecteur, maar dit begrip strekt mijns inziens niet zo ver dat in dat verzoek ook moet worden aangegeven bij wie welke (concrete) gegevens moeten worden opgevraagd en op welke wijze dit dient te geschieden.
“in redelijkheid”van [eisers] kunnen worden gevergd. In de door het hof gebezigde woorden
“in redelijkheid”ligt besloten dat het hof het verzenden van een sommatiebrief van de advocaat van [eisers] passend heeft geacht. Nu het hof hiermee de juiste maatstaf heeft aangelegd en dit oordeel ook overigens niet in strijd is met art. 47 (lid 1) AWR, moeten de derde en de vierde (rechts)klacht van het onderdeel worden verworpen. Overigens acht ik het geenszins onbegrijpelijk dat, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, van de sommatiebrief van een advocaat meer druk op de geadresseerde uitgaat dan van een informeel verzoek van de betrokkene zelf, en dat de kosten die voor betrokkene aan een dergelijke brief zijn verbonden, niet bij voorbaat disproportioneel zijn ten opzichte van het belang van de Belastingdienst dat over een reeks van jaren de juiste fiscale consequenties worden verbonden aan de ontwikkeling en de bestemming van een vermogensbestanddeel in de orde van grootte als in casu vaststaat.
“(…) dat het saldo van de KB-Luxbank in 1994 (…) is overgemaakt naar een van hun rekeningen bij Mees Pierson in Nederland (…)”. Het onderdeel stelt dat het opleggen van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 250.000,- derhalve niet gerechtvaardigd is en dat cassatie dient te volgen.
“(…) dat het saldo van de KB-Luxbank in 1994 (…) is overgemaakt naar een van hun rekeningen bij MeesPierson in Nederland (…)”, betreft niet een oordeel of vaststelling van het hof zelf, maar slechts een weergave van hetgeen [eisers] hebben gesteld. De bedoelde passage luidt voluit:
“Bovendien is namens [eisers] bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep aangegeven dat het saldo van de rekening bij KB-Luxbank in 1994 naar alle waarschijnlijkheid is overgemaakt naar een van hun rekeningen bij MeesPierson in Nederland.”