Conclusie
1.Feiten en procesverloop
‘Overeenkomst Koopstudio Garantplan Lidmaatschapsrecht Woonvereniging’ [8] met Koopstudio Finance & Investments B.V. (hierna: Koopstudio Finance) gesloten. Hierin garandeerde Koopstudio Finance dat zij het lidmaatschapsrecht vanaf drie jaar tot zes jaar na de aankoop zal terugkopen van [verweerster] voor een bedrag van € 182.200,-. [verweerster] heeft in verband met dit Garantplan een extra betaling van € 2.495,- gedaan.
‘Lidmaatschap woonvereniging’van 1 mei 2009 [10] is [verweerster] als lid toegetreden tot de Woonvereniging tegen betaling van inleggeld ten bedrage van € 172.495,-, te vermeerderen met overdrachtsbelasting ad € 10.347,-.
‘Verpanding Lidmaatschapsrecht’van 1 mei 2009 [11] heeft [verweerster] haar lidmaatschapsrecht aan Rabobank verpand.
grief Iwordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank over de inhoud van de zorgplicht die in dit geval op Quarz rustte (vonnis, rov. 4.24), de
grieven II t/m IVkeren zich tegen het oordeel dat Quarz in de nakoming van deze zorgplicht is tekortgeschoten (rov. 4.25 t/m 4.27) en
grief Vkomt op tegen de verwerping van het beroep van Quarz op eigen schuld (rov. 4.28).
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
onderdeel 2.1bestreden aansluitende overwegingen in rov. 4.4 t/m 4.9 en 4.11 luiden als volgt:
.Quarz heeft gelijk waar zij stelt dat hieruit blijkt dat een risico van een faillissement van Koopstudio aan de kant van [verweerster] als zodanig werd onderkend. Uit de vraagstelling blijkt echter ook meteen dat [verweerster] en haar ouders niet overzagen wat de gevolgen zouden zijn en hoe groot het risico was, en dat zij daarover wilden worden geïnformeerd. Naar het oordeel van het hof behoefden [verweerster] en haar ouders dit ook niet zonder meer te begrijpen, nu het (zeker voor hen als leken, dit geldt ook voor een beginnend medicijnenstudent als [verweerster]) om een ingewikkelde constructie ging waarbij diverse partijen waren betrokken (Koopstudio, de Woonvereniging, Stichting Beheer Derdengelden en Koopstudio Finance), zonder dat direct duidelijk was wat hun positie en onderlinge verhouding was en op welke wijze een en ander de waarde van het aan te kopen woonrecht zou kunnen beïnvloeden. Het had dan ook op de weg van Quarz gelegen om de mogelijke gevolgen van een faillissement met [verweerster] en haar ouders te bespreken. Daarbij had zij, voor wie dit voorzienbaar had behoren te zijn, hen er dan op moeten wijzen dat een faillissement van Koopstudio er allereerst toe zou leiden dat de lastendempers niet meer zouden worden uitbetaald (Stichting Beheer Derdengelden zou daartoe bij het opdrogen van de geldstroom niet meer in staat zijn). Dat zou niet alleen betekenen dat [verweerster] voor de betaling van de maandlasten aan de bank waarschijnlijk al meteen een beroep op haar ouders zou moeten doen, maar ook dat een opvolgend koper in geen geval meer gebruik van deze faciliteit zou kunnen maken. Voor het overnemen van de studio zouden dan alleen nog studenten in aanmerking komen van wie de ouders in staat én bereid zouden zijn de aanzienlijke financieringslasten (grotendeels) voor hun rekening te nemen. Van de gunstige terugbetalingsvoorwaarde van de KLD zouden zij ook niet meer kunnen profiteren. Dat Koopstudio zich jegens [verweerster] niet had verplicht de lastendempers ook aan een opvolgende koper aan te bieden, maakt dit niet anders. Op grond van de inhoud van de informatiebrochure en artikel 10 van Pro Allonge I (waarin is vermeld dat “uit de meeropbrengst eerst aanvulling van de KLD voor de nieuwe koper (wordt) ingehouden”) mocht [verweerster] ervan uitgaan dat een volgende koper normaal gesproken ook van deze faciliteit gebruik zou kunnen maken. Het standpunt van Quarz dat door het wegvallen van de lastendempers de kring van potentiële kopers niet kleiner is geworden, kan dan ook niet worden gevolgd. Dat de lastendempers buiten beschouwing zijn gelaten bij de beoordeling van de financierbaarheid, zodat de ouders van [verweerster] daarvan kennelijk niet afhankelijk waren om de maandlasten te kunnen (blijven) voldoen, betekent ook niet dat deze voorziening voor [verweerster] en haar ouders niet van wezenlijk belang was. Het bestaan van de lastendempers leverde voor hen immers wel duidelijke en substantiële voordelen op, in de eerste plaats voor de maandlasten van [verweerster].
nietuitstrekt tot:
producten van een derde partij(Koopstudio) waarin ook niet wordt bemiddeld of geadviseerd, zoals in casu de lastendempers en de garantie tot terugkoop, en
kenbare gevolgenvan het faillissement van Koopstudio en de daaraan verwante entiteiten.
subonderdelen 2.1.1 en 2.1.5klagen dat het hof – met zijn oordeel dat Quarz had moeten wijzen op de mogelijke gevolgen (voor de lastendempers en de terugkoopregeling) van een eventueel faillissement van Koopstudio – heeft miskend dat het niet tot de werkzaamheden en verplichtingen van een financieel adviseur behoort om zijn opdrachtgevers voor te lichten over producten ter zake waarvan hij niet bemiddelt of adviseert. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus de subonderdelen.
enkeluitstrekt tot die financiering.
“uitdrukkelijk heeft gevraagd wat de gevolgen van een faillissement van Koopstudio zouden zijn.”Ik begrijp de klacht aldus dat deze vaststelling in het licht van de in het subonderdeel vermelde stellingen van Quarz onbegrijpelijk zou zijn.
zekerals daar door een cliënt uitdrukkelijk naar werd gevraagd.”
(...)” [27]
subonderdelen 2.1.3 en 2.1.4keren zich tegen de oordelen (in rov. 4.4 en 4.7) dat (uit de vraag van de vader naar de gevolgen van een faillissement van Koopstudio blijkt dat) [verweerster] en haar ouders niet overzagen wat de gevolgen hiervan zouden zijn en dat het op de weg van Quarz had gelegen om de mogelijke gevolgen van een faillissement van Koopstudio met van [verweerster] en haar ouders te bespreken.
bekende gevarenhoeft te waarschuwen. [28]
gaatom bekende gevaren, waartegen niet behoeft te worden gewaarschuwd. Gewezen wordt op de stellingen van Quarz in de gedingstukken in feitelijke instanties (i) dat het een feit van algemene bekendheid is dat ondernemingen en daaraan gelieerde stichtingen failliet kunnen gaan, (ii) dat het voor [verweerster] kenbaar had moeten zijn dat wanneer Koopstudio failliet zou gaan de lastendempers niet meer uitgekeerd zouden worden, en (iii) dat het voor [verweerster] duidelijk moet zijn geweest dat indien Koopstudio failliet zou gaan, terugverkoop op grond van het Garantieplan niet meer mogelijk was.
subonderdelen 2.1.6 en 2.1.7klagen dat het hof heeft miskend dat de beantwoording van de vraag wat er van een opdrachtnemer ex art. 7:401 BW Pro in redelijkheid kan worden verwacht afhankelijk is van
allerelevante omstandigheden van het geval. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof zijn oordeel (ten onrechte) uitsluitend heeft gebaseerd op de informatiebrochure en de daarin voorgeschreven inschakeling van Quarz als intermediair voor de verkrijging van financiering, en dat het geen kenbare aandacht heeft besteed aan
geldleningtot stand gekomen waarbij Quarz als financieel adviseur is opgetreden (rov. 4.3);
van Koopstudio te kopenen zij heeft in verband daarmee een inventarisatieformulier bij Quarz ingediend (rov. 3.3);
tussen [verweerster] en Koopstudiotot stand;
(a)genoemde stelling geldt dat het hof de voor de (voorgeschreven) inschakeling van Quarz gegeven verklaring kennelijk niet relevant heeft geacht bij zijn oordeel omtrent de verwachtingen die daardoor bij potentiële kopers werden gewekt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.
(b)genoemde ‘omstandigheden’ valt op te merken dat bij een aantal daarvan (
(1)t/m
(7)) vindplaatsen van corresponderende stellingen in de gedingstukken ontbreken, zodat het middel in zoverre niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen voldoet. Voorts zouden de stellingen waarbij deze omstandigheden zouden zijn aangevoerd voor een groot deel (
(1)t/m
(3)en
(6)t/m
(9)) kunnen worden samengevat in de stelling dat Quarz niet adviseerde over noch bemiddelde in de door Koopstudio aangeboden producten. Deze stelling heeft het hof onderkend, gewogen en te licht bevonden (rov. 4.4). De stelling
(10)dat sprake is van een algemeen bekend gevaar is, zoals hiervoor besproken, door het hof verworpen. Op stelling
(11)behoefde het hof in de onderhavige procedure niet in te gaan.
subonderdelen 2.1.8 en 2.1.9bouwen voort op de hiervoor verworpen klachten en kunnen derhalve evenmin tot cassatie leiden.
onderdeel 2.2bestreden oordelen van het hof luiden als volgt:
subonderdelen 2.2.2, 2.2.3 en 2.2.4keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de beoordeling, reeds in de onderhavige hoofdprocedure, van het beroep op eigen schuld (rov. 4.11). Volgens de klachten heeft het hof miskend dat een beroep op art. 6:101 BW Pro slechts in de hoofdzaak kan worden afgedaan indien daadwerkelijk over de hoogte van de afzonderlijke schadeposten is gedebatteerd. Nu dit niet het geval is, had het hof het debat over eigen schuld en de schadebeperkingsplicht in zijn geheel naar de schadestaatprocedure moeten verwijzen (subonderdelen 2.2.2 en 2.2.3). Voorts zou het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat enerzijds definitief over eigen schuld wordt geoordeeld, terwijl anderzijds wordt overwogen dat het debat over eigen schuld en schadebeperkingsplicht (op schadepostniveau) weer in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen (subonderdeel 2.2.3). Ten slotte zou het hof hebben miskend dat, gelet op het karakter van de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure, het debat naar aard niet over concrete schadebeperking of eigen schuld kan gaan en derhalve – als geheel – dient plaats te vinden in de schadestaatprocedure (subonderdeel 2.2.4).
ten eerstedat het oordeel van het hof, in rov. 4.12, dat Quarz niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt haar verweer op het punt van de schadevergoedingsplicht aan te vullen, getuigt van een onbegrijpelijke lezing van de processtukken nu Quarz dit verzoek slechts heeft gedaan onder de voorwaarde dat de rechtbank van oordeel blijkt dat de schadeomvang reeds in de onderhavige procedure moet worden vastgesteld.
voorts(subonderdeel 2.2.5, laatste volzin) nog wordt geklaagd dat het hof in rov. 4.12 heeft miskend dat de omvang van de schade niet tot het debat van partijen heeft behoord, ziet deze klacht eraan voorbij dat naar het kennelijk en in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk oordeel van het hof wél is gedebatteerd over de omvang van de schadevergoedingsverplichting, in dier voege dat partijen hebben gestreden over de vraag of [verweerster] bedacht had moeten zijn op niet door Quarz gemelde risico’s.
onderdeel 2.3.