Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleiding
2. Kosten deskundige bijstand
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Contractuele toezeggingen
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Waardevermindering
6. Wederbeleggingskosten
7. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
8. Belastingschade
9. Renteschade
10. Kosten deskundige bijstand
2. Kosten deskundige bijstand
2. Kosten deskundige bijstand
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Waardevermindering
6. Wederbeleggingskosten
7. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
8. Belastingschade
9. Renteschade
10. Kosten deskundige bijstand
2. Kosten deskundige bijstand
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Waardevermindering
6. Wederbeleggingskosten
7. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
8. Belastingschade
9. Kosten deskundige bijstand [3]
2. Vergelijkingstransacties [D] en [E]
3. Vergelijkingstransactie SRE/GEM
4. Waarde (prijs per m2)
5. Contractuele toezeggingen
7. Wederbeleggingskosten
8. Bedrijfskosten en gemiste exploitatieopbrengsten
9. Belastingschade
10. Kosten deskundige bijstand [4]
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
Waarderingsmethode
eerste onderdeelvan het principaal cassatiemiddel richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.17 en 2.18 van het vonnis van de rechtbank. Die overwegingen hebben betrekking op de keuze van de voor de vaststelling van de werkelijke waarde toe te passen waarderingsmethode:
onder 1.1.1dat niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd het oordeel van de rechtbank dat de vergelijkingsmethode de meest geschikte waarderingsmethode is, gelet op de essentiële stelling van de onteigende dat redelijk handelende kopers en verkopers [5] in dit geval uitsluitend professionele marktpartijen zijn die een geheel ander perspectief hebben en wel degelijk de DCF-methode als referentie voor hun handelen zullen gebruiken. Het onderdeel houdt voorts in dat de rechtbank niet (voldoende) begrijpelijk op deze essentiële stelling heeft gerespondeerd, zodat de stelling als een in cassatie vaststaande hypothetisch feitelijke grondslag heeft te gelden.
Onder die omstandigheden zijn er naar het oordeel van deskundigen volstrekt onvoldoende bouwstenen om een enigszins betrouwbare topdown berekening of andere cijfermatige benadering van de waarde op te baseren. Een dergelijke benadering kent immers vele variabelen en aannames en de aanpassing daarvan beïnvloedt het resultaat in zeer sterke mate.Dit blijkt ook uit de overgelegde rapportage van Joling & Haanappel waarin door aanpassing van aannames de waarde kan uitkomen tussen € 93,00 en € 223,00 per m2. Daarbij wordt dan nog niet verdisconteerd de kans dat de ontwikkeling van Schiphol op langere termijn uiteindelijk geheel anders zal verlopen dan thans wordt aangenomen. Ter verdere illustratie van de ongeschiktheid van deze waarderingsmethode in het onderhavig geval wijzen deskundigen ook op de in opdracht van N.V. Landinvest opgestelde taxatierapporten van DTZ Zadelhoff d.d. 23 juli 2003 met betrekking tot gronden in de Schipholdriehoek (toegezonden bij brief van 24 januari 2014 door Mr. Van Schie) waarin de waardering van die percelen residueel is bepaald. De betreffende waardering gaat expliciet uit van een realisatiekans van 90% voor het veronderstelde project en aanvang met realisatie in 2009. Inmiddels is wel gebleken dat de ontwikkeling geheel anders is gelopen en is ook duidelijk dat een dergelijke residuele benadering afhankelijk is van het uitkomen van de daarin gedane aannames.
vanwege de vele ongewisheden die zich gedurende de voortgang van een dergelijk project kunnen voordoen(bijvoorbeeld marktontwikkelingen, conjunctuurverloop en positie KLM/Schiphol)
vanuit praktisch oogpunt onmogelijk is de werkelijkheid door middel van een residuele grondwaardeberekening met een zodanige mate van nauwkeurigheid te benaderen dat op die basis door de onteigeningsrechter uitspraken kunnen worden gedaan.
Daar komt bij dat het kiezen van de juiste aannames (parameters) onvermijdelijk in zekere mate van willekeur in zich draagt, met als gevolg dat de uitkomst van een dergelijke berekening eveneens in zekere mate willekeurig is en daarmee ongeschikt voor het vaststellen van de grondwaarde per die peildatum.
onder 1.1.3bouwt het onderdeel op de voorgaande klacht voort en richt het zich in het bijzonder tegen de laatste alinea van rechtsoverweging 2.17. Ook in zoverre kan het onderdeel geen doel treffen. Naast het niet onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank dat de DCF-methode niet geschikt is, is de bedoelde alinea te beschouwen als een overweging ten overvloede. Dat de rechtbank het ook zo heeft bedoeld, volgt uit het gebruik van het woord ‘bovendien’. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat in de overweging een tegenstelling wordt gesuggereerd die niet gelukkig is, namelijk tussen enerzijds ontwikkelaars en beleggers en anderzijds redelijk handelende verkopers en kopers. De overweging is echter, zoals gezegd, ten overvloede gegeven, zodat de onteigende bij de ertegen gerichte klachten geen belang heeft.
tweede onderdeelbevat rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van de rechtbank dat de [E]-transactie en de [D]-transactie geschikt zijn om als vergelijkingstransacties in aanmerking te nemen. Bij de bespreking van dit onderdeel dient tot uitgangspunt dat de beslissing of een transactie al dan niet kan worden gebruikt als vergelijkingstransactie in hoge mate is verweven met waarderingen van feitelijke aard en dus bij uitstek tot het domein van de feitenrechter behoort. In cassatie kunnen dergelijke beslissingen dan ook slechts beperkt worden getoetst. De steller van het onderdeel wenst daar klaarblijkelijk aan voorbij te zien en trakteert de wederpartij en uw Raad op een groot aantal deels op elkaar gelijkende klachten verspreid over maar liefst acht pagina’s.
[D]-transactie heeft de rechtbank, voor zover in cassatie nog van belang, als volgt overwogen:
onder 2.1.1en
onder 2.1.2zijn geformuleerd, komt op het volgende neer (vergelijk 2.1.2 onder (iii)). [D] heeft gronden gelegen in de Schipholdriehoek aangekocht voor € 71,80 per m², waarbij ook nog een forse nabetaling is overeengekomen voor gronden die níét worden benut voor de wegomlegging A9. Vervolgens heeft [D] voor een bedrag van € 48,83 per m² aan de Staat verkocht het deel van de gronden dat juist wél bestemd is voor de wegomlegging A9. Onder die omstandigheden zijn er geen aanwijzingen dat [D] met deze laatste transactie de prijs heeft ontvangen waarvoor een redelijk handelend verkoper ook de náást de A9 gelegen gronden had willen vervreemden, zoals de onteigende met de onder 2.1.1 aangehaalde (essentiële) stellingen de rechtbank ook heeft voorgehouden. Het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.27 vormt geen begrijpelijke respons op het voorgaande.
at arm’s lengthtot elkaar verhielden (vergelijk rechtsoverweging 2.34 van het eindvonnis), terwijl ten aanzien van de [D]-transactie daarvoor geen aanwijzing is gevonden. In beide gevallen zijn de voorafgaande transacties dus in het onderzoek betrokken, maar dat onderzoek heeft aanleiding gegeven tot verschillende conclusies. Dat is niet inconsistent of onbegrijpelijk.
onder 2.2.1richt het middel zich tegen rechtsoverweging 2.23 van de rechtbank, waar de rechtbank heeft geoordeeld dat de transactie waarmee [D] de gronden van [F] c.s. in eigendom heeft verkregen niet als een geschikte vergelijkingstransactie kan gelden. Rechtsoverweging 2.23 en de daaraan voorafgaande rechtsoverweging 2.22 luiden als volgt:
[E]-transactieals volgt overwogen:
onder 2.1.3moet uit een feit van algemene bekendheid (namelijk een rekensom) worden afgeleid dat de overblijvende [E]-gronden in 2010/2011 een waarde vertegenwoordigden van € 63,35 per m². De gemeente heeft immers alle grond (410.000 m²) van [E] gekocht voor een prijs van € 16.924.800, (€ 41,28 per m²) en vervolgens de ten behoeve van de A9-omlegging bestemde gronden (252.397 m²) aan de Staat verkocht voor € 6.940.917,50 (€ 27,50 per m²). De waarde van de overblijvende grond is dan € 9.983.882,50 (het van de aankoopprijs resterende bedrag) gedeeld door 157.603 m² (de overblijvende grond).
at arm’s length’ zou zijn, is niet begrijpelijk toegelicht.
onder 2.1.5klaagt het onderdeel dat de rechtbank op de onder 2.1.4 genoemde essentiële stellingen van de onteigende niet (voldoende begrijpelijk) heeft gerespondeerd.
uitsluitendtransacties tussen projectontwikkelaars geschikt zijn als vergelijkingstransacties (‘alleen,
althans met nameproject- en gebiedsontwikkelaars’ [cursivering door mij toegevoegd]). Alleen (gegrondbevinding van) die stelling zou dwingend hebben geleid tot de conclusie dat de [E]-transactie buiten beschouwing moet blijven. Een nuancering van de stelling is ook te lezen in punt 2.1.4 onder b van de cassatiedagvaarding, waar staat: ‘partijen die zich van de strategische waarde van deze gronden gelegen in de Schipholdriehoek wél bewust zijn, zijn met name projectontwikkelaars en gebiedsontwikkelaars’.
derde onderdeelbevat, verspreid over vijf pagina’s, klachten over het oordeel van de rechtbank over het wel of niet in aanmerking nemen van een transactie als een geschikte vergelijkingstransactie. Wat ik naar aanleiding van het tweede onderdeel heb vooropgesteld, kort gezegd dat het gaat om een kwestie die bij uitstek tot het domein van de feitenrechter behoort, geldt ook hier.
at arm’s lengthgeschiedde (onder a);
at arm’s lengthwas en (iii) dat in het kader van de transactie SRE/GEM een aanmerkelijk hogere prijs per m2 is betaald dan de prijs per m2 die de deskundigen in de onderhavige zaak hebben geadviseerd (onder c, e, f en g [12] );
at arm’s lengthwas (onder h) en
at arm’s lengthheeft plaatsgevonden. Dat zou volgens het onderdeel immers betekenen dat GEM welbewust voor een te hoge prijs zou hebben aangekocht en daarvoor hebben noch de deskundigen, noch de rechtbank, een (voldoende) begrijpelijke motivering aangedragen.
onder 3.1.3vormt, namelijk als zou de rechtbank suggereren dat sprake is van valsheid in geschrifte, althans dat in de aandeelhoudersovereenkomst de waarheid geweld is aangedaan. Tegen dezelfde achtergrond behoefde de rechtbank – anders dan de klacht
onder 3.1.4inhoudt – ook niet nader te motiveren waarom de omstandigheid dat een onafhankelijke taxatie in de vorm van het Ecorys-rapport was opgemaakt, haar niet tot een andere beslissing bracht.
vierde onderdeelricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van de onteigende gronden moet worden gesteld op € 40, per m². Het betreft rechtsoverweging 2.38 van het vonnis:
onder 4.1.2(onder 4.1.1 zijn geen klachten geformuleerd) komt er op neer dat het advies van de deskundigen tot een waarde van € 40, per m², dat de rechtbank hier volgt, niet volledig helder en controleerbaar is. De deskundigen hebben namelijk opgemerkt dat buiten kijf staat dat de Schipholdriehoek een zeer grote strategische waarde heeft, terwijl de [D]-transactie en de [E]-transactie bovendien een waarde van € 49, respectievelijk € 41, per m² vertegenwoordigen.
onder 4.1.3klaagt dat de deskundigen in hun voorlopig oordeel [15] zijn uitgegaan van een waarde van € 35, per m² voor de [D]-transactie en in hun definitieve oordeel van ruim € 48, per m², maar in beide gevallen op een waarde van het onteigende van € 40, per m² zijn gekomen. In beide oordelen zijn de deskundigen uitgegaan van een waarde van € 48, (preciezer: € 48,83) per m² voor de [D]-transactie, zo volgt uit de toelichting die door mr. Vermeulen ter zitting van 23 juni 2015 namens de deskundigen is gegeven. [16] Dit blijkt ook uit bijlage 3 bij het voorlopige deskundigenbericht, [17] waar reeds de waarde van € 48, per m² voor de [D]-transactie staat vermeld.
onder 4.1.4dat de rechtbank niet (voldoende begrijpelijk) heeft gerespondeerd op de stellingen van de onteigende.
onder 5.1.1en
onder 5.1.2dat de rechtbank niet begrijpelijk heeft gerespondeerd op de onder 5.1.1 aangeduide stellingen van Televerde, althans dat de rechtbank met haar beslissing ‘de logica tart’, doordat zij enerzijds erkent dat de door Televerde ingeroepen contractuele verplichtingen bestaan, doch anderzijds doorslaggevend acht dat ‘geen concreet voornemen’ bestaat om de desbetreffende gronden ook daadwerkelijk eerder voor bedrijfsmatige ontwikkeling in aanmerking te brengen en op basis daarvan concludeert dat een redelijk handelend koper niet bereid zal zijn voor de betreffende gronden een hogere prijs te betalen.
zesde onderdeelricht zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de belastingschade. De klachten richten zich in het bijzonder tegen rechtsoverweging 2.52:
onder 6.1.1allereerst aan dat de beslissing van de rechtbank over de uitleg en reikwijdte van de afspraak met de fiscus een niet toegelaten verrassingsbeslissing is. Dit is door partijen, de deskundigen en de rechtbank niet ter sprake gebracht, zo stelt het onderdeel.
onder 6.1.3klaagt dat elk aanknopingspunt ontbreekt voor de beslissing van de rechtbank dat met de meergenoemde bedrijfsstrategie het beoogde fiscale voordeel na verkoop door de Chipshol-groep van haar aandelen niet langer kan worden behaald, ziet het er aan voorbij dat de rechtbank op grond van de tekst van de afspraak heeft aangenomen dat voorwaarde voor de gelding van de afspraak met de fiscus was dat alle aandelen in handen waren van een vennootschap behorende tot de Chipshol-groep. Met dat als uitgangspunt is de beslissing van de rechtbank geenszins onbegrijpelijk.
4.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel
onder 1.3 [28] met een motiveringsklacht. Het onderdeel betoogt dat de rechtbank geen afweging op basis van de relevante omstandigheden van het geval heeft gemaakt en dat zij daarmee op een onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de regel dat de vraag of eliminatie moet plaatsvinden afhangt van de omstandigheden van het geval. De rechtbank baseert haar oordeel immers op een aantal door de deskundigen benoemde bijzondere aspecten van een tracébesluit (geciteerd door de rechtbank in rechtsoverweging 2.11), maar deze aspecten zien allemaal op de aanwending dan wel regulering van planologische bevoegdheden om een autoweg planologisch mogelijk te maken en brengen niet mee dat een tracébesluit als het plan voor het werk als bedoeld in artikel 40c Ow moet worden beschouwd, aldus het onderdeel.