Conclusie
middelbehelst de klacht dat art. 51 (oud) Sv [1] in hoger beroep is geschonden, aangezien is verzuimd de raadsvrouwe een afschrift van de appeldagvaarding te verstrekken.
rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl. Het bericht houdt in dat mr. Heida zich als raadsvrouwe van de verdachte stelt en dat zij verzoekt haar rechtstreeks op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de zaak en om toezending van een kopie van alle relevante stukken uit het dossier.
rp.hof.denhaag.algemeen@om.nl. Dit lijkt het e-mailadres van het ressortsparket in Den Haag te zijn, zodat de gedachte zou kunnen postvatten dat het e-mailbericht is verzonden naar het verkeerde e-mailadres. In een dergelijk geval kan de brief in beginsel niet als stelbrief in de zin van art. 39 (oud) Sv worden aangemerkt, zodat ook geen sprake is van een schending van art. 51, tweede volzin, (oud) Sv. [6] De steller van het middel wijst er evenwel op dat stelbrieven per e-mail dienen te worden verzonden aan het hierboven genoemde e-mailadres. Telefonische navraag bij de griffie van het gerechtshof Den Haag heeft uitgewezen dat advocaten inderdaad door de griffie te kennen wordt gegeven dat zij, indien zij hun stelbrief per e-mail wensen te verzenden, deze kunnen versturen naar het hierboven weergegeven e-mailadres. [7] Deze omstandigheid brengt mee dat de raadsvrouwe er aanspraak op kon maken dat haar e-mailbericht als een stelbrief in de zin van art. 39 (oud) Sv zou worden aangemerkt en ter kennis van het hof zou komen.