Conclusie
2.Inleidende opmerkingen
kanhet dus worden opgeheven.
na de dag van verstrekking of verzendingvan het proces-verbaal heeft te gelden. [9]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
. [16] Daarbij past niet dat de rechter stellingen van de betrokkene als vaststaand zou moeten aannemen louter omdat zij niet zijn weersproken.
onderdeel 2heeft het hof miskend dat, op grond van wat [verzoeker] heeft doen stellen (verwezen wordt naar onderdeel 1), het voor de beslissing op het verzoek tot opheffing van het bewind niet van belang is hoe het bewind is gevoerd of wat de financiële positie van [verzoeker] is, nu eventuele (maar niet door het hof vastgestelde) nadelige gevolgen voor [verzoeker] van het gevoerde bewind niet aan hem, maar aan de bewindvoerder zijn toe te rekenen.
moetworden opgeheven indien (en zodra) de omstandigheden die aanleiding waren voor de instelling ervan, zich thans niet meer voordoen, miskent het dat het er op aan komt of betrokkene in staat moet worden geacht zijn vermogensrechtelijke belangen voldoende waar te nemen. De rechter zal zich daartoe een oordeel moeten vormen over de lichamelijke en geestelijke toestand van de betrokkene, alsmede over zijn bestaande financiële situatie.
de financiële positie van betrokkene nog steeds niet geheel duidelijk is”.
onderdeel 6klaagt dat het hof had moeten motiveren waarom (alleen) van belang is hoe het bewind is gevoerd of wat de financiële positie van [verzoeker] is en waarom de door [verzoeker] in het geding gebrachte gegevens, waaronder “
de machtiging van de kantonrechter”, ontoereikend zijn.
uitvoeringvan de koopovereenkomst (levering van het woonhuis van [verzoeker] aan [betrokkene 2] ). In het aanvullend cassatieverzoekschrift van 25 juli 2017 wordt echter gesuggereerd dat de machtiging zag op de (volledige) constructie met de buurman (“
dat de kantonrechter wetenschap had van de constructie waarop de kantonrechterlijke machtiging ziet”), hetgeen wordt afgeleid uit de volgende verklaring van [betrokkene 2] , de buurman van [verzoeker] , ter zitting bij het hof:
“de ter zake opheffing ingenomen, relevante stellingen”. De relevantie van die stellingen is volgens het onderdeel evenwel onmiskenbaar omdat
“daaruit blijkt (indien juist) dat de noodzaak voor onderbewindstelling niet langer bestaat en het bewind kan worden opgeheven”.