Conclusie
1.Feiten en procesverloop
incidentele grief 2van de man betoogt, onder meer en kort samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man dienaangaande geen vergoedingsrecht toekomt.
Geschilpunten en verzoeken
Afkoopsom pensioen
2.Juridisch kader
privé vermogenvan de man is te beschouwen. Het hof heeft deze vraag geplaatst in de sleutel van het leerstuk van
verknochtheid(art. 1:94 lid 3 BW Pro (oud)) en het vergoedingsrecht afgewezen. Het cassatiemiddel plaatst de positieve beantwoording van de vraag echter buiten het leerstuk van de verknochtheid, zulks met een beroep op
de ratio en een redelijke wetstoepassing van de Wvps.
geïndop een vordering die buiten de gemeenschap valt. [18] Volgens de toelichting strekt de bepaling ertoe buiten twijfel te stellen dat ook onder het nieuwe recht de eertijds in art. 1:124 lid Pro 3 (oud) BW [19] opgenomen, algemeen ook op de wettelijke gemeenschap van goederen toepasselijk geachte, regeling van eenvoudige zaaksvervanging blijft gelden. Voorts wordt verwezen naar de in art. 3:213 BW Pro opgenomen regeling van zaaksvervanging bij vruchtgebruik. [20] De bepaling lijkt gelet op de tekst ervan het oog te hebben op alle vorderingen die niet in de gemeenschap zijn gevallen; er wordt geen uitdrukkelijk onderscheid gemaakt in de grondslag van het privékarakter van de vordering. In de literatuur wordt door sommige auteurs dan ook aangenomen dat de bepaling mede het oog heeft op inning van wegens verknochtheid als privé te beschouwen vorderingen. [21]
vruchtenvan privégoederen – dat met de regeling van art. 1:94 lid 4 BW Pro niet is beoogd tot een wijziging te komen van de geldende rechtspraak met betrekking tot de materie van verknochtheid (met name HR 26 september 2008, NJ 2009/40) en dat de bepaling – in weerwil van haar tekst – niet van toepassing is op door verknochtheid niet (volledig) in de gemeenschap vallende goederen. [22] Door sommige auteurs wordt dan ook aangenomen dat de bepaling alleen ziet op vorderingen die op andere grond dan verknochtheid buiten de gemeenschap vallen. [23] Er wordt echter ook bepleit de opmerking van de Minister niet al te zwaar te laten wegen en hetgeen geïnd is op een verknochte vordering toch zonder meer als privé aan te merken. [24]
3.Beoordeling van het cassatieberoep
593,- in plaats van € 64.
953,-. Het betoogt dat de rechtbank het bedrag wel juist heeft vastgesteld op € 64.953,- en tegen die vaststelling niet is gegriefd, zodat het hof eveneens van dit bedrag had dienen uit te gaan. Het middel merkt daarbij op dat aannemelijk is dat het hier om een kennelijke schrijffout gaat die zich leent voor eenvoudig herstel (art. 31 Rv Pro), hetgeen (nu in het onderhavige cassatieberoep ook andere klachten worden aangevoerd) ook in cassatie kan worden gevraagd [27] en ook wordt gevraagd.
€ 64.953,-.
eerste huwelijksgemeenschapen (ii) van oordeel is dat de man niet duidelijk heeft gemaakt welk deel van de afkoopsom aan de huwelijksgemeenschap toevalt, omdat de
opbouwdaarvan heeft plaatsgevonden tijdens het eerste huwelijk (en dus vereveningsplichtig zou zijn geweest, indien het niet was afgekocht). Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is.
eerstehuwelijksgemeenschap.
rechtsklachtbestempelt de door het hof getrokken
paralleltussen de (afkoop van) de pensioenaanspraak en een aanspraak op een stamrechtuitkering en het in het verlengde daarvan gemaakte
onderscheidtussen een deel van de afkoopsom dat ziet op vervanging van de pensioenaanspraken over de periode vóór en een deel dat ziet op de vervanging van de pensioenaanspraken na ontbinding van de huwelijksgemeenschap als rechtens onjuist.
ander karakterheeft dan een aanspraak op een stamrechtuitkering (of een schadevergoeding wegens verlies van verdiencapaciteit). Dat wordt als volgt uitgewerkt en toegelicht (verzoekschrift nr. 1.2.1).
vervanging van inkomendat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten [28] , ofwel tot vergoeding van
schade.Volgens de wettelijke hoofdregel van art. 1:94 lid 2 BW Pro valt een dergelijke aanspraak in de gemeenschap, behoudens voor zover de bijzondere verknochtheid zich daartegen verzet. Het is in dát kader dat moet worden bezien in hoeverre de aanspraak betrekking heeft op
tijdenshet bestaan van de huwelijksgemeenschap – en dus door die gemeenschap – geleden schade en in hoeverre zij ziet op
nade ontbinding geleden schade. Het buiten de verdeling laten van het deel van de aanspraak dat ziet op de periode ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap is een
uitzonderingop de hoofdregel en een toepassing van het leerstuk van
bijzondere verknochtheid.
inkomensvoorziening bij ouderdom,(ii) pensioenrechten waarop de Wvps van toepassing is, vallen
ex lege(ingevolge art. 1:94 lid Pro 2, sub b BW)
buitende gemeenschap (dit buiten de gemeenschap vallen is voor deze aanspraak dus de
hoofdregel), en (iii) eventuele aanspraken (op verevening bij echtscheiding) voor de andere echtgenoot blijven – nu de pensioenaanspraak geldt als het resultaat van gemeenschappelijke inspanning – beperkt tot pensioen dat is opgebouwd
tijdenshet huwelijk (art. 2 Wvps Pro).
ratio en een redelijke wetstoepassing van de Wvpsmeebrengt, dat door het enkele feit van
afkoopvan de onderhavige pensioenrechten daarin geen wijziging wordt gebracht. De 'spaarpot' komt door de afkoop ter vrije beschikking van de man ter voorziening in zijn oude dag en vormt een privé bate van de man. De afkoopsom behoeft niet te worden verdeeld met de vrouw.
zonder meer geheelals een investering uit
privé vermogenhad moeten aanmerken, zodat hem – eveneens: zonder meer – ter zake een vergoedingsrecht toekomt voor dit gehele bedrag. Aan het leerstuk van
verknochtheiden een evenredige toerekening aan de gemeenschap (voor de periode vóór ontbinding van de gemeenschap) en de man in privé (voor de periode na ontbinding van de gemeenschap) wordt immers
niet toegekomen, aldus het middel.
motiveringsklachtvan onderdeel 2 (verzoekschrift p. 8) voert aan dat voornoemd oordeel van het hof in ieder geval ontoereikend gemotiveerd is, omdat het hof – mede in het licht van de stellingen van de man en de inhoud van de gedingstukken – niet duidelijk maakt waarom, niettegenstaande het geheel andere karakter van een afkoopsom van pensioenaanspraken (welke buiten huwelijk zijn opgebouwd, volgens art. 1:94 lid Pro 2, sub b BW niet in de gemeenschap vallen en niet tot een vereveningsplicht bij echtscheiding zouden leiden) tegenover aanspraken uit hoofde van een stamrechtaanspraak, ook voor de onderhavige afkoopsom het door het hof genoemde onderscheid moet worden gemaakt.
onderdeel 3(verzoekschrift nrs. 1.3.1 en 1.3.2 (slot)) verwijst het middel voorts naar het (in het middel als ‘subsidiair’ aangeduide) standpunt van de man in feitelijke aanleg dat de
geheleafkoopsom als
verknochtmoet worden aangemerkt en derhalve als privé bate en privé investering, leidend tot een vergoedingsrecht ter grootte van die investering. [29] Ik lees daar (verzoekschrift p. 14, tweede regel) de
klachtdat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat het deel van de afkoopsom ad € 64.953,- dat betrekking heeft op de periode vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap in die gemeenschap valt.
primairheeft aangevoerd dat aan het leerstuk van verknochtheid
niet wordt toegekomenen dat reeds de ratio en een redelijke toepassing van de Wvps meebrengen dat de afkoopsom zonder meer en geheel als privé bate moet worden aangemerkt. Op de in het middel aangegeven vindplaatsen [32] en in de overige stukken van het geding [33] heeft de man met een beroep op de ratio en een redelijke toepassing van de Wvps bepleit dat (het geld van) de ontvangen afkoopsom aan hem
verknochtis, hetgeen dient te leiden tot een nominaal vergoedingsrecht. [34] Dit betoog heeft geleid tot het verzoek aan het hof om te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de gemeenschap voor een bedrag van € 64.953,- ‘wegens de investering van aan hem
verknochte(derhalve privé) gelden’ [35] , hetgeen vervolgens het hof heeft gebracht tot de (onbestreden) vaststelling dat hem de vraag is voorgelegd of de afkoopsom verknocht is (rov. 4).
buitende gemeenschap zijn gevallen (art. 1:94 lid Pro 2, aanhef en onder b, (oud) BW) en niet vereveningsplichtig zijn geweest (art. 2 lid 1 Wvps Pro). Ik acht de opvatting verdedigbaar dat het materiële resultaat – dat de pensioenrechten evenals de daarop volgende uitkeringen voor 100% aan de man zouden zijn toegekomen [36] – niet ánders moet kunnen worden door het enkele feit dat de betreffende pensioenrechten door de man zijn afgekocht. Door ook de daarmee gemoeide afkoopsom als privévermogen te beschouwen wordt de man niet bevoordeeld (evenmin als de vrouw wordt benadeeld [37] ). Men kan dit, zoals het middel doet, beschouwen als een door de ratio van de Wvps ingegeven redelijke toepassing van die wet.
buitende gemeenschap vallende en bovendien
niet vereveningsplichtigepensioenrechten. In die omstandigheden moet naar mijn mening de gehele afkoopsom worden beschouwd als een privé bate. Dat staat los van de vraag in hoeverre de pensioenrechten, waren zij niet afgekocht, betrekking zouden hebben gehad op de periode voor dan wel na de ontbinding van de gemeenschap. Steun voor deze opvatting vind ik in de beschikking van Uw Raad van 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, RvdW 2018/296, rov. 4.1.6, waarin het gemeenschappelijk karakter van niet ex lege van de gemeenschap uitgezonderde pensioenaanspraken uitdrukkelijk wordt beperkt tot de aanspraken die
tijdenshet huwelijk zijn opgebouwd (zie hiervoor onder 2.8).
ditbedrag van € 64.593,- is geweest dat is aangewend om de gemeenschappelijke woning in Frankrijk te kopen (rov. 24).
de hoogte van dit vergoedingsrecht niet kan vaststellen, de grief van de man zal worden verworpen en het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen onder verbetering van gronden. De klachten komen er – in de kern samengevat – op neer dat de hoogte van het vergoedingsrecht wél kan worden vastgesteld door het hof.
‘de overwaarde’van de woning, waaronder het hof blijkens zijn berekening heeft verstaan – zoals te doen gebruikelijk – de verkoopwaarde (ad € 120.000,-) verminderd met een eventuele hypothecaire schuld. Het middel impliceert de opvatting dat de door het hof als (onbestreden) uitgangspunt genomen ‘overwaarde’ van de woning mede wordt bepaald door het vergoedingsrecht van de man (de reprise).