AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verduistering door projectontwikkelaar van geïnvesteerde gelden bestemd voor vastgoedprojecten
De verdachte, een projectontwikkelaar en directeur van een BV, sloot met twee investeerders een overeenkomst waarbij zij geld inbrachten voor twee vastgoedprojecten. Hoewel het geld aanvankelijk werd overgemaakt naar de rekening van een werkmaatschappij van de verdachte, gebruikte hij een substantieel deel van dit bedrag voor eigen doeleinden, waaronder privé-uitgaven en betalingen aan derden.
De verdediging stelde dat er geen sprake was van wederrechtelijke toe-eigening omdat het geld niet geoormerkt was en de investeerders op de hoogte waren van de overboekingen. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het geld in strafrechtelijke zin nog toebehoorde aan de investeerders vanwege de specifieke doelbinding.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het civielrechtelijke eigendomsbegrip niet doorslaggevend is voor het begrip 'toebehoren' in art. 321 SrPro. De verdachte had opzet op de wederrechtelijke toe-eigening door het geld tegen de afspraken in voor eigen doeleinden te gebruiken. De strafoplegging werd eveneens bevestigd, waarbij het hof rekening hield met een geringe overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens verduistering van een substantieel deel van geïnvesteerde gelden bestemd voor vastgoedprojecten.
Conclusie
Nr. 16/05586
Zitting: 29 mei 2018
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 18 oktober 2016 wegens “verduistering, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstaf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering(en) tot schadevergoeding.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.W. Noorduyn, advocaat te Den Haag, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte zich gelden toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] wederrechtelijk heeft toegeëigend, mede gelet op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer, onvoldoende met redenen is omkleed.
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 2 februari 2008 tot en met 30 augustus 2012 in Nederland telkens opzettelijk een geldbedrag toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten (telkens) op basis van een schriftelijke overeenkomst inhoudende dat verdachte deze geldbedragen zou investeren in (vastgoed)projecten/ onroerend goed, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2016 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik ben door [betrokkene 3] met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in contact gebracht. Het was de bedoeling dat het geld van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in een agrarische woning en een kas in Honselersdijk en in een project aan de [a-straat] , [A] , zou worden geïnvesteerd. Ik heb de overeenkomst van 31 januari 2008 namens de [B] BV ondertekend. Ik was toen directeur/groot aandeelhouder. Het doel dat in deze overeenkomst is vastgelegd met betrekking tot het aanwenden van het geld waren de twee projecten waar ik net over sprak. Het kan kloppen dat er op 4 februari 2008 een bedrag van € 225.000,- van de rekening van de [B] is overgeboekt naar de rekening van [C] .
Ook kan het kloppen dat er van de rekening van [C] een bedrag van € 125.000,-- en een bedrag van € 15.000,-- naar een rekening courant van mij is overgemaakt. Alle overmakingen vonden plaats in opdracht van mij.
Ik heb het door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overgemaakte geldbedrag niet als geoormerkt geld beschouwd. Ik zag het als geld van de onderneming. Daarom is dat geld niet alleen in de in de overeenkomst genoemde projecten geïnvesteerd, maar ook voor andere doeleinden gebruikt.
Van de € 140.000 die naar mijn rekeningcourant was overgemaakt heb ik € 10.000,- als 'fee' aan [betrokkene 3] betaald. Voorts heb ik hem een lening van € 40.000,- gegeven.
Het klopt dat de overboekingen naar de rekening van [D] van € 5.000,00 en € 10.000,00 te maken hadden met een drogisterij van mij.
Ik werd in die tijd ook afgeperst door één van de financiers van [betrokkene 3] . Ik had dat nooit aan iemand verteld, maar de contante opname van € 10.000,-- van de rekening van [C] had daar dus mee te maken. Ik moest € 10.000,-- per maand betalen.
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 20 juni 2011. van de Politie Haaglanden met nummer PL15021 2011129470-1.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossierpagina 13 e.v.):
als de op 20 juni 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
[betrokkene 3] heeft ons in contact gebracht met [verdachte] . Hij kwam met het voorstel of ik samen met een projectontwikkelaar, [verdachte] , wilde investeren in een pand, met grond, gelegen aan de [b-straat] te Honselersdijk. Het pand en de grond kostten € 225.000,-. Ik heb 243.000 euro geïnvesteerd in de BV [B] .
Het geld zou gestort worden op een rekening van de BV [B] . [verdachte] is directeur van de BV [B] .
Ik had het geld gestort aan de notaris. De notaris heeft het gestort bij [B] .
In de overeenkomst stond dat het geld geïnvesteerd zou worden in het onroerend goed aan de [b-straat] .
Een dag nadat ik het geld had gestort kwam ik erachter, dat het geld was doorgesluisd naar een bedrijf genaamd [C] . Dit bedrijf was gevestigd te 's-Gravenhage.
[verdachte] beloofde mij het geld terug te betalen. Dit is echter niet gebeurd.
3. Een geschrift, te weten een kopie van een overeenkomst d.d. 31 januari 2008, welk geschrift onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - (dossierpagina 122 e.v.):
De ondergetekenden, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De [B] BV (de vennootschap), allen wonende cq gevestigd te Den Haag, en [betrokkene 3] , wonende te Rijswijk ZH,
Verklaren hierbij het volgende te zijn overeengekomen:
1. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] brengen een bedrag in van plm. € 235.000,- in de [B] (...)
3. [betrokkene 1] zal samen met [verdachte] de bankrekeningen van de vennootschap beheren (...)
4. De inbreng genoemd onder artikel 1 vanPro deze overeenkomst zal worden aangewend voor een tweetal projecten, zijnde de contante nabetaling van € 90.000,- voor de afronding van de transactie van het pand in Honselersdijk en een investering groot € 145.000,- in het project [A] van [verdachte] (...)
welke overeenkomst op 31 januari 2008 te Den Haag is ondertekend door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , De [B] BV namens deze, [verdachte] en [betrokkene 3] .
5. Geschriften, te weten kopieën van rekeningafschriften van de ABN AMRO bankrekening [001] van [C] B.V., welk geschriften onder meer inhouden - zakelijk weergegeven - (dossierpagina 74 e.v.):
de volgende vermeldingen betreffende overschrijvingen uit 2008:
Boekdatum Omschrijving bedrag af bedrag bij
04-02 [B] van € 225.000,00
Den Haag
Betreft: spoed-
Overboeking conform
overeenkomst
04-02 uw kasopname bij € 10.000,00
Kantoor [...]
46 Den Haag
06-02 [002] € 125.000,00
[verdachte]
rekeningcourant
18-02 [003] € 5.000,00
[C]
Rekeningcourant
27-02 [003] € 10.000,00
[C]
Rekeningcourant
28-02 [002] € 15.000,00
[verdachte]
Rekeningcourant
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 augustus 2012 van de Politie Haaglanden met nummer PL1561 2011129470-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossierpagina 39 e.v.):
als de op 30 augustus 2012 afgelegde verklaring van de verdachte:
U houdt mij voor dat er € 125.000,- op mijn rekeningcourant is gestort en dat vanaf die rekening weer twee contante opnames hebben plaatsgevonden van € 1.000,- en € 110.000,-. Ik heb daarvan [betrokkene 3] misschien betaald.
U vraagt waar de contante opname van € 10.000,- op 4 februari aan is besteed. Ik werd in die tijd afgeperst door vriendjes van [betrokkene 3] . Ik heb flinke bedragen moeten betalen.
De overboekingen op 18 februari en 28 februari, respectievelijk van € 5.000,- en € 10.000,- hadden met een drogist te maken. Ik had een drogist. Ik heb toen een ton geleend voor de drogisterij. Daarvoor moest ik elke maand € 10.000,- aflossen.”
6. Uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak blijkt het volgende. De verdachte, een projectontwikkelaar, heeft door tussenkomst van [betrokkene 3] contact gelegd met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en namens [B] BV met hen een overeenkomst getekend. Deze overeenkomst hield in dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een geldbedrag zouden investeren in twee bouwprojecten aan de [b-straat] te Honselersdijk en de [a-straat] in Den Haag. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben een geldbedrag van € 235.000,- ingebracht in [B] B.V., waarvan de verdachte de directeur was. De overeenkomst hield in dat verdachte zou het ingebrachte geldbedrag zou worden aangewend ten behoeve van deze projecten. De verdachte heeft op 4 februari 2008 een bedrag van € 225.000,- van de rekening van [B] B.V. overgemaakt naar de rekening van zijn bedrijf [C] B.V. In de dagen daarna zijn vanaf die laatste rekening verschillende geldbedragen overgemaakt naar (privé)rekeningen van de verdachte alsmede bedragen contant opgenomen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in ieder geval een substantieel deel van het geoormerkte bedrag van € 225.000,- voor eigen doeleinden heeft gebruikt.
7. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oktober 2016 gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsvrouwe van de verdachte heeft betoogd dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van geldbedragen. Daartoe heeft zij – kort samengevat – aangevoerd dat de verdachte gerechtigd was om het door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] geïnvesteerde geld over te maken naar de rekening van zijn werkmaatschappij [C] B.V., omdat dit de vennootschap was waarin de ontwikkelingsactiviteiten plaatsvonden, de betrokkenen van die overboekingen op de hoogte waren en [betrokkene 1] zelfs aanwezig was bij het doen van de overboeking. [1] Voorts heeft zij betoogd dat alle overboekingen zijn verantwoord in de boekhouding van de verschillende bv’s, terwijl het grootste gedeelte van het geld daadwerkelijk is aangewend ter ontwikkeling van de in de overeenkomst genoemde projecten [2] en dat de omstandigheid dat er meer dan een ton is overgemaakt naar de rekening van de verdachte in privé is te verklaren doordat de verdachte zelf investeringen in de projecten Honselersdijk en [a-straat] had voorgeschoten. [3] Ten slotte heeft zij aangevoerd dat het niet om geoormerkt geld ging en dat er materieel of formeel niets was wat de verdachte belette om betalingen via andere rechtspersonen of via privérekeningen te laten verlopen. [4]
8. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe in een nadere bewijsoverweging het volgende overwogen:
“Aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het navolgende worden vastgesteld.
Op 31 januari 2008 hebben de verdachte (namens [B] BV), [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een overeenkomst getekend, onder meer inhoudende:
- [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zouden een bedrag inbrengen van ongeveer € 235.000,00 in de [B] ;
- De inbreng zou worden aangewend voor een tweetal projecten, zijnde de contante nabetaling van € 90.000,00 voor de afronding van de transactie van her pand in Honselersdijk en een investering groot € 145.000, 00 in het project [A] .
Nog voordat het geld van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de bankrekening van [B] BV was ontvangen, heeft verdachte op 2 februari 2008 een betalingsopdracht gegeven ter overmaking van een bedrag van € 225.000,00 vanaf de rekening van [B] BV naar de bankrekening van zijn bedrijf [C] , onder vermelding van "conform overeenkomst". Met boekdatum 4 februari 2008 is dit bedrag op de bankrekening van [C] bijgeschreven.
Met betrekking tot de rekening van [C] hebben vervolgens in februari 2008 onder meer de volgende transacties plaatsgevonden:
- 4 februari 2008: € 10.000,00 contante opname
- 6 februari 2008: € 125.000,00 overgemaakt naar de rekening courant van verdachte
- 18 februari 2008: € 5.000,00 overgemaakt naar [D]
- 27 februari 2008: € 10.000,00 overgemaakt naar [D] .
- 28 februari 2008: € 15.000,00 overgemaakt naar de rekening courant van verdachte.
Met betrekking tot de rekening courant van de verdachte heeft onder meer de volgende transactie plaatsgevonden:
- 7 februari 2008: € 110.000,00 contante opname.
De verdachte heeft tegenover de politie op 30 augustus 2012 (proces-verbaal van de politie Haaglanden, financiële recherche, proces-verbaalnummer: PL1561 2011129470-7, d.d. 30 augustus 2012) verklaard dat hij van het contant opgenomen geld, van zijn rekening courant wellicht € 50.000,00 aan [betrokkene 3] heeft betaald. Met betrekking tot de contante opname van € 10.000,00 van de rekening van [C] verklaart hij dat dit geld aan afpersers is betaald. De overboekingen naar de rekening van [D] van € 5.000,00 en € 10.000,00 hebben volgens de verdachte te maken gehad met een vestiging van een drogist, die van hem was.
Daarvoor had hij geld geleend en daarover moest hij rente aflossen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overgemaakte geldbedrag niet als geoormerkt heeft aangemerkt en dat dat geld niet alleen in de in de overeenkomst genoemde projecten is geïnvesteerd, maar dat hij het geld ook heeft aangewend ten behoeve van andere kostenposten, al dan niet in privé. Hij heeft bij het hof bevestigd dat hier onder andere bedragen ten behoeve van afpersers, ten behoeve van een fee en een lening voor [betrokkene 3] en ten behoeve van de hem toebehorende drogist onder vielen.
Wederrechtelijke toe-eiqening
Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat er geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening op het moment dat de € 225.000,00 van de rekening van de bankrekening van B.V. [B] naar de bankrekening van [C] B.V. werd overgeboekt, nu daarmee op dat moment (nog) niet gesteld kan worden dat het geld niet ten goede zou komen aan de in de overeenkomst genoemde projecten.
Naar het oordeel van het hof kan derhalve op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende worden vastgesteld dat er sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van het gehele bedrag van € 225.000,00.
Uit bovenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leidt het hof echter wel af dat verdachte in totaal in ieder geval een substantieel deel van dit bedrag, dat naar het oordeel van het hof blijkens de overeenkomst wel degelijk geoormerkt, was, voor eigen doeleinden heeft gebruikt. Door aldus te handelen heeft verdachte zich een gedeelte van het bedrag van € 225.000,00 wederrechtelijk toegeëigend.
De verdachte heeft derhalve deze geldbedragen verduisterd, zodat het verweer van de raadsvrouw - voor dat gedeelte - wordt verworpen.”
9. Voor strafbaarheid ingevolge art. 321 SrPro is vereist dat de verdachte zich de goederen wederrechtelijk toe-eigent en dat het opzet van de verdachte op die wederrechtelijke toe-eigening is gericht. Van wederrechtelijke toe-eigening is sprake als de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een aan een ander toebehorend goed. [5] De toe-eigening is wederrechtelijk wanneer de gedragingen van de verdachte verder gaan dan is toegestaan krachtens het recht op grond waarvan de verdachte het goed onder zich heeft. [6]
10. De steller van het middel wijst erop dat het hof heeft geoordeeld dat van wederrechtelijke toe-eigening nog geen sprake was toen de verdachte het bedrag van € 225.000,- overboekte naar de rekening van [C] B.V. het geldbedrag bij die overboeking in eigendom is overgegaan naar [C] B.V. en daarmee in de beschikkingsmacht van de verdachte is gekomen. Gelet hierop kan volgens de steller van het middel niet worden gezegd dat het desbetreffende geldbedrag nog toebehoorde aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en dat nadien sprake is geweest van de bewezen verklaarde wederrechtelijke toe-eigening. De omstandigheid dat de verdachte daarna mogelijkerwijs niet de vereiste tegenprestaties heeft verricht, doet daaraan niet af, aldus de steller van het middel. Zij wijst in dit verband op twee uitspraken van de Hoge Raad waarin het ging om via Marktplaats bestelde goederen. Deze goederen waren door de kopers ervan betaald, maar de verdachte had ze niet geleverd. In deze twee zaken oordeelde de Hoge Raad dat in de enkele omstandigheid dat degene die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen vervolgens nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te verrichten nog geen reden is te vinden om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren. [7]
11. In een eerdere conclusie heb ik stilgestaan bij de vraag in hoeverre bij de beoordeling of sprake is van ‘toebehoren’ als bedoeld in art. 321 SrPro aansluiting moet worden gezocht bij het civielrechtelijke eigendomsbegrip. [8] Daarin concludeerde ik aan de hand van rechtspraak van de Hoge Raad en strafrechtelijke literatuur dat voor de uitleg van ‘toebehoren’ in art. 321 SrPro het civielrechtelijke eigendomsbegrip niet altijd doorslaggevend is. Van een geheel autonome benadering van het bestanddeel ‘toebehoren’ in het strafrecht is geen sprake, maar er kunnen accentverschillen bestaan tussen beide rechtsgebieden daar waar zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat de strekking van de strafrechtelijke regeling tot afwijking noopt. [9]
12. Een dergelijk accentverschil doet zich voor in zaken waarin de verdachte van een derde een geldbedrag krijgt met de bedoeling dit ten behoeve van die derde voor een specifiek doel aan te wenden. Civielrechtelijk gaat de eigendom van het geldbedrag in beginsel over naar de verdachte op het moment van overdracht van het geld. [10] In strafrechtelijke zin kan het desbetreffende geldbedrag in een dergelijk geval evenwel nog toebehoren aan die derde. [11] In HR 4 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4044, NJ2000/537 m.nt. Schalken ging het om een tussenhandelaar die gekochte en betaalde dollarobligaties niet overboekte naar de rekening van de opdrachtgever, maar deze in pand gaf aan zijn eigen bank ter aanzuivering van een dekkingstekort bij die bank. In het arrest van het hof lag als zijn oordeel besloten dat de dollarobligaties op het moment van inpandgeving aan de opdrachtgever toebehoorden in de zin van art. 321 SrPro. Dat oordeelde getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad overwoog voorts dat de opvatting dat slechts tot verduistering had kunnen worden gekomen indien het hof had vastgesteld dat de opdrachtgever ten tijde van de inpandgeving door de verdachte de eigendom – in civielrechtelijke zin – van die obligaties had verworven onjuist is. In HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4638 had de verdachte een gedeelte van een geldbedrag, dat zij had ontvangen ter bekostiging van plastisch chirurgische ingrepen, voor andere doeleinden aangewend. Gelet op de door het hof vastgestelde overeengekomen “doelbinding” en de omstandigheid dat het geld slechts aan de verdachte werd geschonken “voor zover zij dit geld ook zou gebruiken in overeenstemming met deze doelbinding”, getuigde het oordeel dat de verdachte het geldbedrag zich wederrechtelijk had toegeëigend in de zin van art. 321 SrPro niet van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620 oordeelde de Hoge Raad dat van het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikken over een goed dat aan een ander toebehoort onder meer sprake kan zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd, doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt. [12]
13. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat het geldbedrag van € 225.000,- geoormerkt was en dat de verdachte een substantieel gedeelte van dit geldbedrag voor eigen doeleinden heeft gebruikt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het geïnvesteerde geld niet is terugbetaald. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich een gedeelte van het geldbedrag van € 225.000,- wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarin ligt voorts als oordeel van het hof besloten dat het desbetreffende gedeelte aan een ander dan de verdachte toebehoorde, te weten aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Gelet op de omstandigheid dat het geldbedrag aan de verdachte ter beschikking is gesteld met (uitsluitend) als doel dit te investeren in de projecten aan de Honselersdijk en de [a-straat] , terwijl uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte een substantieel deel van dit geldbedrag voor andere doelen heeft aangewend, acht ik het oordeel dat de verdachte aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] toebehorende geldbedragen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het hof niet heeft bewezen verklaard dat reeds sprake was van verduistering toen de verdachte het geldbedrag van € 225.000,- overmaakte naar de rekening van [C] en dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] het geld niet hebben uitgeleend maar ‘ingebracht’. [13] Uit het voorafgaande blijkt immers dat een eventuele (civiele) eigendomsoverdracht niet in de weg behoeft te staan aan het oordeel dat het bedrag in strafrechtelijke zin aan de opdrachtgevers toebehoorde. Het hof kon dit laatste afleiden uit de omstandigheid dat het geldbedrag aan de verdachte met een specifiek doel ter beschikking was gesteld.
14. De onderhavige zaak verschilt van de door de steller van het middel genoemde Marktplaats-zaken, [14] in die zin dat uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak volgt dat de verdachte het geldbedrag niet ontving in ruil voor door hem direct aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te leveren goederen, maar met de opdracht namens hen met dit geldbedrag investeringen te doen in de projecten in Honselersdijk en aan de [a-straat] . Het hof heeft in het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de bewijsmiddelen 2 en 3, niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het gaat om geoormerkte betalingen en dat het de verdachte daarmee niet vrij stond het gestorte bedrag geheel of ten dele voor andere doeleinden te gebruiken. De verdachte in de onderhavige zaak was, anders dan de verdachte in de Marktplaats-zaken, verplicht om het aan hem overgedragen geldbedrag voor een specifiek doel aan te wenden. [15] In zoverre vertoont de onderhavige zaak meer overeenkomsten met de hiervoor besproken uitspraken van 4 januari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4044, NJ2000/537 m.nt. Schalken), 11 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX3620) [16] en HR 5 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4638), waarin de bewezenverklaring wegens verduistering in cassatie telkens in stand bleef. [17]
15. Het middel faalt.
16. Het tweede middelbehelst de klacht dat het bewijs van het opzet van de verdachte op de wederrechtelijke toe-eigening onvoldoende met redenen is omkleed.
17. De raadsvrouwe van de verdachte heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 18 oktober 2016 het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het proces-verbaal van die terechtzitting gehechte pleitnotities. Uit de pleitnotities blijkt dat zij heeft betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de geldbedragen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had en evenmin bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat met de gewraakte overboeking sprake zou zijn van wederrechtelijke toe-eigening, omdat hij altijd investeringen overboekte van de investeringsmaatschappij naar zijn werkmaatschappij en niet beter wist, terwijl de aangevers van deze overboeking op de hoogte waren en inzicht hadden in de rekening van [B] B.V. Voorts heeft zij aangevoerd dat de verdachte op het moment van overmaken oprecht heeft gedacht en getracht de projecten verder te ontwikkelen en winstgevend te maken. [18]
18. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:
“Het verweer van verdachte, dat hij geen opzet had op wederrechtelijke toe-eigening van het geldbedrag van € 225.000,000 bij het laten overboeken van dit bedrag naar [C] , behoeft gelet op het hiervoor overwogene geen bespreking meer.
Ten overvloede merkt het hof op dat door de geldbedragen tegen de – verdachte bekende – afspraken in voor eigen doeleinden te gebruiken, het opzet bij de verdachte tot wederrechtelijke toe-eigening van die bedragen reeds is gegeven.”
19. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat het de bedoeling was dat het geld van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in een agrarische woning en een kas in Honselersdijk en in een project aan de [a-straat] , [A] , zou worden geïnvesteerd en dat het in de overeenkomst vastgelegde doel voor de geldbedragen de twee genoemde projecten betrof. Tot het bewijs is gebezigd de inhoud van een mede door de verdachte ondertekende overeenkomst , waarin is opgenomen dat het door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ingebrachte geldbedrag voor de genoemde twee projecten zal worden aangewend. Uit de bewijsmiddelen (bewijsmiddelen 1 en 5) volgt dat de verdachte het door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overgemaakte geldbedrag voor een substantieel deel heeft overgeboekt naar zijn privérekening en heeft aangewend ten behoeve van andere kostenposten, waaronder betalingen aan afpersers, [betrokkene 3] en betalingen ten behoeve van een hem toebehorende drogisterij.
20. In het licht van de inhoud van de hiervoor weergegeven en door de verdachte ondertekende overeenkomst, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening niet onbegrijpelijk. [19] Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat het opzetverweer in hoger beroep was toegesneden op de overboeking van het geldbedrag van de rekening van de [B] naar de rekening van [C] BV, terwijl het hof de verdediging is gevolgd in het betoog dat op dat moment nog geen sprake was van wederrechtelijke toe-eigening.
21. Het middel faalt.
22. Het derde middelbehelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof zijn oordeel ten aanzien van de schending van de redelijke termijn heeft omkleed met elkaar tegenstrijdige overwegingen.
23. In hoger beroep is door de raadsvrouwe aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, voor welke overschrijding het hof – indien het tot strafoplegging overgaat – een compensatie moet bieden. Het hof heeft het volgende overwogen:
“Het hof stelt voorts vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren. Gezien de geringe overschrijding en gelet op de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep is het hof van oordeel dat met deze vaststelling kan worden volstaan.
Wel zal het hof rekening houden met dit geconstateerde tijdsverloop bij de strafoplegging.”
24. In cassatie wordt niet geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. [20] Niet valt in te zien welk belang de verdachte heeft bij de klacht dat het hof niettemin tot vermindering van de straf wegens het tijdsverloop is ingegaan. Ten overvloede merk ik op dat het het hof vrijstond bij de straftoemeting in aanmerking te nemen dat de gehele procedure een zekere tijd heeft belopen. [21]
25. Het middel faalt.
26. De middelen falen. In elk geval het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
8.Zie – met andere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur – de onderdelen 17 t/m 23 van mijn conclusie voor HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3377.
9.Zie onderdelen 20 en 21 van mijn conclusie voor HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3377.
10.Zie in dit verband onder meer HR 22 december 1939,
11.Zie in dit verband onder meer HR 12 februari 1952,
20.Het hof heeft niet vastgesteld wanneer de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen. Uit het dossier leid ik af dat de verdachte niet in voorarrest heeft gezeten en dat zijn (kennelijk) eerste verhoor heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2012. Hij is vervolgens gedagvaard om voor de rechtbank te verschijnen op 2 juni 2015 en de rechtbank Den Haag heeft op 2 juli 2015 vonnis gewezen. Vervolgens is op 14 juli 2015 hoger beroep ingesteld en heeft het hof op 18 oktober 2016 arrest gewezen.
21.Vgl. in dit verband onderdeel 4.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2475. Hij merkt op dat het hof in de desbetreffende zaak met de overweging dat het “wel rekening houdt met het aanzienlijke tijdsverloop” niet doelt op een compensatie voor de termijnoverschrijding, maar dat het bedoelde tijdsverloop mede betrekking heeft op de periode die voorafging aan het begin van de redelijke termijn.