Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte zich gelden toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] wederrechtelijk heeft toegeëigend, mede gelet op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer, onvoldoende met redenen is omkleed.
NJ2000/537 m.nt. Schalken ging het om een tussenhandelaar die gekochte en betaalde dollarobligaties niet overboekte naar de rekening van de opdrachtgever, maar deze in pand gaf aan zijn eigen bank ter aanzuivering van een dekkingstekort bij die bank. In het arrest van het hof lag als zijn oordeel besloten dat de dollarobligaties op het moment van inpandgeving aan de opdrachtgever toebehoorden in de zin van art. 321 Sr Pro. Dat oordeelde getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad overwoog voorts dat de opvatting dat slechts tot verduistering had kunnen worden gekomen indien het hof had vastgesteld dat de opdrachtgever ten tijde van de inpandgeving door de verdachte de eigendom – in civielrechtelijke zin – van die obligaties had verworven onjuist is. In HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4638 had de verdachte een gedeelte van een geldbedrag, dat zij had ontvangen ter bekostiging van plastisch chirurgische ingrepen, voor andere doeleinden aangewend. Gelet op de door het hof vastgestelde overeengekomen “doelbinding” en de omstandigheid dat het geld slechts aan de verdachte werd geschonken “voor zover zij dit geld ook zou gebruiken in overeenstemming met deze doelbinding”, getuigde het oordeel dat de verdachte het geldbedrag zich wederrechtelijk had toegeëigend in de zin van art. 321 Sr Pro niet van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620 oordeelde de Hoge Raad dat van het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikken over een goed dat aan een ander toebehoort onder meer sprake kan zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd, doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt. [12]
NJ2000/537 m.nt. Schalken), 11 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX3620) [16] en HR 5 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4638), waarin de bewezenverklaring wegens verduistering in cassatie telkens in stand bleef. [17]
tweede middelbehelst de klacht dat het bewijs van het opzet van de verdachte op de wederrechtelijke toe-eigening onvoldoende met redenen is omkleed.
derde middelbehelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof zijn oordeel ten aanzien van de schending van de redelijke termijn heeft omkleed met elkaar tegenstrijdige overwegingen.