Conclusie
middelklaagt dat het bewezenverklaarde “vol opzet” niet uit de bewijsvoering kan volgen.
NJ2018/133 m.nt. Wolswijk ging het wel om een duw – met de borstkast tegen de borstkast van de aangever – waardoor de aangever achterover op straat viel. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte de aangever "opzettelijk mishandelend (...) met kracht tegen het (boven)lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden". De Hoge Raad zag, anders dan de A-G in diens conclusie, daarin geen probleem: “Deze bewezenverklaring is, ook voor zover deze betrekking heeft op de omstandigheid dat de verdachte opzet - al dan niet in voorwaardelijke vorm - op het toebrengen van pijn en letsel heeft gehad, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, in het bijzonder in aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met zijn borstkas met kracht […] een harde duw heeft gegeven tegen diens borstkas waardoor deze achterover op straat viel.” Het valt op dat de Hoge Raad hier kennelijk wil benadrukken dat het om het even is of het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het toebrengen van pijn en letsel. [2]
Doordat(cursivering van mij, A-G) ik haar duwde belandde zij in de Amstel.” Dit handelen in samenhang met de zojuist nog eens weergegeven woorden die de verdachte daarbij bezigde, levert “vol opzet” op.
NJ2014/402: “Gelet op dit een en ander moet onder 'mishandeling' in de zin van genoemde bepaling niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn – zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011/466) – maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam (vgl. HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503 en HR 12 december 1967, NJ 1970, 314).” [4] In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, kon uit de door het hof gebezigde bewijsvoering worden afgeleid dat de verdachte bij de betrokkenen een onlust veroorzakende gewaarwording had veroorzaakt door hen in het water te duwen, maar dat was daar niet tenlastegelegd. Tenlastegelegd en bewezenverklaard was dat zij door die gedraging van de verdachte pijn hadden ondervonden, en dat kon uit 's hofs bewijsvoering juist weer niet volgen. De bewezenverklaring was dus in dit opzicht niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In de voorliggende zaak is echter het teweegbrengen van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam wel tenlastegelegd en bewezenverklaard en dit kan ook zonder meer uit de bewijsvoering van het hof worden afgeleid. De aangeefster is immers door de verdachte in de Amstel geduwd en zij heeft daarover verklaard dat de kou van het water direct in haar lichaam was doorgedrongen en dat zij tot op het bot nat was en zich door en door koud voelde, nog daargelaten dat zij zich vernederd en onprettig voelde, en heel veel angst en machteloosheid voelde. [5]