Conclusie
1.Feiten en procesverloop
[verzoekster]), geboren in 1955, is in 1975 in dienst getreden bij thans verweerster in cassatie (hierna:
[verweerster]), [1] die op Aruba distributie- en retailactiviteiten ontplooit, onder andere in golf- en andere sportartikelen. [2] [verzoekster] is destijds aangenomen als “klerk”/secretaresse. In de loop der jaren heeft zij bepaalde verantwoordelijkheden voor de bedrijfsvoering erbij gekregen, waaronder het beheer van de inventaris. Zij is echter niet in een andere functie aangesteld. [3]
GEA) [verzoekster] veroordeelt Afl. 1.083.996,08 met wettelijke rente te betalen.
advances, voor in totaal Afl. 92.085,05. In een vaststellingsovereenkomst zijn partijen de terugbetaling van dit bedrag overeengekomen. [11]
De vordering is niet weersproken en wordt daarom toegewezen.”
het hof). Bij memorie van grieven bestrijdt zij de verschuldigdheid van de vordering. [verweerster] heeft een memorie van antwoord ingediend, waarin zij concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
BW-A). [13] Zij meent dat niet is voldaan aan de door die bepaling gestelde eis dat zij schade aan haar werkgever heeft toegebracht die
het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. [14]
is van mening dat dat reeds ter zitting van heden had moeten gebeuren en verzet zich tegen dit voorstel.
tussenvonnis. Daarin gaat het hof eerst in op zijn eigen samenstelling in deze zaak:
.Hierop laat het hof volgen (rov. 4.4):
advancesals rechtsgeldig aan.
eindvonnis. Daarin maakt het duidelijk dat het beroep van [verzoekster] op verjaring al in het tussenvonnis is gehonoreerd en daarom met tekortkomingen van vóór 10 juli 2008 geen rekening wordt gehouden (rov. 2.1).
Afl. 175.731,25plus rente aan [verweerster] verschuldigd is. Daarvan ziet Afl. 118.292,40 op de terug te betalen voorschotten (stand per 19 april 2016), te vermeerderen met 8% rente per jaar (rov. 2.3). Over de andere toegewezen posten is contractuele rente verschuldigd (zie rov. 2.12).
aanvullend cassatieverzoekschrift) worden nadere klachten geformuleerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
daaropvolgende uitspraak”. Dat heeft de vraag doen rijzen of met dat laatste was bedoeld ‘de eerstvolgende uitspraak’ of ‘alle volgende uitspraken’. Anderzijds blijkt uit dit arrest dat het zogenoemde onmiddellijkheidsbeginsel, inhoudende dat een rechterlijke beslissing die (mede) wordt genomen op grond van een voorafgaande mondelinge behandeling behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie de zaak is bepleit, van toepassing tot de laatste uitspraak waarin wordt beslist op geschilpunten die bij die mondelinge behandeling aan de orde zijn geweest.
Muetstege q.q./Amsterdamvan 15 april 2016 [24] heeft de Hoge Raad het arrest
[A] c.s./Staatverduidelijkt, door onder andere te preciseren dat voor het volgen van de procedure zoals uiteengezet in het arrest geen grond bestaat bij een rechterswissel na een eerste mondelinge behandeling, waarna een tweede mondelinge behandeling volgt voorafgaande aan de verdere beoordeling van het geschil (rov. 3.4). De gevolgen van de eerste mondelinge behandeling zijn dan als het ware uitgewerkt. Verder geeft de Hoge Raad de volgende preciseringen:
de verplichting van het gerecht om na een mondelinge behandeling aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling, vervalt na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt” (rov. 3.7.3) kan het volgende worden afgeleid:
eerstvolgende uitspraak.
geen beslissing inhoudt over de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen”(zie rov. 3.7.1). Te denken valt bijvoorbeeld aan een tussenarrest waarbij een deskundigenbericht wordt gelast. Niettemin bevat in de meeste gevallen een tussenuitspraak wél een “
beslissing over de geschilpunten”. Als op de zitting bijvoorbeeld de bewijslastverdeling aan de orde is geweest en vervolgens bij tussenuitspraak één partij een bewijsopdracht krijgt, zou ik menen dat daarmee op een geschilpunt is beslist. Partijen moeten dan worden geïnformeerd over de rechtersvervanging. Voorts vraag ik mij af hoe deze generieke uitzondering op de regels van het arrest
[A] c.s/Staatzich verhoudt tot de overweging dat de mededelingsverplichting van het gerecht vervalt na de eerstvolgende uitspraak omdat het, kort gezegd, voor de griffies werkbaar moet blijven. Om te kunnen beoordelen of van een rechterswisseling na de zitting maar vóór de eerstvolgende uitspraak een mededeling aan partijen moet worden gedaan, zou dan toch een zaaksinhoudelijke beoordeling moeten worden gemaakt, waarvan in het arrest
Muetstege q.q./Amsterdamis gezegd dat die niet eenvoudig werkbaar is (rov. 3.7.2). Immers, het doen van een mededeling zou pas mogelijk zijn als de inhoud van de uitspraak bekend is, terwijl die mededeling er nu juist toe kan leiden dat om een nadere mondelinge behandeling wordt verzocht en pas daarna uitspraak wordt gedaan.
niet verplicht is om ambtshalve een nieuwe zitting te gelasten. M.i. zou dat wel een zuivere oplossing zijn: [27] een nieuwe mondelinge behandeling, tenzij (alle) partijen schriftelijk hebben verklaard daar geen behoefte aan te hebben.
[A] c.s./Staat, het belang is benadrukt dat tijdig proces-verbaal van de mondelinge behandeling wordt opgemaakt en aan partijen wordt verstrekt:
.”
[A] c.s./Staat, identificeerde de Hoge Raad art. 134 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro als grondslagen voor het onmiddellijkheidsbeginsel. Die fundamenten gelden eveneens voor het Arubaans burgerlijk procesrecht. [29] Ook daar neemt de mondelinge behandeling een fundamentele plaats in. [30]
istoegelicht dat “
mr. Lourens is teruggekeerd naar Nederland en is vervangen door mr. T.A.M. Tijhuis”. Ik constateer dat het onderdeel
er niet over klaagtdat het hof heeft nagelaten vóór het tussenvonnis mededeling te doen van de rechterswisseling. Mijn algemene kanttekeningen bij het arrest
Muetstege q.q./Amsterdamzijn daarom niet van belang voor de beoordeling van het middel (maar bedoeld voor de bredere discussie).
isopgemaakt. Dat laatste ontkent [verzoekster] ook niet, nu zij zelf het proces-verbaal, met het aanvullend cassatieberoep, heeft overgelegd.
een getuigenverhoorte gelasten, zonder dat op enigerlei wijze een verband wordt gelegd met de vervanging van een van mr. Lourens. Van de rechterswisseling wordt in die brief zelfs in het geheel niet gerept. Er moet daarom van uit worden gegaan dat [verzoekster] het hof niet om een nadere mondelinge behandeling heeft verzocht.
Muetstege q.q./Amsterdamdat ná de uitspraak die volgt op de mondelinge behandeling het initiatief met betrekking tot het gelasten van een eventuele nadere zitting bij partijen ligt. In dat kader wordt geen uitzondering gemaakt voor procespartijen zonder rechtskundige bijstand.
Muetstege q.q./Amsterdam, rov. 3.8, slot.
aanvullend cassatieverzoekschriftvoert [verzoekster] klachten aan die met het vorenstaande verband houden. Zij stelt dat het hof het proces-verbaal van de zitting van 16 december 2014 niet aan haar heeft verstrekt. Dit proces-verbaal zou bovendien een onleesbare datumstempel bevatten, waardoor niet is te controleren
wanneerhet is ondertekend. Daarom zou niet zijn voldaan aan de procedurele eis dat ondertekening binnen tweemaal 24 uren na de zitting moet plaatsvinden. [35] De overweging (rov. 1.4 tussenvonnis) dat van de zitting proces-verbaal is opgemaakt zou onbegrijpelijk zijn.
eerste plaatsoverweegt het hof in het tussenvonnis van 23 februari 2016 in rov. 1.4 en rov. 4.1 met zoveel woorden dat van de mondelinge behandeling proces-verbaal “
is opgemaakt”. Hoewel de datumstempel onderaan het proces-verbaal inderdaad onleesbaar is, wijst [verzoekster] niet op enig gedingstuk waaraan een positieve aanwijzing kan worden ontleend dat deze overweging in het tussenvonnis onjuist is.
tweede plaatsblijkt uit het procesdossier niet dat partijen, die na het tussenvonnis van het hof veelvuldig met het hof hebben gecorrespondeerd, op enig moment hebben geprotesteerd tegen de vermelding in het tussenvonnis dat er een proces-verbaal van de zitting was opgemaakt. Indien dat niet aan hen was toegezonden, dan had het voor de hand gelegen dat zij om toezending daarvan zouden hebben verzocht. Uit de gedingstukken is daar niet van gebleken.