Conclusie
1.De feiten
De oorzaak van de ontstane situatie rondom de liquiditeitspositie van de vennootschap is volledig in de brandstofprijzensfeer, derhalve zullen de correctieve maatregelen ook op dat vlak dienen plaats te vinden. Gelet op het vorenstaande heeft de Directie de Raad van Commissarissen, in haar schrijven van 18 juli 2011, verzocht om het daarheen te leiden opdat dit verzoek voor tariefsaanpassing door te leiden aan de Overheid, waarna de Directie uiteraard alle medewerking zal verlenen voor een spoedige besluitvorming hiervan.
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
vanaf de inwerkingtreding van zijn wet, ex nunc, een (ander) rechtsgevolg verbindt aan een anterieur feit (
vertraagd rechtsgevolg). Het is opmerkelijk dat ook dan in de volksmond het verwijt ‘terugwerkende kracht’ valt, wanneer men het resultaat onbevredigend acht – technisch onjuist, omdat het een geval van onmiddellijke werking is, maar niet onbegrijpelijk als het effect nagenoeg hetzelfde is [curs. in origineel, A-G].” [31]
effet immédiaten
rétroactivitéof bijvoorbeeld in Duitse termen tussen
echteen
unechte Rückwirkung. [32] Voor België kan worden verwezen naar het mooie
Algemeen Deel. Veertig jaar latervan Van Gerven en Lierman:
overgangsrecht(…) wordt een onderscheid gemaakt tussen onmiddellijke, terugwerkende, of retroactieve, en eerbiedigende werking van de nieuwe regel ten aanzien van bepaalde feiten waarop hij uitwerking heeft.
Onmiddellijkewerking is de algemene regel. Hij betekent dat de nieuwe regel onmiddellijk toepasselijk is op feiten die zich voordoen na het inwerkingtreden van de nieuwe rechtsregel maar ook op na de inwerkingtreding ontstane rechtsgevolgen van voordien voorgevallen feiten. (…) [D]e regelen van overgangsrecht kunnen verschillen naargelang de rechtsmaterie. (…) [curs. in origineel, voetnoten verwijderd, A-G]” [33]
Aanwijzing 5.61 Onmiddellijke werking
ImageSat:
van haar inwerkingtreding afeen “andere rechtswaarde” verleent aan zogenoemde anterieure feiten (vgl. Parl.Gesch. Overgangsrecht, p. 11 e.v., van het nieuw Burgerlijk Wetboek van Nederland).” [35]
ImageSat– in een uitspraak van 5 maart 2013 als volgt:
Het Hof blijft bij zijn in de beschikking van 29 juni 2012 onder 3.2 gegeven oordeel en voegt daaraan het volgende toe.
In de memorie van toelichting bij de wijzigingen van Boek 2 per 1 januari 2012 (hierna: MvT 2012) is opgenomen (Artikel II (Overgangsrecht)) dat de algemene regel is dat de nieuwe bepalingen vanaf de dag van invoering werking hebben (onmiddellijke werking) en dat aan deze regel in beginsel kan worden vastgehouden. Geen uitzondering is gemaakt voor de invoering van de voor alle rechtspersonen geldende enquêteregeling per 1 januari 2012. Zoals meermalen wordt uiteengezet in de MvT 2012 (Algemene Inleiding, Belangrijkste wijzigingen en aanvullingen onder (14), Artikelen 54 en 55, Titel 8 Algemeen) bevatte het Boek 2 van 2004 een voorloper van het enquêterecht in artikel 2:54 BW Pro, dat echter alleen voor de stichting gold. Gelet op de overgangsregeling bij de invoering van dit artikel 2:54 BW Pro werd de algemene regeling van ‘onmiddellijke werking’ door de wetgever destijds ook voldoende geacht.
ImageSat-beschikkingen - het volgende:
onderdeel 11 sub a, is gericht tegen ’s Hofs oordeel over de toekenning van onmiddellijke werking aan artikel 2:282 BWC Pro. Het onderdeel onderkent weliswaar de onmiddellijke werking van artikel 2:282 lid 1 BWC Pro per 1 januari 2012, maar betoogt dat daaruit niet per definitie volgt dat het Hof deze bevoegdheid tot het vaststellen van wanbeleid (ook) op anterieure feiten kan toepassen. Het onderdeel klaagt dat dit – anders dan het Hof in rov. 4.1.7 heeft overwogen – aan artikel 2:282 BWC Pro terugwerkende kracht geeft.
Artikel II (Overgangsrecht)
sanctieaan de bevindingen in het onderzoeksrapport in de zin van ontslag van de stichtingsbestuurder wilde verbinden gold op grond van artikel 37n van de Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek dat dan slechts onbehoorlijk bestuur in aanmerking genomen kon worden dat plaats had gevonden ná de inwerkingtreding van Boek 2 BW (per 1 maart 2004 [55] ). Deze parallel met het overgangsrecht bij de invoering van de mini-enquête zal hierna relevant worden bij de bespreking van de klachten die gericht zijn tegen rov. 4.1.8 van de bestreden beschikking.
in beginselhetzelfde wordt uitgelegd, “
daar waar niet blijkt dat uitdrukkelijk van de Nederlandse regeling is afgeweken”. Dergelijke nuanceringen kom ik ook in de literatuur tegen. [62] Het verband tussen concordantie en totstandkomingsgeschiedenis is het volgende. Of een regeling concordant is bedoeld kan blijken uit de inhoud van de desbetreffende regeling en uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan. [63]
tot op zekere hoogtegevolgd.
Verschillende overwegingen hebben geleid tot afwijkingen. Zo bleek een sterkte behoefte te bestaan aan vereenvoudiging ten opzichte van het Nederlandse stelsel. Met name op het gebied van de NV en de BV was dat stelsel, mede door invloed van Europese regels, erg gecompliceerd geworden. Een andere overweging,
die tot afwijkingen leidde, was de behoefte om de flexibiliteit en de compatibiliteit met het Anglo-Amerikaanse systeem te vergroten. (…) [curs. A-G].” [65]
a fortiorihet niet kunnen aanwijzen van één of meer verantwoordelijken voor dat vastgestelde wanbeleid alsmede het treffen van andere voorzieningen ex artikel 2:283 BWC Pro dan door het Hof bedoeld op basis van anterieure feiten.
sanctie– in de mini-enquête was dat het ontslag van de stichtingsbestuurder in de zin van artikel 2:55 lid 1 onder Pro b BW(-NA) en in het huidige enquêterecht per 1 januari 2012 is dat het treffen van voorzieningen als bedoeld in artikel 2:282 lid 3 jo Pro. 2:283 BWC – dienen anterieure feiten buiten beschouwing te blijven. Ik verwijs in dit verband bovendien nogmaals naar de hierboven aangehaalde toelichting op artikel 5.61 van de (Nederlandse) Aanwijzingen voor de regelgeving waarin met zoveel woorden is opgemerkt dat “[o]p grond van deze bepalingen [zoals artikel 1 Sr Pro, artikel 16 Gw Pro en artikel 7 EVRM Pro, A-G] feiten die vóór de inwerkingtreding zijn geschied,
niet strafbaarof zwaarder strafbaar [kunnen] worden gesteld [curs. A-G].”
ultimum remedium-karakter van voorzieningen – een begrip dat eveneens centraal staat in het strafrecht.
naming and shamingin het bestuursrecht.
Het subonderdeel klaagt voorts dat het Hof niet rept van de in artikel 2:276 BWC Pro bedoelde voorlopige voorzieningen. Het subonderdeel betoogt dat als het Hof het treffen van voorlopige voorzieningen gebaseerd op anterieure feiten wel te rijmen vindt met het enquêterechtelijke legaliteitsbeginsel de vraag rijst of dat standpunt wel houdbaar is in het licht van datzelfde beginsel. Als die verwijzing zo gelezen moet worden dat deze ook de voorzieningen als bedoeld in artikel 2:276 BWC Pro omvat, maakt dat het gemankeerde karakter van het enquêterecht alleen maar klemmender, aldus het subonderdeel.
uitsluitend[curs. A-G] die [anterieure, A-G] feiten” treffen van voorzieningen in de zin van artikel 2:282 lid 3 jo Pro. 2:283 BWC. Ik memoreer ook dat het Hof in rov. 4.1.8 opmerkt dat het in de onderhavige zaak geen aanleiding ziet om dergelijke voorzieningen te treffen.
uitsluitendop grond van anterieure feiten toewijzen van – in dit geval voorlopige – voorzieningen ten nadele van personen. Overigens blijkt uit de hiervoor aangehaalde empirische onderzoeken naar het Nederlandse enquêterecht dat door de Ondernemingskamer in een minderheid – 45% – van het totale aantal zaken sinds 1994 – het jaar dat artikel 2:349a lid 2 BW werd ingevoerd – onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen. [74]